Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3278

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
702519 710414 710434
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenbeschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing mededelingsverbod en opening hoger beroep voor geheimhoudingsbeslissingen

In deze civiele procedure tussen meerdere stichtingen en Renault c.s. heeft de rechtbank Amsterdam op 18 maart 2026 een tussentijdse beslissing genomen over het mededelingsverbod dat was opgelegd in een tussenvonnis van 17 september 2025. De stichtingen verzochten om opheffing van het mededelingsverbod, omdat dit leidde tot een onwerkbare situatie voor hun deskundigen en omdat de vertrouwelijkheid van de gegevens volgens hen niet langer gerechtvaardigd was na een uitspraak van de High Court of Justice of England and Wales.

Renault c.s. verzette zich tegen opheffing van het mededelingsverbod en benadrukte het belang van vertrouwelijkheid en de bindende aard van de eerdere beslissing. De rechtbank oordeelde dat zij niet terugkomt op haar eerdere eindbeslissingen, omdat deze niet berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De recente ontwikkelingen in het Verenigd Koninkrijk en andere procedures waren niet relevant voor deze zaak.

Wel erkende de rechtbank de onwerkbaarheid van het mededelingsverbod en stond zij daarom toe dat partijen tussentijds hoger beroep kunnen instellen tegen de geheimhoudingsbeslissingen uit het tussenvonnis. Tevens werd de verdere procedureplanning vastgesteld, waarbij de zaak op 15 april 2026 weer op de rol komt voor akte-uitwisseling en op 1 juli 2026 voor conclusie van antwoord van Renault c.s. Het verzoek tot verder uitstel van Renault c.s. werd afgewezen wegens het risico op onredelijke vertraging.

Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het mededelingsverbod wordt afgewezen, maar tussentijds hoger beroep wordt toegestaan tegen de geheimhoudingsbeslissingen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Afdeling privaatrecht
Rolbeslissing van 18 maart 2026
in de volgende gevoegde zaken
in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/13/702519 / HA ZA 21-500 van
de stichting
STICHTING EMISSION CLAIM,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. C. Jeloschek,
e i s e r e s,
tegen
1. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
2. de naamloze vennootschap
RENAULT NEDERLAND N.V.,
gevestigd te Schiphol-Rijk,
advocaat mr. Y. Borrius,
g e d a a g d e n,
[tegen gedaagde 3 is ontslag van instantie verleend]
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710414 / HA ZA 21-1028 van
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s,
tegen de hiervoor onder 1 en 2 genoemde gedaagden en tegen
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
RENAULT S.A.S.,
gevestigd te Boulogne-Billancourt (Frankrijk),
advocaat mr. Y. Borrius,
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
AUTOMOBILE DACIA S.A.,
gevestigd te Boekarest/Mioveni (Roemenië),
advocaat mr. Y. Borrius,
6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
RENAULT-NISSAN B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
verstek verleend,
g e d a a g d e n,
en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/710434 HA ZA 21-1030 van
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s,
en in de op de rol daarbij gevoegde zaken:
de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/751970 HA ZA 24-615
de stichting
STICHTING CAR CLAIM,
gevestigd te Rotterdam,
advocaat mr. P. Haas,
e i s e r e s,
tegen
de gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 zoals genoemd in het vonnis van 10 april 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:2019),
g e d a a g d e n
advocaat mr. R.J. van der Weijden,
en de zaak met zaaknummer / rolnummer C/13/751971 HA ZA 24-616
de stichting
STICHTING DIESEL EMISSIONS JUSTICE,
gevestigd te Amsterdam,
advocaat mr. J.D. Edixhoven,
e i s e r e s
tegen
de gedaagden 7 t/m 43 en 48 t/m 82 zoals genoemd in het vonnis van 10 april 2024 (ECLI:NL:RBAMS:2024:2019),
g e d a a g d e n
advocaat mr. R.J. van der Weijden
Eiseressen zullen hierna afzonderlijk SEC, SCC en SDEJ worden genoemd. Gezamenlijk zullen zij ook de Stichtingen worden genoemd. Renault S.A., Renault Nederland N.V., Renault S.A.S. en Automobile Dacia S.A. zullen hierna gezamenlijk Renault c.s. worden genoemd.
De gedaagden in de zaken C/13/751970 HA ZA 24-615 en C/13/751971 HA ZA 24-616 worden aangeduid als de Autodealers.
De zaken tegen Renault c.s. worden de Renault-zaken genoemd, de zaken tegen de Autodealers worden de Autodealer-zaken genoemd.

1.De beoordeling

1.1.
In het tussenvonnis van 17 september 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat Renault c.s. niet mag weigeren om aan het definitieve informatiebevel te voldoen, met verwijzing naar de rol van 1 oktober 2025 om alsnog volledig aan het informatiebevel te voldoen. Daarnaast heeft de rechtbank de Stichtingen verboden om aan derden, zoals bedoeld in overweging 2.19 van het genoemde tussenvonnis, of aan de Autodealers mededelingen te doen omtrent gegevens die Renault c.s. in deze procedure in het geding heeft gebracht of zal brengen ter voldoening aan het informatiebevel (“het mededelingenverbod”). Ook heeft de rechtbank bepaald dat de Stichtingen de in het tussenvonnis genoemde geheimhoudingsbepaling overeen moeten komen met de door hen in te schakelen deskundigen.
1.2.
Bij brief van 26 november 2025 hebben de Stichtingen de rechtbank verzocht het mededelingenverbod op te heffen, dan wel producties R61 en R62 buiten beschouwing te laten. Het probleem is dat het mededelingenverbod tot een onwerkbare situatie leidt: de deskundige die de Stichtingen in deze procedure bijstaat is niet bereid om zichzelf en zijn medewerkers te verbinden aan het mededelingenverbod en de daaraan gekoppelde dwangsom vanwege de reële dreiging van claims van Renault c.s. Daarnaast kwalificeren de gegevens niet langer als vertrouwelijk, omdat de High Court of Justice of England and Wales op 25 juli 2025 heeft geconcludeerd dat dezelfde informatie openbaar moet worden gemaakt.
1.3.
De rechtbank heeft Renault c.s. in de gelegenheid gesteld om haar standpunt over de gevraagde opheffing van het mededelingenverbod uiterlijk op 12 december 2025 kenbaar te maken.
1.4.
Op 12 december 2025 heeft Renault c.s. per brief kenbaar gemaakt dat zij bereid is tot praktisch overleg en dat zij zich verzet tegen het verzoek om het mededelingsverbod op te heffen. Samengevat verzet zij zich tegen opheffing van het mededelingenverbod, omdat er al uitgebreid debat gevoerd is over dit mededelingenverbod, waardoor het opheffen ervan neerkomt op hoger beroep of terugkomen op een bindende eindbeslissing. Renault c.s. herhaalt daarnaast haar zwaarwegende belangen bij de vertrouwelijkheid en betwist dat het mededelingenverbod in de weg staat aan toegang tot de noodzakelijke deskundigenbijstand. Bovendien meent Renault c.s. dat de door de Stichtingen aangehaalde uitspraak van de High Court of Justice of England and Wales van 25 juli 2025 genuanceerder is dan de Stichtingen doen voorkomen. De door Renault c.s. in het geding gebrachte gegevens vallen onder “zeer vertrouwelijk” en deze liggen niet al in het publieke domein, aldus Renault c.s.
1.5.
Op 21 januari 2026 informeert Renault c.s. de rechtbank dat partijen geen oplossing hebben bereikt. De Stichtingen bevestigen dit op 22 januari 2026 en wijzen de rechtbank daarnaast op het vonnis van 21 januari 2026 in de collectieve procedure van de Stichtingen tegen Stellantis-PSA, omdat het verzoek om vertrouwelijkheid daar is afgewezen. Renault c.s. heeft daarop op 26 januari 2026 gereageerd en geschreven dat de rechtbank geen acht moet slaan op het door de Stichtingen aangehaalde vonnis, omdat dat een andere zaak is.
1.6.
Terwijl de discussie over het mededelingsverbod werd gevoerd, hebben de Stichtingen op 18 februari 2026 hun aangepaste dagvaarding ingediend. Daarnaar gevraagd door de rechtbank, hebben zij op 13 maart 2026 per e-mail laten weten dat zij nog steeds een beslissing wensen op hun verzoek tot opheffing van het mededelingenverbod, omdat zij de door Renault c.s. overgelegde informatie dan kunnen laten beoordelen door hun deskundige.
1.7.
De rechtbank oordeelt dat zij niet terugkomt van haar eerder genomen eindbeslissingen over het mededelingenverbod. De rechtbank is in beginsel gebonden aan eindbeslissingen die zij heeft uitgesproken in een tussenuitspraak, maar de rechtbank mag daarvan terugkomen – nadat partijen in gelegenheid zijn gesteld om zich daarover uit te laten – als blijkt dat de eindbeslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. De rechtbank ziet in de omstandigheden die de Stichtingen hebben aangevoerd geen aanleiding om te oordelen dat haar eerdere beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Daarom ziet de rechtbank geen reden om terug te komen van haar eindbeslissingen over het mededelingenverbod. De door de Stichtingen geschetste recente ontwikkelingen in de zaak in het Verenigd Koninkrijk en in de zaak tegen Stellantis spelen niet in deze procedure, waardoor deze ontwikkelingen niet relevant zijn voor deze beslissing.
1.8.
De rechtbank ziet in de door de Stichtingen gestelde onwerkbaarheid van het mededelingenverbod en de door hen genoemde gevolgen die dit voor de onderbouwing van hun vorderingen heeft, wel aanleiding om – in afwijking van de hoofdregel dat slechts tegelijk met het eindvonnis in hoger beroep kan worden gekomen – partijen toe te staan tussentijds hoger beroep in te stellen tegen de beslissingen in het tussenvonnis van 17 september 2025, maar uitsluitend voor zover daarin is beslist over de geheimhouding (4.3 en 4.4 van het vonnis). Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de vraag of zij hoger beroep wensen in te stellen tegen de beslissingen inzake geheimhouding in het vonnis van 17 september 2025, en of zij - indien door een van partijen hoger beroep wordt ingesteld - menen of en zo ja op welke wijze bij de rechtbank kan worden voortgeprocedeerd. De rechtbank zal, afhankelijk van de inhoud van deze aktes, bepalen hoe de procedure wordt voorgezet.
1.9.
Nadat de Stichtingen hun aangepaste dagvaarding op 18 februari 2026 hadden ingediend, is de zaak vervolgens op de rol van 20 mei 2026 gezet voor het nemen van een conclusie van antwoord door Renault c.s. Gezien de omvang en de inhoud van de aangepaste dagvaarding heeft Renault c.s. bij brief van 9 maart 2026 verzocht om verlenging van de termijn tot 14 oktober 2026. De Stichtingen hebben hierop gereageerd op 16 maart 2026, waarna Renault c.s. op 17 maart 2026 nog een brief heeft gestuurd.
1.10.
De Stichtingen en Renault c.s. hebben eerder afgesproken de door de rechtbank bepaalde termijn van 3 maanden na aanpassing van de dagvaarding te verlengen met 6 weken. In zoverre is dus sprake van een eenstemmig verzoek, tot 1 juli 2026. De door Renault c.s. genoemde gronden voor verder uitstel dan het al verleende uitstel tot 1 juli 2026 zijn geen klemmende redenen. Het gevraagde uitstel zou tot onredelijk vertraging leiden en wordt daarom afgewezen.
1.11.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

2.De beslissing

De rechtbank
2.1.
wijst het verzoek van de Stichtingen tot opheffing van het mededelingsverbod af,
2.2.
stelt hoger beroep open tegen de beslissingen 4.3 en 4.4 van het tussenvonnis van 17 september 2025,
2.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 15 april 2025 voor akte aan de zijde van beide partijen, zoals bedoeld in overweging 1.8,
2.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 juli 2026 voor conclusie van antwoord aan de zijde van Renault c.s.,
2.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, mr. M.R. Jöbsis en mr. R.P.F. de Groot, rechters, bijgestaan door mr. F.A. Nusman, griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.