ECLI:NL:RBAMS:2026:1036

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
3 februari 2026
Zaaknummer
13-313031-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Uitvoeringswet HSOArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over executie Europees aanhoudingsbevel met beoordeling weigeringsgronden en detentieomstandigheden in het Verenigd Koninkrijk

De Rechtbank Amsterdam heeft op 3 februari 2026 een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende de executie van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit het Verenigd Koninkrijk. De opgeëiste persoon wordt verdacht van strafbare feiten waarvoor een vrijheidsstraf van twee jaar en negen maanden is opgelegd. De rechtbank heeft de procedure verlengd en de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met dertig dagen verlengd.

De rechtbank heeft onderzocht of de overlevering geweigerd moet worden op grond van artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i), HSO, omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet zou hebben kunnen uitoefenen. Hoewel de opgeëiste persoon niet op alle zittingen aanwezig was, heeft de rechtbank geoordeeld dat hij wel op de hoogte was van de procedure en dat het niet verschijnen voor zijn eigen rekening komt. Daarom ziet de rechtbank af van de weigeringsgrond.

Daarnaast is getoetst of dubbele strafbaarheid geldt voor een feit dat in Nederland niet strafbaar is. De rechtbank oordeelt dat overlevering voor dat feit niet geweigerd wordt omdat de overlevering voor het andere feit wordt toegestaan. De rechtbank heeft ook kennisgenomen van ernstige zorgen over de detentieomstandigheden in de mogelijke gevangenissen in het Verenigd Koninkrijk, met name HMP Swaleside, waar sprake is van hoge geweldsniveaus, slechte hygiëne en onvoldoende toezicht. Gezien deze omstandigheden heropent de rechtbank het onderzoek en schorst zij de beslissing om de grondrechten van de opgeëiste persoon te waarborgen.

Uitkomst: Rechtbank heropent onderzoek en schorst beslissing over overlevering wegens mogelijke schending grondrechten in detentie.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-313031-25
Datum uitspraak: 3 februari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering ex artikel 3 Uitvoeringswet Pro Handels- en Samenwerkingsovereenkomst
EU – VK Justitie en Veiligheid (Uitvoeringswet) juncto artikel 23 Overleveringswet Pro (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank.
Deze vordering dateert van 21 november 2025 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Aanhoudingsbevel (AB) als bedoeld in artikel 598 van Pro de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (HSO).
Dit AB is uitgevaardigd op 14 oktober 2025 door
the Manchester Crown Court, United Kingdom,(Verenigd Koninkrijk) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1985 te [geboorteplaats] , Polen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
nu gedetineerd in de [penitentiaire inrichting] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 20 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. D.S. Altena, advocaat te Utrecht, en door een tolk in de Poolse taal.
Op grond van artikel 3 Uitvoeringswet Pro jo. artikel 22, derde lid, OLW heeft de rechtbank de termijn waarbinnen zij op grond van het eerste lid van dit artikel uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
Daarnaast heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het AB

Het AB vermeldt:
  • een aanhoudingsbevel uitgevaardigd door de
  • een voor tenuitvoerlegbaar vonnis
met kenmerk T2021 0250.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering:
 ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaar en negen maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Deze straf resteert volgens het AB nog volledig. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in het AB. [1] en
 vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Brits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het AB. [2]
4. Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i),HSO
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering moet worden geweigerd omdat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Uit het arrestatiebevel blijkt dat de opgeëiste persoon niet in persoon aanwezig is geweest bij de zitting die tot zijn veroordeling heeft geleid. Door de uitvaardigende autoriteit is op het arrestatiebevel aangegeven dat de opgeëiste persoon wel op de hoogte was van de datum en plaats van de zitting en dat hij geïnformeerd was over de consequenties als hij niet in persoon zou verschijnen. De autoriteiten stellen dus dat de uitzonderingsgrond uit artikel 12, onder a, OLW van toepassing is. Dit wordt in het EAB onderbouwd door te stellen dat hij wel aanwezig is geweest op een zitting op 4 juni 2021. Hij werd toen geschorst en hem werd geïnstrueerd dat hij de volgende zitting in april 2022 aanwezig moest zijn. Volgens het EAB kwam er toen in januari 2022 een brief van zijn advocaten dat zij het contact hadden verloren. Er werd een extra zitting gepland op 26 januari 2022 en daar verscheen de opgeëiste persoon niet. Uit van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt dat er op de zitting van 4 juni 2021 geen tolk aanwezig was. De zaak werd aangehouden tot
7 juli 2021. Op de zitting van 7 juli 2021 was de opgeëiste persoon ook aanwezig. De autoriteiten stellen dat tijdens deze zitting de waarschuwing van een verstekprocedure werd
medegedeeld. Er zijn daarna nog enkele zittingen geweest en daarbij is de opgeëiste persoon niet meer verschenen. Uit de brief van de raadsvrouw van de opgeëiste persoon van
5 september 2022 blijkt dat de opgeëiste persoon zich op de zitting van 7 juli 2021 niet goed voelde. In diezelfde brief neemt de raadsvrouw het standpunt in dat zij onvoldoende instructies heeft verkregen om de opgeëiste persoon te vertegenwoordigen op de vervolgzittingen. De situatie als bedoeld in artikel 12 sub b is Pro dan ook niet van toepassing. Vanwege de mentale toestand van de opgeëiste persoon in die tijd kan hem ook geen verwijt worden gemaakt dat hij niet meer op zittingen is verschenen en dat hij geen contact heeft onderhouden met zijn advocaten. Bovendien is hij voor de zitting van 7 februari 2025 niet opgeroepen, omdat zijn raadslieden op de zittingen van 24 oktober 2024 tot en met 28 oktober 2024 aanwezig waren. Een van die raadslieden heeft echter op 5 september 2022 al aangegeven geen mandaat te hebben om de opgeëiste persoon te kunnen vertegenwoordigen. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank dan ook niet af te zien van de weigeringsgrond
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich primair op het standpunt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest bij de behandeling van de zaak. Uit het AB en de aanvullende informatie blijkt dat hij op twee zittingen is verschenen, te weten op 7 mei 2021 en 4 juni 2021. Subsidiair stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat de situatie vergelijkbaar met die van artikel 12 sub a OLW Pro van toepassing is. De opgeëiste persoon is immers op de zitting van 4 juni 2021 de volgende zitting aangezegd en dat geldt als een oproeping in persoon. Meer subsidiair verzoekt de officier van justitie de rechtbank af te zien van toepassing van deze weigeringsgrond. Uit het AB en de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon van de procedure wist. Hij is twee keer op zitting verschenen. Hij heeft het Verenigd Koninkrijk verlaten zonder de autoriteiten daarvan op de hoogte te stellen. Hij heeft daarmee tevens de hem opgelegde schorsingsvoorwaarden overtreden.
Oordeel van de rechtbank
Uit de in het AB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie van 16 december 2025 en 15 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon aanwezig is geweest op de zittingen van 7 mei 2021, 4 juni 2021 (waar geen tolk aanwezig was), en van 7 juli 2021. Op de zitting van 7 juli 2021 werd de
trial datevastgesteld op 11 april 2022 en werd de opgeëiste persoon medegedeeld dat hij bij verstek kon worden veroordeeld. Op 7 april 2022 heeft de rechtbank de zaak op de agenda gezet voor bespreking. Tijdens deze zitting werd de procesdatum van 11 april 2022 geschrapt omdat de opgeëiste persoon niet op de zitting was verschenen en vanwege te weinig zittingsruimte. De rechter nodigde het Openbaar Ministerie en de verdediging uit om hun standpunt te geven over de vraag of het proces nu in zijn afwezigheid zou moeten plaatsvinden. Op 31 augustus 2022 verzocht het Openbaar Ministerie de rechtbank om de zaak te behandelen in afwezigheid van de opgeëiste persoon. Op 5 september 2022 diende de verdediging een antwoord in op het verzoek van de aanklager om behandeling van de zaak in afwezigheid van de opgeëiste persoon. Op de zitting van 20 juli 2023 werd vastgesteld dat de inhoudelijke behandeling van de zaak zou plaatsvinden op de zittingen van 26 tot 28 oktober 2024. Op 7 februari 2025 is het vonnis uitgesproken. Na de zitting van 7 juli 2021 is de opgeëiste persoon niet meer in persoon op een zitting verschenen. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze informatie niet de conclusie worden getrokken dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest op de zitting waarbij zijn zaak inhoudelijk is behandeld.
Uit het AB en de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt dat de laatste zitting waarop de opgeëiste persoon in persoon aanwezig was de zitting van 7 juli 2021 is geweest. Niet blijkt dat op die zitting de volgende zitting is aangezegd aan de opgeëiste persoon. Bovendien is de eerst volgende zitting, de zitting van 11 april 2022, niet doorgegaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet worden vastgesteld dat de oproep voor de zitting waarop de zaak inhoudelijk is behandeld aan de opgeëiste persoon in persoon is uitgereikt dan wel dat hem deze zitting in persoon is aangezegd.
Uit de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie blijkt vervolgens dat de raadslieden die de opgeëiste persoon op de verschillende zittingen hebben bijgestaan en hem daar hebben vertegenwoordigd, zichzelf daartoe onvoldoende gemachtigd achtten. Naar het oordeel van de rechtbank kan dan ook niet gesteld worden dat de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen doordat hij op de zitting die heeft geleid tot de veroordeling werd vertegenwoordigd door een door hem gemachtigde advocaat.
Dit overwegende stelt de rechtbank vast dat het AB strekt tot de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, en dat de opgeëiste persoon in ieder geval niet in persoon is verschenen op de laatste zitting(en) in het proces dat tot de beslissing heeft geleid, en dat - kort gezegd - vonnis is gewezen zonder dat zich één van de in artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i), sub i tot en met iv, HSO genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.
Gelet daarop kan de overlevering ex artikel 601, eerste lid, aanhef en onder i) HSO worden geweigerd.
De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van haar bevoegdheid om de overlevering te weigeren. Zij overweegt daartoe het volgende. De opgeëiste persoon is op de zitting van 7 juli 2021 aanwezig geweest, waar hij werd bijgestaan door een tolk in de Poolse taal, en was daarmee op de hoogte van de lopende procedure tegen hem in het Verenigd Koninkrijk. Volgens de van de uitvaardigende justitiële autoriteit ontvangen aanvullende informatie is de opgeëiste persoon op die datum gewaarschuwd dat hij buiten zijn aanwezigheid kon worden veroordeeld. De voorlopige hechtenis van de opgeëiste persoon is op enig moment geschorst geweest. Hij is daarna nog een keer op een zitting verschenen en heeft zich toen laten bijstaan door een advocaat. Vervolgens heeft hij, terwijl hij wist dat er vervolgzittingen zouden worden gepland, zich niet vergewist van deze vervolgzittingen en heeft hij geen contact gehouden met zijn advocaten, ondanks dat hij wist dat één van de schorsingsvoorwaarden was dat hij op de zittingen moest verschijnen. Zijn schorsing is, als gevolg van het niet verschijnen, opgeheven. De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de opgeëiste persoon lag om contact op te nemen met de Britse autoriteiten om zich te laten informeren over de stand van zaken van de procedure en om contact te onderhouden met zijn advocaten. Dat hij dit niet heeft gedaan, komt voor zijn eigen rekening. Het verweer van de raadsvrouw dat de opgeëiste persoon geen verwijt kan worden gemaakt van het feit dat hij onvoldoende op de hoogte was van de data van de zittingen, omdat zijn medische toestand dat onmogelijk maakte, is onvoldoende onderbouwd en kan daarom niet tot een ander oordeel leiden.

5.Strafbaarheid

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw stelt zich op het standpunt dat de overlevering dient te worden geweigerd voor het tweede feit uit het arrestatiebevel, te weten de strafbaarstelling van het zich niet bij de rechtbank melden gedurende een schorsing. Er is geen lijstfeit aangekruist voor dit feit. Dat betekent dat op grond van artikel 7, eerste lid, OLW de dubbele strafbaarheid getoetst moet worden en sprake moet zijn van een strafbedreiging van minimaal één jaar. Volgens het arrestatiebevel is van dit laatste sprake. In Nederland kennen we echter geen strafbaarstelling voor het zich niet bij de rechtbank melden gedurende een schorsing en er is ook geen vergelijkbaar feit waar dit onder zou kunnen vallen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de rechtbank af kan zien van het weigeren van de overlevering wegens het ontbreken van dubbele strafbaarheid. In vergelijkbare gevallen, zoals het in Polen strafbaar zijn van een meldplicht, ziet de rechtbank ook af van toepassing van deze weigeringsgrond. De officier van justitie verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank van 19 juni 2025 [3] .
Oordeel van de rechtbank
Het Verenigd Koninkrijk heeft de kennisgeving als bedoeld in artikel 599, vierde lid, van de HSO niet gedaan. [4] Toetsing van de dubbele strafbaarheid conform artikel 599, tweede lid, HSO kan dus niet achterwege blijven. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 599, eerste en tweede lid, HSO zijn opgenomen.
De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan voor één van de in het AB genoemde feiten.
Het feit levert naar Nederlands recht op:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.
De rechtbank stelt vast dat het feit zoals omschreven in het AB als
failed to surrender to the court((wat de rechtbank begrijpt als dat de opgeëiste persoon zich niet zou hebben gehouden aan opgelegde voorwaarden) niet strafbaar is in Nederland.
De Uitvoeringswet heeft de facultatieve weigeringsgrond van artikel 7 OLW Pro niet van toepassing verklaard, maar artikel 601, eerste lid, aanhef en onder a, HSO is van toepassing, dat als volgt luidt:
“De tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel kan worden geweigerd:
a) indien in een van de in artikel 599, lid 2, bedoelde gevallen, het feit dat aan het aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, naar het recht van de uitvoerende staat niet strafbaar is; ter zake van retributies of belastingen, douane en deviezen mag de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel echter niet worden geweigerd op grond van het feit dat de uitvoerende staat niet dezelfde soort retributies of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake retributies of belastingen, douane en deviezen kent als de uitvaardigende staat.”
De rechtbank zal in dit geval geen gebruik maken van deze bevoegdheid omdat de overlevering voor het andere feit al wordt toegestaan. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de overlevering met betrekking tot het feit
failed to surrender to the courteveneens toestaan.

6.Detentieomstandigheden (artikel 604, aanhef en onder c, HSO)

Inleiding
De
Interim Director General of Operations, verbonden aan de
HM Prison & Probation Serviceheeft, op de vraag van het Openbaar Ministerie waar de opgeëiste persoon na zijn overlevering waarschijnlijk zal worden gedetineerd, bij brief van 23 december 2025 het volgende meegedeeld:
“ (…) it is most likely that he will be initially held at HMP Wormwood Scrubs. During this time his categorisation will be assessed and his prison journey planned.The Security Categorisation Policy Framework notes that assessments must be completed as soon as possible to enable transfer to an appropriate prison within 10 working days of sentencing. While [de opgeëiste persoon] has already been sentenced this does still provide an indicative amount of anticipated time from his arrival in UK custody to the completion of his categorisation.
(…)
I can confirm that depending on [de opgeëiste persoon] security category, he will likely be held in the following establishments:
Category A HMP Belmarsh
Category B HMP Swaleside
Category C HMP Onley
I can guarantee that there is no intention, nor is it likely, that [de opgeëiste persoon] would be transferred to HMP Wandsworth, HMP Winchester or HMP Bedford (…).”
De Rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van een
urgent notificationvoor de detentie-instelling
HMP Swalesidegepubliceerd op 15 december 2025 door
HM Inspectorate of Prisonsen dit ter zitting onder de aandacht gebracht van partijen
.Deze
urgent notificationhoudt het volgende in.
“In accordance with the Protocol between HM Chief Inspector of Prisons and the Ministry of Justice dated October 2019, I am writing to you to invoke the Urgent Notification process following our unannounced inspection of HMP Swaleside between 1st and 11th December 2025. The protocol sets out that this letter will be placed in the public domain, and that the Secretary of State commits to respond publicly within 28 days.
This is the fifth time we have inspected Swaleside since 2016 and, as the table below shows, it is a prison that has a record of poor performance. At this most recent inspection, the jail attracted our lowest healthy prison assessments in all four of our tests – safety, respect, purposeful activity and preparation for release – and none of the concerns raised at our 2023 inspection had been fully addressed.
(…)
I have issued an Urgent Notification for the following reasons:

The prison scored a rating of ‘poor’ across all four of our healthy prison assessments.

Very high levels of violence were affecting every aspect of prison life. A third of prisoners said in our survey that they had been physically assaulted, and three quarters reported having felt unsafe in the jail.

Drug taking was rife with drones regularly bringing contraband, including knives, into the jail.

Staff, many of whom lacked experience, were not confident in challenging poor behaviour and there was a lack of order and control. Inspectors witnessed prisoners refusing to be searched. Officers were subject to high levels of violence in the course of their duties, and many told us they were burnt out and demoralised.

There were few consequences for poor behaviour or incentives for those men who followed the rules.

Most wings were filthy, and too many cells were in a poor state of repair. We saw widespread graffiti, fire damage, broken furniture, dilapidated flooring, and showers that were dirty, mouldy and poorly maintained.

A revised regime had been implemented at the start of our visit, ostensibly to try to restore order. This severely restricted most prisoners’ time out of cell. The published regime allowed 44% of the population only 30 minutes unlocked on most weekdays. This was marginally improved by leaders during our inspection, but it remained wholly insufficient and inhumane. It was not clear how these extreme restrictions were going to reduce violence or what plans were in place to return to a more settled and suitable regime.

Staff and prisoners had not been adequately prepared for this change, leading to an increase in anger and frustration.

The prison was failing in its core function as a training prison. Too many men had nothing to do all day, and activities that improved employability on release had ceased because of HMPPS cuts to education provision.

Failure to attend health care appointments by prisoners was exceptionally high, often due to fears of violence.

There were serious gaps in the prison’s management and oversight of public protection arrangements, despite most prisoners being assessed as presenting a high risk of serious harm to others. There were backlogs in screening, meaning the prison had failed to intercept mail or listen to the phone calls of dangerous men who required monitoring.

There had been two suicides since the last inspection, and three non-natural deaths. Levels of recorded self-harm were consistently high, and arrangements for those under constant supervision were unsafe.

HMPPS had failed to solve chronic staffing problems that had hampered the running of the prison and, for too long, Swaleside had been reliant on detached duty officers from other jails. Less than three-quarters of officers were currently available for operational duties, and there was a shortage of operational support grades. The prison struggled to recruit middle managers, and there were far too few probation staff to meet the needs of the high-risk population.

During our inspection, more than 20 troublesome prisoners were shipped out to other jails, and the National Tactical Response Group had been temporarily brought in, including patrol dogs, to maintain order.

There was a pervasive sense of despair among prisoners at Swaleside, many of whom felt hopeless, helpless and afraid.

It was shameful that such an important and risky prison had been left without the appointment of a permanent governor for many months in 2024 and 2025. The current governor had only been in post for five months and had developed plans for improving the jail. However, there was not yet sufficient operational grip on the challenges facing this prison and leaders were not visible on the wings.

Despite the many challenges we found on this inspection, there were many hardworking staff doing an impressive job in very difficult circumstances.

The appalling outcomes we found at Swaleside, holding some of the most dangerous men in the country, represent serious failings by leaders in the prison service to address the systemic problems at this troubled jail.”
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw verzoekt de rechtbank de behandeling van de zaak aan te houden om van de uitvaardigende justitiële autoriteit de garantie te krijgen dat opgeëiste persoon niet in
HMP Swalesidegeplaatst zal worden
.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de beoordeling van detentie-instellingen uitgegaan moet worden van de criteria als verwoord in het arrest
Alchaster [5] . Er moeten objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens worden overgelegd. De officier van justitie heeft aangegeven niet bekend te zijn met de
urgent notificationover Swaleside. De rechtbank vat dit standpunt op als dat de officier van justitie zich refereert aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk sluit de rechtbank aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) van 29 juli 2024. [6] Uit dit arrest volgt dat de tweestappentoets, die geldt ten aanzien van de procedure tot tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel, niet geldt ten aanzien van overlevering aan het Verenigd Koninkrijk. [7] De uitvoerende rechterlijke autoriteit hoeft dientengevolge niet na te gaan waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd op basis van de eerder vastgestelde algemene gevaren.
Ten aanzien van overlevering van personen aan het Verenigd Koninkrijk behoort de rechtbank bij haar beoordeling alle relevante gegevens te beoordelen om in te schatten in welke situatie de gezochte persoon zich zal bevinden als hij wordt overgeleverd aan het Verenigd Koninkrijk, wat inhoudt dat rekening gehouden moet worden met de regels en praktijken die in dat land algemeen gangbaar zijn, en daarnaast ook – als de beginselen van wederzijds vertrouwen en wederzijds erkenning niet worden toegepast – met de specifieke kenmerken van de situatie van die persoon. [8]
De rechtbank dient om die reden te vernemen waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd om het bovenstaande te kunnen beoordelen.
Uit de aanvullende informatie van 23 december 2025 blijkt dat de opgeëiste persoon na overlevering eerst zal worden geplaatst in
HMP Wormwood Scrubswaarna hij overgeplaatst zal worden naar
HMP Belmarsh, HMP Swalesideof
HMP Onley.Voor de detentie-instelling
HMP Swalesideis een
urgent notificationafgegeven op de website van
HM Inspectorate of Prisons.
Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook mogelijk sprake van een gevaar van grondrechtenschending, als bedoeld artikel 604, aanhef en onder c, HSO. Teneinde te verzekeren dat de grondrechten in het concrete geval worden geëerbiedigd zal de rechtbank het onderzoek heropenen en de officier van justitie verzoeken om de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen te laten beantwoorden:
Het verzoek tot overlevering ziet op zowel de tenuitvoerlegging van een veroordeling als ook op een nog lopende strafvervolging ter zake van de verdenking van
failed to surrender to the court.U geeft aan dat de doorplaatsing van de opgeëiste persoon uit Wormwood Crubs pas plaatsvindt na de
sentencing.Kunt u een inschatting maken op welke termijn de
sentencingzal hebben plaatsgevonden, en dus een schatting doen hoe lang [de opgeëiste persoon] naar verwachting in
HMP Wormwood Scrubszal verblijven?
Voor zover een overplaatsing van [de opgeëiste persoon] vanuit
HMP Wormwood Scrubsbinnen afzienbare periode te verwachten is, heeft de rechtbank kennisgenomen van de drie detentiecentra waar [de opgeëiste persoon] volgens de door u verstrekte informatie geplaatst kan worden, waaronder de detentie-instelling “
Category B, HMP Swaleside”. De rechtbank heeft kennisgenomen van een
urgent notificationgepubliceerd op 17 december 2025 op de website
Our reports – HM Inspectorate of Prisonten aanzien van deze detentie-instelling. Uit de
urgent notificationblijkt dat er ernstige zorgen zijn over de
poor conditionvan de gevangenis en dat er problemen en zorgen zijn ten aanzien van, samengevat, de veiligheid en bewegingsvrijheid van de gedetineerden, de onderbezetting en de hygiëne.
a. Kunt u uw reactie geven op de inhoud van dit rapport en aangeven wat u onderneemt om de veiligheid en de gezondheid van gedetineerden te waarborgen?
b. Kunt u aangeven in hoeverre [de opgeëiste persoon] , wanneer hij wordt overgeleverd en in deze gevangenis terecht komt, zal worden blootgesteld aan de zorgelijke omstandigheden zoals uiteengezet in de
urgent notification?
c. Als u geen toezeggingen kunt doen over de omstandigheden van [de opgeëiste persoon] in deze gevangenis, kunt u dan garanderen dat hij bij overplaatsing uit
HMP Wormwood Scrubsniet in
HMP Swalesideterecht zal komen?

7.Beslissing

HEROPENThet onderzoek ter zitting onder gelijktijdige schorsing voor onbepaalde tijd,
teneinde de officier van justitie de hiervoor onder punt 6 opgenomen vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit;
VERLENGTop grond van artikel 22, vijfde lid, OLW de termijn waarbinnen de rechtbank op grond van de OLW uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met dertig dagen;
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de gevangenhouding van de opgeëiste persoon met dertig dagen;
BEPAALTdat de vordering opnieuw op zitting moet worden gepland uiterlijk 14 dagen voor het verstrijken van de beslistermijn op 18 april 2026 en dus uiterlijk op donderdag 2 april 2026;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsman.
BEVEELTde oproeping van een tolk in de Poolse taal tegen nader te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M. Westerman, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en L. Baroud, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Kloos, griffier.
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie onderdeel e) van het EAB.
2.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Zie rechtbank Amsterdam, 2 november 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:6353
5.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649
6.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster).
7.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie 29 juli 2024, ECLI:EU:C:2024:649 (Alchaster), punt 82.