Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3383

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
12112162 CV EXPL 26-2328
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13 EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EGArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling in huurzaak woonruimte met toetsing oneerlijke bedingen

In deze huurzaak woonruimte vordert de verhuurder betaling van een huurachterstand en nevenvorderingen. De gedaagde huurder is niet verschenen, waarna verstek is verleend. De kantonrechter toetst ambtshalve de huurovereenkomst en de algemene voorwaarden aan Richtlijn 93/13 EG inzake oneerlijke bedingen, omdat het hier gaat om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument.

De kernbedingen zoals huurprijs en servicekosten zijn transparant en uitgesloten van toetsing. De relevante bepalingen over huurprijswijziging en wijziging voorschot servicekosten worden niet als oneerlijk beoordeeld. Ook de bepalingen over buitengerechtelijke kosten en proceskosten worden, mede gelet op recente jurisprudentie, niet als oneerlijk aangemerkt, behalve dat het proceskostenbeding niet meer proceskosten mag opleggen dan wettelijk is toegestaan.

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van de huurachterstand en buitengerechtelijke incassokosten toe, maar wijst de gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten af wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten worden conform het liquidatietarief toegewezen en de veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Huurder wordt bij verstek veroordeeld tot betaling van huurachterstand, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten, na toetsing van oneerlijke bedingen.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12112162 CV EXPL 26-2328
vonnis van: 27 maart 2026
fno.: 506

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Woningstichting Eigen Haard

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam
eisende partij
gemachtigde: KVN Gerechtsdeurwaarders & Juristen
t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

Verloop van de procedure

Eisende partij heeft gedaagde partij gedagvaard. Gedaagde partij is niet verschenen. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.

Gronden van de beslissing

1. Eisende partij vordert betaling van de huurachterstand met nevenvorderingen.
Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
2. In deze procedure gaat het om een overeenkomst tussen een handelaar en een consument. Daarom moet ambtshalve worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht, met name aan Richtlijn 93/13 EG (de Richtlijn oneerlijke bedingen). Als er oneerlijke bepalingen in de huurovereenkomst of de algemene voorwaarden staan, moet de kantonrechter deze vernietigen. Eisende partij mag die bepalingen dan niet gebruiken en zij mag ook geen beroep meer doen op aanvullend recht (zie ECLI:EU:C:2021:68).
3. Eisende partij heeft de tussen partijen gesloten huurovereenkomst met betrekking tot de woning gelegen aan het adres [adres] en de daarop van toepassing zijnde Algemene Voorwaarden Sociale Woonruimte d.d. 1 augustus 2022 (hierna: de algemene voorwaarden) in het geding gebracht.
4. Eisende partij stelt in de dagvaarding dat voor zover eisende partij een oneerlijk beding in haar huurovereenkomst en/of algemene voorwaarden heeft staan zij zich refereert aan het oordeel van de kantonrechter.
5. Het huurprijsbeding en het servicekostenbeding in de huurovereenkomst zijn kernbedingen. Deze bedingen zijn transparant en op grond van artikel 4 lid 2 van Pro de Richtlijn uitgesloten van verdere toetsing op oneerlijkheid.
6. De bedingen die voor de beoordeling van de vordering relevant zijn, te weten de artikelen 4 (huurprijswijziging) en 5.1 (wijziging voorschot servicekosten) van de algemene voorwaarden zijn door de kantonrechter getoetst en worden niet oneerlijk bevonden.
7. Ook de artikelen 17.2 en 17.3 van de Algemene voorwaarden zijn getoetst. Voor zover deze artikelen betrekking hebben op de buitengerechtelijke kosten, acht de kantonrechter deze bedingen, in het licht van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 9 december 2025 (ECLI:NL:GHMAS:2025:3360), niet oneerlijk.
8. Artikel 17.2 van de Algemene voorwaarden heeft ook betrekking op de proceskosten. In dat verband overweegt de kantonrechter het volgende.
9. Het beding luidt als volgt:

Artikel 17: Verzuim Pro

(…)
17.2
tekortschieten
Als verhuurder of huurder toerekenbaar tekortschiet in het nakomen van enige verplichting die wettelijk of door de huurovereenkomst op hem rust en de andere partij moet daardoor gerechtelijke en/of buitengerechtelijke maatregelen nemen, dan zijn alle de daaruit voortvloeiende kosten voor rekening van de tekortschietende partij.
10. Artikel 17.2 is oneerlijk voor zover het betrekking heeft op de proceskosten, omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
10. De vordering komt voorts niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens hieronder met betrekking tot de rente over de buitengerechtelijke incassokosten is overwogen.
12. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen nu ter zake onvoldoende is gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt gedaagde partij om te betalen aan eisende partij:
a) € 1.533,75 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met 28 februari 2026, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot de voldoening;
b) € 138,25 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten (inclusief btw);
veroordeelt de gedaagde in de kosten van het geding, aan de zijde van eiseres tot aan deze uitspraak begroot op: € 153,02 aan explootkosten, € 217,00 aan salaris gemachtigde, € 397,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.