ECLI:NL:RBAMS:2026:321

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 januari 2026
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
10725938 \ CV EXPL 23-13034
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 93/13 EGArt. 4 lid 2 Richtlijn 93/13 EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Consumentenrechtelijke toetsing oneerlijk incassokostenbeding in verzekeringspolis

Eiser, een rechtsbijstandverzekeraar, vordert betaling van onbetaalde verzekeringspremie over 2022, rente, incassokosten en proceskosten van gedaagde. Gedaagde is niet verschenen, waardoor verstek is verleend.

De kantonrechter toetst ambtshalve de algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen conform Richtlijn 93/13/EG. De premie wordt als transparant en duidelijk beoordeeld, waardoor verdere toetsing niet nodig is. Het incassokostenbeding in artikel 10 onder Pro a van de polisvoorwaarden 2020 wordt echter als oneerlijk aangemerkt, omdat het afwijkt van dwingend recht door een kortere of geen termijn voor betaling na herinnering te geven.

Gevolg is dat eiser zich niet op het incassokostenbeding kan beroepen en ook niet op de wettelijke regeling die zou gelden bij afwezigheid van het beding. De gevorderde incassokosten worden daarom afgewezen. De rente is wel toewijsbaar omdat deze aansluit bij de wettelijke rente. Proceskosten worden toegewezen aan eiser. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van premie en rente, incassokosten worden afgewezen wegens oneerlijk beding, en proceskosten worden toegewezen aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 10725938 \ CV EXPL 23-13034
Vonnis van 2 januari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
DAS NEDERLANDSE RECHTSBIJSTAND VERZEKERINGMAATSCHAPPIJ N.V.,
gevestigd te Amsterdam Zuidoost,
eisende partij,
gemachtigde: Van Es Gerechtsdeurwaarders & Inc.,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 oktober 2025,
- de akte van eisende partij.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Eisende partij is bij voornoemd tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over hoe de algemene voorwaarden in 2018 en 2020 op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn geraakt, hoe de algemene voorwaarden zijn verstrekt, de toepasselijke algemene voorwaarden in het geding te brengen en zich uit te laten over de (on)eerlijkheid van de bedingen die aan de vordering ten grondslag zijn of kunnen worden gelegd.
2.2.
Eisende partij heeft bij akte laten weten, kort gezegd, dat de verzekering is aangegaan op 1 december 2008. De polis inclusief de toepasselijke voorwaarden zijn indertijd per post aan gedaagde partij toegestuurd. Deze stukken zijn echter niet bewaard gebleven. Bij de jaarlijkse verlenging van de verzekering is bij wijzigingen van de algemene voorwaarden steeds een kopie daarvan aan gedaagde partij toegestuurd. Eisende partij brengt de algemene voorwaarden genoemd op het polisblad in het geding en stelt zich op het standpunt dat daarin geen oneerlijke bedingen staan. De vordering is niet gebaseerd op bedingen in de algemene voorwaarden. Mocht de kantonrechter van oordeel zijn dat één of meerdere voorwaarden vernietigd moeten worden, dan refereert eisende partij zich aan dat oordeel, aldus steeds eisende partij.
2.3.
De vordering ziet op onbetaald gelaten verzekeringspremie. De premie is gebaseerd op een transparant kernbeding over de prijs. De prijs staat op duidelijke en begrijpelijke wijze vermeld op het polisblad. Onder die omstandigheden is verdere toetsing aan de Richtlijn 93/13 EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn) ingevolge artikel 4 lid 2 van Pro de richtlijn niet aan de orde.
2.4.
Eisende partij heeft voldoende gesteld over de wijze waarop (wijzigingen van) de algemene voorwaarden destijds aan gedaagde partij zijn verstrekt. Ondanks dat niet kan worden vastgesteld of gedaagde partij voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst in 2008 daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen van alle bedingen, is dat voor de onderhavige vordering, waar uitsluitend onbetaald gelaten premie over 2022 wordt gevorderd, in mindere mate van belang.
2.5.
De kantonrechter ziet aanleiding om, gelet op het tijdsverloop sinds het sluiten van de overeenkomst, geen gevolgen te verbinden aan de omstandigheid dat niet kan worden nagegaan of in eerdere versies van de algemene voorwaarden dan die thans gelden oneerlijke bedingen stonden. Daarvoor is mede redengevend de omstandigheid dat de algemene voorwaarden zijn gewijzigd. De thans geldende voorwaarden zijn in het geding gebracht. Voor zover daarin oneerlijke bedingen staan, komt dat hierna aan de orde.
Voor zover oneerlijke bedingen in de vorige versie(s) hebben gestaan, maar daar inmiddels niet meer in staan, zijn deze kennelijk uit de overeenkomst gehaald en daarmee is één van de twee hoofddoelstellingen van de richtlijn bereikt.
2.6.
Eisende partij maakt naast betaling van premie aanspraak op rente, incassokosten en proceskosten. Zij heeft in de algemene voorwaarden alleen bedingen staan over rente en incassokosten. Die bedingen moeten worden getoetst op oneerlijkheid.
2.7.
De bedingen staan in artikel 10 onder Pro a van de algemene polisvoorwaarden 2020:
Betaalt u de premienota niet op tijd? Dan sturen wij u eerst een herinnering. Betaalt u daarna nog niet? Dan krijgt u geen juridische hulp bij nieuwe conflicten. De premienota moet u nog steeds betalen. Bovendien moet u dan ook incassokosten en wettelijke rente betalen. (…)
2.8.
Het artikel bestaat uit een bepaling met betrekking tot incassokosten en een bepaling met betrekking tot rente. Nu deze bepalingen geen zodanig verband met elkaar hebben dat zij niet van elkaar kunnen worden gescheiden zonder de inhoud van het gehele beding te herzien, worden ze afzonderlijk getoetst.
2.9.
Het beding over de rente is niet oneerlijk, omdat wordt verwezen naar en aangesloten bij de wettelijke rente.
2.10.
Het beding over de incassokosten wordt wel als oneerlijk aangemerkt, omdat het beding het mogelijk maakt om ten nadele van de consument af te wijken van de wettelijke regeling, die van dwingend recht is. Het is immers mogelijk om in de betalingsherinnering geen of een kortere termijn te geven dan 14 dagen ingaande de dag na ontvangst van de herinnering. Als wordt afgeweken van dwingend recht, dan levert dat oneerlijkheid op (zie ECLI:NL:HR:2023:198).
2.11.
Nu eisende partij zich bij voorbaat heeft gerefereerd aan het oordeel van de kantonrechter, wordt zij niet in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het buiten toepassing laten van het beding over de incassokosten. Gevolg van het oneerlijke beding is dat eisende partij zich daar niet meer op kan beroepen en haar evenmin een beroep toekomt op de wettelijke regeling die van toepassing zou zijn als het beding niet in de algemene voorwaarden zou staan. De gevorderde incassokosten worden daarom afgewezen.
2.12.
Eisende partij heeft in de algemene voorwaarden geen beding staan over proceskosten, zodat zij een rechtsgeldig beroep kan doen op de wettelijke regeling.
2.13.
Gedaagde partij is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eisende partij worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
130,48
- griffierecht
128,00
- salaris gemachtigde
82,00
(1 punt × € 82,00)
- nakosten
20,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
360,48

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen een bedrag van € 302,06, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 11 september 2023 tot de dag van de volledige betaling,
3.2.
veroordeelt gedaagde partij in de proceskosten van € 360,48, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde partij niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. E. Pennink en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026.
991