Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3186

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
30 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
26/1146
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbBeleidsregels VOG-NP-RP 2025
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen weigering verklaring omtrent gedrag voor onderhoudsmonteur

Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verklaring omtrent gedrag (VOG) voor de functie van onderhoudsmonteur bij een werkgever. De aanvraag is door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen op basis van het objectieve criterium dat de recente veroordeling van verzoeker een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie.

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het spoedeisend belang erkend vanwege de dreiging van ontbinding van de arbeidsovereenkomst als de VOG niet tijdig wordt verstrekt. Tijdens de zitting zijn de standpunten van partijen besproken.

De voorzieningenrechter overweegt dat de veroordeling van februari 2025, waarbij verzoeker tien maanden gevangenisstraf kreeg opgelegd, te recent is om het risico voor de samenleving als voldoende afgenomen te beschouwen. Hoewel verzoeker positieve ontwikkelingen toont, bevestigd door een verklaring van de reclassering, weegt dit niet zwaarder dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen risico's.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en benadrukt dat dit oordeel een voorlopig karakter heeft en niet bindend is voor een eventueel bodemgeding. Verzoeker wordt aangemoedigd zijn positieve ontwikkelingen voort te zetten.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de VOG-aanvraag wordt afgewezen vanwege het te recente karakter van de veroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 26/1146

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. S. Wetsema),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. S. van Wielink).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een verklaring omtrent gedrag (VOG). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af
.Verweerder heeft in redelijkheid de aanvraag voor een VOG kunnen afwijzen. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een VOG voor onderhoudsmonteur bij [bedrijf]. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 februari 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3.1.
Verzoeker heeft in dat kader naar voren gebracht dat hij zo spoedig mogelijk een VOG moet kunnen overleggen bij zijn werkgever. De werkgever heeft in een e-mail van 4 februari 2026 aan verzoeker laten weten dat indien de werkgever de VOG niet uiterlijk voor 1 maart 2026 heeft ontvangen, de werkgever genoodzaakt is de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang.
Toetsingskader
4. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft de minister de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2025 (de Beleidsregels). In de Beleidsregels is bepaald dat als een aanvrager voorkomt in het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) verweerder aan de hand van een objectief en een subjectief criterium bekijkt of de afgifte van een VOG gerechtvaardigd is. Bij de toetsing aan het objectieve criterium bekijkt verweerder of de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Is daarvan sprake, dan zal de aanvraag in beginsel worden afgewezen. Bij het subjectieve criterium beoordeelt verweerder, wanneer is voldaan aan het objectieve criterium, of de omstandigheden van het geval ertoe moeten leiden dat toch een VOG moet worden afgegeven. Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerdergenoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, ook al wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de toepassing van het subjectieve criterium worden in ieder geval als relevante omstandigheden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten. De aanvraag van verzoeker is beoordeeld op basis van het algemene screeningsprofiel met het risicogebied proces.
Objectieve criterium
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de justitiële gegevens, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.
Subjectieve criterium
6. Verzoeker voert – kort samengevat – aan dat verweerder onvoldoende rekening houdt met zijn persoonlijke omstandigheden en belangen. Het zwaartepunt van de beslissing ligt in een veroordeling van februari 2025. Hoewel de zaak niet licht is afgedaan met een deels voorwaardelijke en langere gevangenisstraf, is het van belang om de omstandigheden van het strafbare feit mee te wegen. Het delict verleden hield verband met de omgang met verdovende middelen. Verzoeker erkent zijn delict verleden en betreurt dit ten zeerste. Hij heeft dit inmiddels achter zich gelaten, erkent zijn fouten en werkt actief aan verbetering, wat wordt bevestigd door de reclassering. Het recidiverisico kan volgens verzoeker door deze positieve ontwikkelingen als beperkt worden ingeschat, zeker gezien het werkveld waar verzoeker wil werken en de aard van de veroordeling.
6.1.
Ten aanzien van het subjectieve criterium overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken. Verweerder heeft hierbij groot belang mogen hechten aan de aard en de afdoening van de antecenten en het geringe tijdsverloop sindsdien. Verzoeker is bij vonnis van 18 februari 2025 veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren die loopt tot 9 april 2027. Het betroffen ernstige strafbare feiten. De gevangenisstraf is ten uitvoer gelegd van 18 november 2025 tot en met 10 april 2025. Verzoeker heeft een half jaar na zijn veroordeling de VOG aangevraagd waardoor er sprake is van een beperkt tijdsverloop. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de veroordeling van verzoeker te recent is om te kunnen vaststellen dat het risico voor de samenleving voldoende is afgenomen. Het is niet onredelijk dat verweerder, ondanks de positieve ontwikkelingen die verzoeker sinds zijn veroordeling laat zien, er om vraagt dat de positieve ontwikkelingen over een langere periode worden aangetoond. [1]
6.2.
Verzoeker heeft verder aangevoerd dat hij zijn verleden achter zich wil laten. Verzoeker heeft ter onderbouwing daarvan een verklaring van de reclassering overgelegd. De reclassering schrijft in de brief van 23 januari 2026 dat verzoeker tot 9 april 2027 onder toezicht staat en dat dit toezicht zeer positief verloopt. Verzoeker is serieus bezig om een delictsvrij bestaan op te bouwen, heeft gebroken met risicovolle contacten en heeft een stabiele relatie met een vrouw die delictgedrag afkeurt. Verzoeker zet zich in voor een toekomst met legaal werk en inkomen. Verzoeker heeft een duidelijke passie voor zijn huidige werk als onderhoudsmonteur. Ook volgt hij via zijn werkgever een opleiding en heeft hij tot nu toe alle certificaten behaald. De werkgever is zeer tevreden over verzoeker en wil hem graag in dienst houden, maar hiervoor heeft verzoeker een VOG voor nodig. Het ontbreken van financiële zekerheid en schulden maakte dat verzoeker destijds vatbaar was voor drugsdelicten. De reclassering is van mening dat het recidiverisico van laag/gemiddeld zoals aangegeven in het reclasseringsrapport van mei 2025 is afgenomen naar laag.
6.3.
De voorzieningenrechter vindt het positief dat de reclassering aangeeft dat verzoeker goed gedrag laat zien en dat zij de kans klein achten dat verzoeker opnieuw de fout ingaat. Dat werkt in het voordeel van verzoeker maar is in dit geval niet doorslaggevend. De overgelegde verklaring legt, gezien het korte tijdsverloop van slechts één jaar sinds de veroordeling ten tijde van het bestreden besluit, maar beperkt gewicht in de schaal. Verweerder heeft daarbij mogen meewegen dat het feit dat verzoeker nu geen VOG krijgt voor deze functie, niet betekent dat hij geen ander werk kan vinden waarvoor hij geen VOG nodig heeft, of dat hij in de toekomst alsnog een VOG voor deze functie kan verkrijgen.
6.4.
Het is voor de voorzieningenrechter invoelbaar dat dit voor verzoeker een teleurstellende uitkomst is. Door de steun vanuit de reclassering had hij de verwachting dat hij in aanmerking zou komen voor een VOG. Ook werkt hij al ruim een jaar bij deze werkgever, naar volle tevredenheid en haalt hij voldoening uit zijn werk. De voorzieningenrechter moedigt verzoeker aan zijn positieve ontwikkelingen voort te zetten, ondanks de teleurstelling die deze situatie met zich meebrengt. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat verzoeker is aangenomen als onderhoudsmonteur en daarvoor een opleiding volgt, waarin de werkgever heeft geïnvesteerd. De werkgever is ook positief over het functioneren van verzoeker. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat een VOG voor deze functie niet wettelijk verplicht is, waardoor het de werkgever vrij staat om zelf een afweging te maken en verzoeker alsnog in dienst te nemen zonder dat hij over een VOG beschikt.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen VOG krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H.W. Franssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G. dos Santos 't Hoen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Volg de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1122.