Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3267

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
2 april 2026
Zaaknummer
11505022 \ CV EXPL 25-2008
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oneerlijk huurprijswijzigingsbeding leidt tot beperking huurprijs en afwijzing ontbinding huurovereenkomst

In deze zaak stond de geldigheid van een huurprijswijzigingsbeding centraal in een huurovereenkomst uit 2010. De rechtbank oordeelde in een tussenvonnis dat het beding oneerlijk is en vernietigde dit. Hierdoor moet worden uitgegaan van de oorspronkelijke huurprijs van €995 per maand, aangezien geen indexeringsbeding is overeengekomen.

Verhuurder had een overzicht overgelegd waaruit bleek dat huurders in de periode september 2023 tot en met juli 2025 in totaal €8.868,40 aan onrechtmatige huurverhogingen in rekening waren gebracht. De rechtbank stelde vast dat de gevorderde huurachterstand van €26.476,07 verminderd moet worden met dit bedrag, zodat €17.607,67 toewijsbaar is.

De rechtbank wees de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming af, omdat het totaalbedrag van onrechtmatige huurverhogingen (€30.356,56) de openstaande huurachterstand ruim overtreft. Daarnaast werden de gevorderde buitengerechtelijke kosten reeds afgewezen. De proceskosten werden toegewezen conform het liquidatietarief, ondanks onzekerheid over de toepassing van artikel 237 Rv Pro.

De bewindvoerder werd veroordeeld tot betaling van de aangepaste huurachterstand met wettelijke rente en de proceskosten. De veroordelingen zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard, terwijl het meer of anders gevorderde werd afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het oneerlijke huurprijswijzigingsbeding, beperkt de huurprijs tot de oorspronkelijke €995, wijst ontbinding af en veroordeelt bewindvoerder tot betaling van €17.607,67 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
fno: 33623
Zaaknummer: 11505022 \ CV EXPL 25-2008
Vonnis van 5 maart 2026
in de zaak van
de stichting STICHTING STADGENOOT,
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: verhuurder,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen

1.tot 26 april 2025: [huurder 1] , hierna: [huurder 1] ,

en vanaf 26 april 2025: BRACT FINANCIAL SERVICE B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [huurder 1] , wonende te [woonplaats 1]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verschenen bij [naam] ,
2. tot 26 april 2025: [huurder 2],
hierna: [huurder 2] ,
en vanaf 26 april 2025: BRACT FINANCIAL SERVICES B.V. in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [huurder 2] , wonende te [woonplaats 2]
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verschenen bij [naam] ,
hierna samen te noemen: huurders / de bewindvoerder.

1.De procedure

Op 30 oktober 2025 is een tussenvonnis gewezen. Ter uitvoering van het tussenvonnis heeft verhuurder op de rolzitting van 11 december 2025 een akte met producties genomen. De bewindvoerder heeft hierop gereageerd in de persoon van [naam] .
Daarna is opnieuw een datum voor vonnis bepaald.

2.De beoordeling

Ambtshalve toetsing oneerlijke bedingen
2.1.
In het tussenvonnis van 30 oktober 2025 is geoordeeld dat het huurprijswijzigingsbeding (artikel 8 aanhef Pro en sub 1 van de huurovereenkomst) oneerlijk is en wordt vernietigd. Daarvoor is rechtsoverweging 12 – 25 een motivering gegeven. Hetgeen verhuurder bij akte na tussenvonnis nog heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding op dit oordeel terug te komen.
2.2.
Gevolg van de oneerlijkheid van het huurprijsverhogingsbeding is, zoals in het tussenvonnis al overwogen, dat dient te worden uitgegaan van de huurprijs die partijen bij aanvang van de huurovereenkomst zijn overeengekomen (€ 995,-). Per abuis wordt in rechtsoverweging 23. van het tussenvonnis verwezen naar indexatiepercentages. Dat is niet juist, omdat in dit geval geen indexeringsbeding is opgenomen in de huurovereenkomst of de daarbij behorende algemene voorwaarden. Uit de akte van verhuurder (randnummer 16) blijkt dat zij haar opdracht als verwoord in rechtsoverweging 25 van het tussenvonnis op juiste wijze heeft opgevat.
2.3.
Verhuurder heeft bij akte een overzicht overgelegd (productie 32), ingedeeld naar periodes en daarbij voor elke periode aangegeven hoe veel hoger de huurprijs was ten aanzien van de aanvangshuurprijs en hoeveel huurmaanden er in die periode zaten. Hieruit volgt dat in de periode waarover verhuurder huurachterstand vordert (september 2023 tot en met juli 2025, blijkens de meest recente specificatie) de bedragen van:
  • 10 keer € 341,52 = € 3.415,20
  • 12 keer € 415,03 = € 4.980,36
  • 1 keer € 472,84
in totaal: € 8.868,40 aan oneerlijke huurverhoging aan huurders in rekening is gebracht.
2.4.
Dit betekent dat de gevorderde huurachterstand tot en met juli 2025 toewijsbaar is, minus € 8.868,40. Een bedrag van € 26.476,07 - € 8.868,40 = € 17.607,67 is dus toewijsbaar. Tot ambtshalve verrekening met het eventueel in het verleden door huurders teveel betaalde zal niet worden overgegaan (ECLI:NL:HR:2024:1780, overweging 3.4.3.), omdat huurders, dan wel de bewindvoerder, daar zelf om moeten vragen.
2.5.
Bij de beoordeling of de huurachterstand een ontbinding rechtvaardigt kan wél relevant zijn dat huurders in het verleden op grond van het oneerlijke huurprijsverhogingsbeding te veel huur heeft betaald. Uit het bij akte door eiseres overgelegde overzicht blijkt dat er vanaf de aanvang van de huurovereenkomst tot en met juli 2025 in totaal een bedrag van € 30.356,56 aan oneerlijke huurverhoging aan huurders in rekening is gebracht. Nu dit bedrag de openstaande huurachterstand ruim overstijgt, zullen de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van de woning worden afgewezen.
2.6.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn bij tussenvonnis reeds afgewezen.
2.7.
Over de proceskosten wordt nog het volgende overwogen. Artikel 16.1 van de algemene voorwaarden is oneerlijk omdat het de mogelijkheid biedt om meer proceskosten in rekening te brengen dan bij wet voorzien. De kantonrechter is op grond van de wet gehouden om de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten te veroordelen en deze proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief. De Hoge Raad heeft op 4 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1081) de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) gesteld, kort gezegd, of een consument met toepassing van artikel 237 Rv Pro kan worden veroordeeld in de proceskosten na vernietiging van het oneerlijke proceskostenbeding. Zolang hierover geen duidelijkheid bestaat, acht de kantonrechter het geheel achterwege laten van een proceskostenveroordeling in het geval van een huurovereenkomst niet aangewezen. De proceskosten zullen dan ook volgens het gebruikelijke liquidatietarief worden toegewezen.
BESLISSING
De kantonrechter:
I. veroordeelt de bewindvoerder om te betalen aan verhuurder € 17.607,67 ter zake van achterstallige huur, berekend tot en met juli 2025, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de vervaldata van de respectievelijke huurtermijnen tot de voldoening;
II. veroordeelt de bewindvoerder in de kosten van het geding, aan de zijde van de verhuurder tot aan deze uitspraak begroot op: € 146,43 aan explootkosten, € 864,00 aan salaris gemachtigde (2 punten), € 1.461,00 aan griffierecht en € 72,00 aan nakosten voor zover van toepassing, inclusief BTW, te vermeerderen met de kosten van betekening, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis;
III. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
IV. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H.J. Evers en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.