ECLI:NL:RBAMS:2026:3216

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13-316559-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 22 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering naar Oostenrijk voor lidmaatschap criminele organisatie en plofkraak

De rechtbank Amsterdam behandelde op 31 maart 2026 het verzoek tot overlevering van een persoon aan Oostenrijk op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd wegens vermoedelijke betrokkenheid bij een plofkraak in Salzburg op 9 mei 2025. De opgeëiste persoon wordt verdacht van lidmaatschap van een criminele organisatie en medeplegen van diefstal waarbij een groot geldbedrag is buitgemaakt en eigendommen zijn beschadigd.

De verdediging voerde aan dat het EAB onvoldoende concreet was over de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon, maar de rechtbank oordeelde dat het EAB voldoende duidelijkheid biedt over de verdenking en dat het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd. De strafbare feiten vallen onder de lijst van bijlage 1 van de Overleveringswet, waardoor dubbele strafbaarheid niet hoeft te worden getoetst.

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie dat hij, indien veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf in Oostenrijk, deze straf in Nederland mag uitzitten. De rechtbank acht deze garantie voldoende en ziet geen beletselen voor overlevering. De overlevering wordt daarom toegestaan onder de voorwaarde van deze terugkeergarantie.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de opgeëiste persoon naar Oostenrijk toe onder de voorwaarde van een terugkeergarantie voor strafuitvoering in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-316559-25
Datum uitspraak: 31 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 23 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 12 oktober 2025 door de
Staatsanwaltschaft Wien,
uitvaardiging toegestaan op 13 oktober 2025 door het
Landesgericht für Strafsachenin Wenen
,Oostenrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in [verblijfsplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 maart 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J.M. Oerlemans, advocaat in Den Bosch.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een Gerechtelijk bevel tot aanhouding ("
gerichtlich bewilligte Anordnung") van [opgeëiste persoon] , van 12 oktober 2025 van het Openbaar Ministerie Wenen, met kenmerk: 709 St 23/25y.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Oostenrijks recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Genoegzaamheid

4.1
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft betoogd dat het EAB niet genoegzaam is, omdat onvoldoende concreet is omschreven wat de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon is bij de omschreven feiten. Was de opgeëiste persoon betrokken bij de daadwerkelijke uitvoering, bij de voorbereiding of op een andere manier? Omdat dit niet duidelijk is, moet de overlevering worden geweigerd.
4.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar een eerdere uitspraak van de rechtbank [4] – op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is.
4.3
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is – mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek – met de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De verdenking ziet – kort gezegd – op lidmaatschap van een criminele organisatie die op 9 mei 2025 in Salzburg een zogenoemde “plofkraak” heeft gepleegd waarbij € 104.270,-- is buitgemaakt en andermans eigendommen zijn vernield/beschadigd. Daarnaast wordt de opgeëiste persoon in het kader van deze feiten in het A-formulier omschreven als
accomplice. De rechtbank is van oordeel dat het EAB genoegzaam is en dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer.

5.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan criminele organisatie
en
georganiseerde of gewapende diefstal.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Oostenrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [5]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
Het
Landesgericht für Strafsachen Wienheeft op 9 februari 2026 de volgende garantie gegeven:
“In case the wanted person,[opgeëiste persoon] , [geboortedatum] 1997, Dutch national, after the surrender is sentenced to an unconditional and irrevocable prison sentence in Austria, he will be allowed to carry out this punishment in the Netherlands (pursuant to the European Framework Decision 2008/909/JBZ, § 29 Abs. 3 EU-JZG).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[opgeëiste persoon]aan het
Landesgericht für Strafsachen Wenen,Oostenrijk voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. de Rooij en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.T.P. van Munster, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 31 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Rb. A’dam 3 september 2020, ECLI:NL:RBAMS:2020:4355.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (