Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3207

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13-343411-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6a OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering overlevering en gelijktijdige strafovername Nederland op grond van artikel 6a OLW

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Arrondissementsrechtbank Aurich, Duitsland, gericht op de overlevering van een Nederlandse verdachte voor een vrijheidsstraf van drie jaar en zes maanden wegens illegale handel in verdovende middelen.

De rechtbank stelde vast dat de strafbare feiten ook onder Nederlands recht strafbaar zijn en dat de opgelegde straf niet het Nederlandse maximum overschrijdt. De verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit en voldoende banden met Nederland, waardoor toepassing van artikel 6a OLW mogelijk is.

De rechtbank weigerde de overlevering en besloot gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de straf in Nederland te bevelen, nadat het vereiste certificaat en vonnis waren ontvangen. Een verzoek tot schorsing van de gevangenhouding werd afgewezen wegens het ontbreken van uitzonderlijke omstandigheden.

De uitspraak is onherroepelijk en er staat geen gewoon rechtsmiddel tegen open.

Uitkomst: De rechtbank weigert de overlevering en beveelt gelijktijdige tenuitvoerlegging van de straf in Nederland.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-343411-25
Datum uitspraak: 12 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 22 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 4 juni 2021 door de Arrondissementsrechtbank Aurich, Duitsland, (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres 1]
met als feitelijk verblijfsadres:
[adres 2]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 12 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 12 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.M. Kolman, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon, advocaat in Utrecht.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.
De behandeling van de zaak is aangehouden voor bepaalde tijd tot de behandeling op de zitting van 10 maart 2026, om, in het kader van artikel 6a OLW, de verstrekking van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het veroordelende vonnis af te wachten.
Zitting 10 maart 2026
De behandeling is – met instemming van partijen – in gewijzigde samenstelling hervat op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. N.R. Bakkenes, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. L. de Leon.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel uitgevaardigd op 10 maart 2021door het Openbaar Ministerie Aurich met dossiernummer NZS 510 Js 31808/19 VRs en een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis van de Arrondissementsrechtbank Aurich van 4 november 2020, onherroepelijk sinds 12 november 2020, met referentie 19 KLs 510 Js 31808/19 (4/20).
Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van drie jaar en zes maanden en onderbrenging in een ontwenningskliniek, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog twee jaar en tien maanden en onderbrenging in een ontwenningskliniek. Uit de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt dat het EAB alleen ziet op de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en niet op de onderbrenging in een ontwenningskliniek.
De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [4]
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat de procedure in Duitsland heeft plaatsgevonden en dat die procedure tot een veroordeling heeft geleid, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, het zwaartepunt van de zaak in Duitsland ligt en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor de feiten te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat, in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden, het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd, onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van artikel 6a OLW kan de overlevering van een Nederlander worden geweigerd, indien de overlevering is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.
De opgeëiste persoon beroept zich op voornoemde weigeringsgrond en de raadsman en de officier van justitie hebben de rechtbank verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 6a OLW.
De rechtbank moet daarom beoordelen of de tenuitvoerlegging van de in Duitsland opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
De in artikel 6a, tweede lid, aanhef en onder a, OLW van overeenkomstige toepassing verklaarde weigeringsgronden staan niet in de weg aan overname van de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf.
De feiten zijn naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Uit de Nederlandse kwalificatie volgt dat de opgelegde vrijheidsstraf niet het toepasselijke Nederlandse wettelijke strafmaximum overstijgt.
De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden overgenomen.
Uit het dossier volgt verder dat de opgeëiste persoon voldoende economische, familiale, taalkundige, culturele en sociale banden met Nederland heeft. De opgeëiste persoon heeft derhalve het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [5] De overname van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf zal dan ook bijdragen aan zijn maatschappelijke re-integratie.
Op 4 september 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) arrest gewezen in de zaak C.J. [6] In dat arrest heeft het HvJ EU zich uitgesproken over de situatie dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit artikel 4, punt zes, van het Kaderbesluit 2002/584/ JBZ wenst toe te passen. Het betreft de situatie, zoals hier aan de orde, dat de rechtbank de overlevering wil weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in Nederland wil bevelen. Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 30 september 2025 [7] heeft overwogen volgt uit het arrest van het HvJ EU - kort samengevat - dat toestemming van de beslissingsstaat is vereist voordat de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf door een ontvangende lidstaat kan worden overgenomen. Die toestemming wordt uitgedrukt door toezending van het certificaat zoals opgenomen in bijlage 1 bij het Kaderbesluit 2008/909/JBZ en het vonnis waarbij de straf is opgelegd.
In deze zaak is op 25 februari 2026 het certificaat, opgesteld door het Openbaar Ministerie Aurich op 27 januari 2026, en het veroordelende vonnis van 4 november 2020 ontvangen. Dit betekent dat de uitvaardigende lidstaat als beslissingsstaat toestemming heeft gegeven voor het overnemen van de straf door Nederland.
De rechtbank zal daarom de overlevering weigeren en gelijktijdig de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf in Nederland bevelen. Daarbij zal de rechtbank op grond van artikel 27, vierde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon tot aan de tenuitvoerlegging van die vrijheidsstraf bevelen.

7.Schorsingsverzoek

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft verzocht om het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, na uitspraak te schorsen, zodat de opgeëiste persoon nog een aantal zaken thuis kan regelen en hij zich vervolgens, op een afgesproken datum, kan melden bij een gevangenis voor het uitzitten van de straf. De opgeëiste persoon hoopt dat op deze manier ook beter rekening kan worden gehouden met zijn medische situatie in detentie.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzet zich tegen het verzoek van de raadsman. Zij voert aan dat de opgeëiste persoon nog meer dan 2/3e deel van de opgelegde straf moet uitzitten, het om een 12-jaarsfeit gaat en een schorsing na uitspraak slechts in zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot schorsing van het bevel gevangenhouding op grond van artikel 27, vierde lid, OLW, af, nu een dergelijke schorsing slechts in uitzonderlijke gevallen aan de orde is en hier niet van dergelijke omstandigheden is gebleken.

8.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat de weigeringsgrond van artikel 6a OLW van toepassing is. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te zien van toepassing van die weigeringsgrond. Om die reden wordt de overlevering geweigerd.

9.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 2, 5, 6a, 7 en 13 OLW.

10.Beslissing

WEIGERTde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de Arrondissementsrechtbank Aurich, Duitsland.
BEVEELTde tenuitvoerlegging van de in overweging 3 bedoelde vrijheidsstraf in Nederland.
HEFT OPde overleveringsdetentie van
[de opgeëiste persoon] .
BEVEELTde gevangenhouding van
[de opgeëiste persoon]tot aan de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf. Dit bevel is apart opgemaakt.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 12 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 4 september 2025, C-305/22, ECLI:EU:C:2025:665 (