De zaak betreft een beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van een subsidieaanvraag op grond van de Woonhuisregeling voor instandhoudingskosten van een rijksmonument over 2023. Eisers, bestaande uit de erven van een commanditaire vennoot en een commanditaire vennootschap, vorderen een hoger subsidiebedrag dan toegekend door de minister.
De minister had aanvankelijk een subsidie van €55.508,02 toegekend, later verhoogd tot €63.501,60, waarbij werd vastgesteld dat slechts drie van de acht commanditaire vennoten als particuliere eigenaren konden worden aangemerkt en hun aandeel subsidiabel was. De rechtbank verklaart de beroepen van de erven en de commanditaire vennootschap tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en verklaart het beroep tegen het laatste besluit ongegrond.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat niet alle vennoten als particuliere eigenaren kunnen worden aangemerkt, omdat vijf vennoten gebruik maken van rechtspersonen die zelfstandige rechtssubjecten zijn. Het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen en het evenredigheidsbeginsel faalt, mede vanwege de ruime beleidsvrijheid van de minister bij subsidieregelingen.
De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers vanwege het wijzigen van het besluit tijdens de procedure. De subsidie zoals vastgesteld in het laatste besluit blijft in stand.