Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3201

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
13-313031-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 Wetboek van StrafrechtArt. 1 UitvoeringswetArt. 3 UitvoeringswetArt. 23 OverleveringswetArt. 22 Overleveringswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering opgeëiste persoon aan Verenigd Koninkrijk ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 17 maart 2026 de vordering tot overlevering van een Poolse opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk op grond van een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Greater Manchester Magistrates Court. De procedure startte op 20 januari 2026, waarbij de opgeëiste persoon werd bijgestaan door een advocaat en tolk.

Tijdens de procedure werd de rechtbank geconfronteerd met bezwaren over de detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk, met name de mogelijke detentie in HMP Swaleside en HMP Wormwood Scrubs. Na een tussenuitspraak op 3 februari 2026 werd het onderzoek geschorst om aanvullende informatie te verkrijgen over deze omstandigheden. De Britse autoriteiten gaven garanties dat de opgeëiste persoon niet in HMP Swaleside zou worden gedetineerd en dat de detentie in HMP Wormwood Scrubs tijdelijk en beperkt zou zijn.

De verdediging voerde aan dat deze garanties onvoldoende waren, maar de rechtbank oordeelde dat de verstrekte garanties voldoende zekerheid boden dat de detentieomstandigheden geen grondrechtenschending zouden opleveren. Tevens werden eerdere bezwaren over het contact met advocaten en autoriteiten verworpen. De rechtbank concludeerde dat het EAB aan alle wettelijke eisen voldeed en dat geen weigeringsgronden aanwezig waren, waardoor de overlevering werd toegestaan.

De uitspraak is onherroepelijk en werd gedaan door de voorzitter en twee rechters van de rechtbank Amsterdam, waarbij tevens werd vastgesteld dat tegen deze beslissing geen gewoon rechtsmiddel openstaat.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de opgeëiste persoon aan het Verenigd Koninkrijk toe na het verwerpen van bezwaren over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-313031-25
Datum uitspraak: 17 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Pro Handels- en Samenwerkingsovereenkomst
EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 21 november 2025 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van Pro de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 14 oktober 2025 door
the Greater Manchester Magistrates Courtin het Verenigd Koninkrijk, en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] , Polen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
nu gedetineerd in de [detentieadres]
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting 20 januari 2026
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd, omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.
Tussenuitspraak 3 februari 2026 [1]
Bij tussenuitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit over de detentieomstandigheden voor de opgeëiste persoon in het Verenigd Koninkrijk. Op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW is de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen verlengd, onder de gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding van de opgeëiste persoon op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
Zitting 10 maart 2026
De behandeling van het EAB is – met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling – hervat op de zitting van 10 maart 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak

De rechtbank stelt vast dat bij de tussenuitspraak van 3 februari 2026 reeds is geoordeeld over de grondslag en inhoud van het AB, de strafbaarheid van de feiten en de verdedigingsrechten van de opgeëiste persoon, zoals bedoeld in artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i) HSO. Hetgeen de rechtbank heeft overwogen moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Detentieomstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO)

Inleiding
De rechtbank verwijst allereerst naar haar overwegingen in voornoemde tussenuitspraak ten aanzien van de detentieomstandigheden, die hier als herhaald en ingelast moeten worden beschouwd.
In aanvulling daarop neemt de rechtbank de navolgende, aanvullende informatie mee bij haar oordeel.
Bij brief van 17 februari 2026 heeft de
Interim Director General of Operationsbij
the HM Prison & Probation Servicede in de tussenuitspraak geformuleerde vragen, voor zover relevant, als volgt beantwoord:
“You have asked how long [de opgeëiste persoon] may possibly be held at HMP Wormwood Scrubs while awaiting sentencing in relation to the failure to appear at court. We understand that this matter is likely to be resolved quickly, and that the 10 working days set out in the Security Categorisation Policy Framework should provide a reasonable guide for how long this process is likely to take.
I can guarantee that [de opgeëiste persoon] will not be transferred to HMP Swaleside when he is transferred from HMP Wormwood Scrubs.”
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verstrekte garantie onvoldoende is, nu deze niet onvoorwaardelijk lijkt te zijn. De garantie dat de opgeëiste persoon niet in
HMP Swalesidezal worden gedetineerd wordt namelijk gekoppeld aan de voorwaarde dat de opgeëiste persoon vanuit
HMP Wormwood Scrubszal worden overgebracht. Nu ten aanzien van
HMP WormwoodScrubs eerder is gesteld dat de opgeëiste persoon daar
most likelyzal worden gedetineerd, betreft het geen zekerheid dat de opgeëiste persoon eerst in
HMP Wormwood Scrubszal worden gedetineerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden niet aan overlevering in de weg staan. Met de verstrekte garantie is voldoende duidelijk dat de opgeëiste persoon niet in
HMP Swalesidezal worden gedetineerd. Bovendien bestaat de verwachting dat de opgeëiste persoon eerst in
HMP Wormwood Scrubszal worden gedetineerd.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat met de verstrekte garantie voldoende duidelijk is dat de opgeëiste persoon niet in
HMP Swalesidezal worden gedetineerd en de detentieomstandigheden daarom niet langer aan overlevering in de weg staan. Met de verstrekte garantie is het mogelijke gevaar van grondrechtenschending, als bedoeld in artikel 604, aanhef en onder c, HSO immers weggenomen. Uit de aanvullende informatie van 17 februari 2026, in samenhang gelezen met de aanvullende informatie van 23 december 2025, blijkt dat de opgeëiste persoon na zijn overlevering eerst in
HMP Wormwood Scrubszal worden gedetineerd, waarna hij naar
HMP Belmarsh Categoryof
HMP Onleyzal worden overgebracht. Van de door de raadsvrouw gestelde onvoldoende zekerheid is dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.
5. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i), HSO
Het standpunt van de raadsvrouw
Naar aanleiding van hetgeen de rechtbank ten aanzien van de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i), HSO heeft beslist in de tussenuitspraak, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon geen verwijt kan worden gemaakt dat hij geen contact met zijn advocaat of de Britse autoriteiten heeft gehouden over de procedure, nu de schorsing van de voorlopige hechtenis – waarbij dit als voorwaarde zou zijn opgenomen – volgens de opgeëiste persoon ziet op een andere strafzaak.
Het oordeel van de rechtbank
In de tussenuitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank aanleiding gezien om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering op grond van artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i), HSO te weigeren. Daarmee heeft de rechtbank al beslist op deze weigeringsgrond. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de enkele niet onderbouwde stelling van de opgeëiste persoon niet voldoende is om nu tot een ander oordeel te komen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

6.Slotsom

Nu is vastgesteld dat het AB voldoet aan de eisen van artikel 606 HSO Pro en er geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, alsmede een garantie is verstrekt op grond van artikel 604, aanhef en onder c) HSO, dient de overlevering te worden toegestaan.

7.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 141 Wetboek van Strafrecht, en de artikelen 1 en 3 Uitvoeringswet en 604, 606 HSO.

8.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan
the Greater Manchester Magistrates Courtin het Verenigd Koninkrijk, voor de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het AB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland en E. Mulder, griffiers,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 17 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.