ECLI:NL:RVS:2025:1122
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag Verklaring Omtrent het Gedrag wegens recente veroordeling poging tot afpersing
Verzoekster heeft op 17 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) om als Verzorgende Individuele Gezondheidszorg te kunnen werken. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag op 7 augustus 2024 afgewezen op grond van de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024, omdat verzoekster binnen de terugkijktermijn van vier jaar een veroordeling had voor poging tot afpersing gepleegd door meerdere personen.
De rechtbank heeft het beroep van verzoekster tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Zij oordeelde dat het feit dat verzoekster in de periode tussen het strafbare feit en de veroordeling zonder problemen in de zorg heeft gewerkt, niet zwaar weegt. Ook deskundigenrapportages over goed gedrag na de veroordeling zijn niet doorslaggevend vanwege het korte tijdsverloop sinds de veroordeling.
In hoger beroep heeft de voorzieningenrechter van de Raad van State het oordeel van de rechtbank bevestigd. De voorzieningenrechter benadrukte dat het weigeren van de VOG niet betekent dat verzoekster nooit meer als VIG kan werken, en dat er mogelijk meer kansen zijn na het verstrijken van twee derde van de terugkijktermijn. Het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen en de staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De afwijzing van de VOG-aanvraag wordt bevestigd vanwege het korte tijdsverloop sinds de veroordeling voor poging tot afpersing.