Deze bestuursrechtelijke zaak betreft een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagenaffaire die een verzoek indiende voor overname van haar private schulden door de overheid op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
De minister van Financiën wees het verzoek af omdat de schulden niet opeisbaar waren vóór 1 juni 2021, een vereiste volgens artikel 4.1, tweede lid, onder b, van de Wht. De eiseres voerde aan dat zij door de toeslagenproblematiek in financiële problemen was gekomen en deed een beroep op de hardheidsclausule.
De rechtbank oordeelde dat de wetgever bewust heeft gekozen voor overname van alleen opeisbare schulden per 1 juni 2021 en dat dit criterium niet onrechtmatig is. De hardheidsclausule werd niet van toepassing geacht omdat eiseres geen bijzondere omstandigheden aannemelijk maakte die een onbillijkheid van overwegende aard zouden vormen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen vergoeding van proceskosten ontvangt en het griffierecht niet wordt terugbetaald.