De gemeente Amsterdam had een huurovereenkomst met VDH voor onbebouwde grond, die zij op 30 november 2023 opzegde vanwege woningontwikkeling op het terrein. VDH gebruikte het gehuurde voort en stelde dat er sprake was van een voortgezette mondelinge huurovereenkomst. De gemeente vorderde ontruiming.
De kantonrechter oordeelde dat de huurovereenkomst was geëindigd per 1 januari 2024, omdat de voortzetting van het gebruik niet met goedvinden van de verhuurder was en de gemeente duidelijk ontruiming nastreefde. De facturering door de gemeente betekende slechts een schadevergoeding voor onrechtmatig gebruik.
VDH stelde tegenvorderingen in voor een verklaring van voortzetting van de huurovereenkomst, schadevergoeding of een vervangende locatie, maar deze werden afgewezen. De kantonrechter vond de opzegging niet onaanvaardbaar gezien de duidelijke afspraken en concrete bouwplannen.
VDH werd veroordeeld tot ontruiming uiterlijk 1 mei 2026 en tot betaling van proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.