De verdachte wordt beschuldigd van doxing en smaadschrift door het verspreiden van persoonsgegevens en het aanranding van de goede naam van een advocaat via sociale media in de periode van december 2024 tot februari 2025.
De verdediging verzocht om het horen van twee getuigen die verklaringen zouden kunnen afleggen over de intentie en context van de verdachte bij het plaatsen van de berichten. De rechter-commissaris wees dit verzoek af omdat niet duidelijk was hoe deze verklaringen relevant zouden zijn voor de beoordeling van het oogmerk van de verdachte.
De rechtbank oordeelt dat het bezwaar tegen het afwijzen van het horen van de eerste getuige gegrond is, omdat diens verklaring kan bijdragen aan het vaststellen van de subjectieve bedoeling van de verdachte. Het bezwaar tegen het horen van de tweede getuige wordt ongegrond verklaard, omdat de feiten omtrent het versturen van een sommatiebrief als vaststaand worden aangenomen en de verklaring van deze getuige geen aanvullende relevante informatie kan bieden.
De rechtbank beveelt dat de rechter-commissaris het horen van de eerste getuige moet verrichten en stelt een termijn voor het aanleveren van diens adresgegevens vast.