Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3202

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13-353745-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLWArt. 12 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks verweer over verdedigingsrechten en detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse justitiële autoriteiten voor de overlevering van een persoon die een gevangenisstraf van anderhalf jaar moet ondergaan in Polen.

De opgeëiste persoon voerde verweer tegen de overlevering op grond van artikel 12 van Pro de Overleveringswet (OLW), stellende dat hij geen gebruik heeft kunnen maken van zijn verdedigingsrechten tijdens het Poolse proces. De rechtbank oordeelde echter dat de opgeëiste persoon een adresinstructie had ontvangen en ondertekend, waarmee hij stilzwijgend afstand had gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen. Hierdoor werd het verweer verworpen.

Daarnaast werd het verweer dat de detentieomstandigheden in Polen onmenselijk zouden zijn (artikel 11 OLW Pro) afgewezen, omdat geen objectieve en actuele gegevens waren overgelegd die een algemeen gevaar voor onmenselijke behandeling aantonen.

De rechtbank concludeerde dat het EAB aan de wettelijke eisen voldoet, geen weigeringsgronden aanwezig zijn en dat de overlevering toegestaan moet worden. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan Polen toe ondanks verweren over verdedigingsrechten en detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-353745-25
Datum uitspraak: 24 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 2 januari 2026 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 10 juli 2020 door
the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1990 in [geboorteplaats] (Polen),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de P.I. [P.I.] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 26 februari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 26 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt, advocaat in Amsterdam is verschenen, maar heeft verklaard zich niet gemachtigd te voelen.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd geschorst tot de zitting van 10 maart 2026.
Zitting 10 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. B. Th. Nooitgedagt, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een vonnis van
the District Court of Warsaw Śródmieście (Warsaw) (Sąd Rejonowy dia Warszawy-Śródmieścia w Warszawie), X Penal Division,onherroepelijk sinds
11 april 2019 met kenmerk X K 419/18.
De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.
Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW Pro

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard. De opgeëiste persoon heeft namelijk geen gebruik kunnen maken van zijn verdedigingsrechten, zoals bedoeld in artikel 12 OLW Pro nu geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in artikel 12, onder a tot en met d, OLW. Onder verwijzing naar artikel 8 van Pro de Richtlijn 2016/343/JBZ is dit, aldus de raadsman, flagrant in strijd met de rechten van de mens en het EU-recht. Bovendien moet geen acht worden geslagen op de ondertekende adresinstructie die door de uitvaardigende justitiële autoriteit is verstrekt, nu sprake is van valsheid in geschrifte doordat de handtekening van opgeëiste persoon onder de vertaling is geplakt.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht om af te zien van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW Pro. Tijdens het verhoor heeft de opgeëiste persoon een adresinstructie ontvangen, zodat de opgeëiste persoon stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn verdedigingsrechten door naar Nederland te vertrekken en het verloop van de procedure niet in de gaten te houden. Hoewel op grond van het vertrouwensbeginsel reeds moet worden uitgegaan van de verstrekte informatie, zijn door de uitvaardigende justitiële autoriteit ook nog stukken verstrekt waaruit volgt dat de opgeëiste persoon de adresinstructie heeft ondertekend.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat het EAB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vonnis, terwijl de verdachte niet in persoon is verschenen bij het proces dat tot die beslissing heeft geleid en dat - kort gezegd - is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 12, sub a tot en met c, OLW genoemde omstandigheden heeft voorgedaan en evenmin een garantie als bedoeld in artikel 12, sub d, OLW is verstrekt.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 12 OLW Pro worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij acht daarbij het volgende van belang.
Op grond van het EAB en de aanvullende informatie van 12 februari 2026 stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon door de politie is verhoord en tijdens dat verhoor een adresinstructie heeft ontvangen. De opgeëiste persoon is daarbij gewezen op de verplichting om adreswijzigingen door te geven en de gevolgen van het nalaten daarvan. De opgeëiste persoon heeft voor ontvangst van de adresinstructie getekend en een adres opgegeven. Op grond van het vertrouwensbeginsel gaat de rechtbank uit van de juistheid van deze informatie. Bovendien heeft de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid te twijfelen, zodat het verweer van de raadsman op dit punt wordt verworpen. Gelet op het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de opgeëiste persoon er redelijkerwijs rekening mee moest houden dat een proces zou kunnen volgen en dat hij op de hoogte was van zijn verplichtingen in die procedure. De oproepingen voor de zitting zijn gezonden aan het adres dat de opgeëiste persoon heeft opgegeven. pGelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toestaan van de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon oplevert. Als de opgeëiste persoon al niet uit eigen beweging stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon te verschijnen bij het proces dat tot dit vonnis heeft geleid, dan is hij op zijn minst kennelijk onzorgvuldig geweest met betrekking tot zijn bereikbaarheid voor officiële correspondentie.
Voor zover het verweer van de raadsman inhoudt dat de Poolse regelgeving en praktijk met betrekking tot de adresinstructie in strijd zijn met Europees recht, komt dit verweer neer op de stelling dat die regelgeving en praktijk in strijd zijn met Richtlijn 2016/343/JBZ. Dit kan echter geen grond vormen voor weigering van de tenuitvoerlegging van het EAB, zoals het Hof van Justitie van de EU al heeft geoordeeld. [4] De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman.

5.Strafbaarheid

5.1
Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
oplichting.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Polen een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

6.Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank [5] , primair op het standpunt gesteld dat de overlevering op grond van artikel 11 OLW Pro moet worden geweigerd. De rechtbank dient namelijk ook voor executie-EAB’s ambtshalve onderzoek te doen naar de detentieomstandigheden in de penitentiaire instellingen in Polen waar de opgeëiste persoon na overlevering gedetineerd zal raken. Dat is in deze zaak niet gebeurd. Subsidiair moet de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard. Meer subsidiair moet aanvullende informatie worden gevraagd aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat artikel 11 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Een individuele detentiegarantie hoeft niet te worden opgevraagd, omdat geen algemeen reëel gevaar bestaat voor een onmenselijke of vernederende behandeling ten aanzien van de gevangenissen in Polen voor de executie van opgelegde straffen. De uitspraak waar door de raadsman naar is verwezen is inmiddels achterhaald. Door de raadsman zijn ook geen concrete objectieve gegevens overgelegd, waaruit blijkt dat wel sprake is van een algemeen gevaar.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft eerder, en na de door de raadsman aangehaalde uitspraak, geoordeeld dat geen sprake is van een algemeen gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling in de gevangenissen in Polen voor gedetineerden die een gevangenisstraf moeten ondergaan. [6] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de raadsman geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens overgelegd waaruit blijkt dat er, in tegenstelling tot wat de rechtbank eerder heeft geoordeeld, wel sprake is van een algemeen gevaar ten aanzien van veroordeelde gedetineerden in Polen. De rechtbank beschikt ook ambtshalve niet over dergelijke gegevens.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling in detentie bestaat. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de overlevering te weigeren of de behandeling van de zaak aan te houden om vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit.. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Warsaw Regional Court (Sąd Okręgowy w Warszawie), VIII Penal Division,Polen, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 24 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 OLW Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (
5.Rechtbank Amsterdam 6 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:697.
6.Rechtbank Amsterdam 14 februari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:909.