Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3297

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 april 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
13-015878-26
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 141 SrArt. 287 SrArt. 289 SrArt. 604 HSO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Verenigd Koninkrijk ondanks detentieomstandigheden en levenslange gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde op 2 april 2026 de vordering tot overlevering van een opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door Tameside Magistrates’ Court. De opgeëiste persoon, met Portugese nationaliteit en zonder vaste verblijfplaats in Nederland, werd bijgestaan door een advocaat en tolk.

De rechtbank onderzocht de identiteit en de juridische gronden voor overlevering, waaronder de strafbare feiten die dubbele strafbaarheid vereisen. De feiten betroffen openlijk in vereniging plegen van geweld met zwaar lichamelijk letsel, medeplegen van moord en doodslag. De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarden voor overlevering was voldaan.

Er werd aandacht besteed aan de detentieomstandigheden in de Britse gevangenissen HMP Wormwood Scrubs en HMP Forest Bank. Uit informatie van de Britse autoriteiten bleek dat de opgeëiste persoon waarschijnlijk eerst in Wormwood Scrubs en daarna in Forest Bank zal worden gedetineerd. De rechtbank vond geen aanwijzingen voor een reëel gevaar op onmenselijke of vernederende behandeling, zodat dit geen beletsel vormde voor overlevering.

Ten aanzien van de levenslange gevangenisstraf oordeelde de rechtbank dat het Verenigd Koninkrijk de mogelijkheid biedt tot vervroegde invrijheidsstelling na twintig jaar, waardoor geen aanvullende garanties vereist zijn. Gezien het ontbreken van weigeringsgronden werd de overlevering toegestaan.

De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk toe omdat geen weigeringsgronden bestaan.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-015878-26
Datum uitspraak: 2 april 2026
UITSPRAAK
op de vordering op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro Handels- en Samenwerkingsovereenkomst EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) in verbinding met artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 16 februari 2026 en betreft het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van Pro de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 21 november 2024 door de
Tameside Magistrates’ Court(Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
op [geboortedag] in Angola,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [detentieadres] ,
hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1.Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 19 maart 2026. Het onderzoek heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. W.L.M. van Poll. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.E.D. de Koning, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Portugese taal.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro in verbinding met artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen. [1]

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Portugese nationaliteit heeft.

3.Standpunt raadsvrouw

De raadsvrouw ziet geen weigeringsgronden die aan de overlevering in de weg staan en refereert zich daarom aan het oordeel van de rechtbank.

4.Grondslag en inhoud van het AB

In het AB wordt melding gemaakt van een
warrant of arrest issued by a District Judgevan de
Tameside Magistrates' Courtvan 21 november 2024.
De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van het Verenigd Koninkrijk strafbare feiten.
Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.

5.Strafbaarheid: feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. [2] Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven.
Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.
De feiten leveren naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl dat geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft;
medeplegen van moord;
medeplegen van doodslag.

6.Detentieomstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO)

Inleiding
De rechtbank heeft in eerdere uitspraken geoordeeld dat voor gedetineerden in de penitentiaire inrichtingen HMP Bedford, HMP Winchester en HMP Wandsworth een reëel gevaar bestaat van een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). In dat kader heeft het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) nagevraagd waar de opgeëiste persoon hoogstwaarschijnlijk gedetineerd zal worden na zijn overlevering.
De
Interim Director General of Operationsvan de
HM Prison & Probation Serviceheeft bij brief van 12 maart 2026 het volgende meegedeeld:
“ You have asked where [de opgeëiste persoon] will most likely be placed after his surrender to the UK. We understand he is likely to travel to London Heathrow Airport; assuming this happens, it is most likely that he will be held at HMP Wormwood Scrubs in the first instance. It is usual practice to make efforts to accommodate prisoners close to
the location of their trial. [de opgeëiste persoon] trial is scheduled to take place at Manchester Crown court, and it is therefore most likely that he would be held at HMP Forest Bank during this time. (…).”
Standpunt van de verdediging en van de officier van justitie
De raadsvrouw en de officier van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden in deze zaak geen reden vormen om de overlevering te weigeren.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk sluit de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 29 juli 2024 (
Alchaster). [3] Uit dit arrest volgt dat de tweestappentoets, die geldt voor de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet geldt voor overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. [4] De uitvoerende rechterlijke autoriteit hoeft daarom niet na te gaan waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd op basis van de eerder vastgestelde algemene gevaren.
Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk behoort de rechtbank bij haar beoordeling alle relevante gegevens te beoordelen om in te schatten in welke situatie de gezochte persoon zich zal bevinden als hij wordt overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, wat inhoudt dat rekening gehouden moet worden met de regels en praktijken die in dat land algemeen gangbaar zijn, en daarnaast ook – als de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijds erkenning niet worden toegepast – met de specifieke kenmerken van de situatie van die persoon. [5]
De rechtbank dient om die reden steeds te vernemen waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om het bovenstaande te kunnen beoordelen.
In de onderhavige zaak is deze informatie (evenals in voorgaande gevallen) opgevraagd. Uit de aanvullende informatie van 12 maart 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering eerst zal worden geplaatst in
HMP Wormwood Scrubs,waarna hij overgeplaatst zal worden naar
HMP Forest Bank.
De rechtbank beschikt (ambtshalve) niet over gegevens die duiden op slechte detentieomstandigheden in deze instellingen, noch omstandigheden of gegevens met betrekking tot de situatie van de opgeëiste persoon waar de rechtbank rekening mee zou moeten houden. Gelet op de situatie van de opgeëiste persoon in geval van overlevering bestaat er voor hem dan ook geen reëel gevaar voor een onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van Pro het Handvest. De rechtbank oordeelt dat de detentieomstandigheden daarom niet in de weg staan aan de overlevering van de opgeëiste persoon.

7.Levenslange gevangenisstraf (Artikel 604, aanhef en onder a, HSO)

In onderdeel H van het AB staat het volgende.
“The offence(s) on the basis of which this warrant has been issued is (are) punishable
by/has(have) led to a custodial life sentence or lifetime detention order:
the issuing State will upon request by the executing State give an assurance that it will:
[x] review the penalty or measure imposed - on request or at least after 20 years,
and/or
[x] encourage the application of measures of clemency to which the person is entitled to apply for under the law or practice of the issuing State, aiming at a non-execution of such penalty or measure.”
De rechtbank leidt uit bovenstaande informatie af dat in het Verenigd Koninkrijk de mogelijkheid bestaat tot vervroegde invrijheidsstelling bij veroordeling tot een levenslange gevangenisstraf – op verzoek of ten minste na twintig jaar. Om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding de overlevering afhankelijk te maken van een garantie als bedoeld in artikel 604 aanhef Pro en onder a, Overleveringsovereenkomst.

8.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO Pro en er ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 47, 141, 287 en 289 Wetboek van Strafrecht en de artikelen 604 en 606 HSO.

10.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de
Tameside Magistrates’ Court(Verenigd Koninkrijk).
Aldus gedaan door
mr. A.R.P.J. Davids, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en L. Sanders, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 2 april 2026.
Ingevolge artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet juncto artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet in verbinding met artikel 27, tweede lid, OLW.
2.Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353
3.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster).
4.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.