Eiser kreeg twee naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgelegd voor parkeren op 25 en 28 juni 2025 zonder betaling. De heffingsambtenaar handhaafde deze aanslagen na bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank behandelde het beroep op 27 februari 2026, waarbij eiser afwezig was.
De kern van het geschil betrof de vraag of de heffingsambtenaar voldoende had voldaan aan zijn informatieplicht om de parkeerbelasting kenbaar te maken. De rechtbank oordeelde dat het eerste parkeerzonebord zich op meer dan 100 meter afstand bevond en dat er ter plaatse geen zichtbare parkeerautomaten waren. De aanwezige automaten waren uitsluitend in een naastgelegen woonwijk gesitueerd, buiten het zicht en de rijroute van eiser.
De rechtbank stelde vast dat de onderzoeksplicht van eiser niet zo ver reikte dat hij buiten zijn zichtveld en rijroute moest zoeken naar parkeerautomaten. Bovendien was het parkeerzonebord inmiddels verplaatst naar een betere locatie, wat bevestigde dat de eerdere plaatsing onvoldoende duidelijk was. Daarom werd het beroep gegrond verklaard en kreeg eiser het betaalde griffierecht terug. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.