Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3070

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
AMS 25/234
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:64 AwbArt. 4:51 AwbArt. 3:4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke afwijzing subsidie woonhuisregeling voor rijksmonument eigenaren

De zaak betreft een beroep tegen de gedeeltelijke afwijzing van een subsidieaanvraag op grond van de Woonhuisregeling voor instandhoudingskosten van een rijksmonument over 2023. Eisers, bestaande uit de erven van een commanditaire vennoot en een commanditaire vennootschap, vorderen een hoger subsidiebedrag dan toegekend door de minister.

De minister had aanvankelijk een subsidie van €55.508,02 toegekend, later verhoogd tot €63.501,60, waarbij werd vastgesteld dat slechts drie van de acht commanditaire vennoten als particuliere eigenaren konden worden aangemerkt en hun aandeel subsidiabel was. De rechtbank verklaart de beroepen van de erven en de commanditaire vennootschap tegen eerdere besluiten niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en verklaart het beroep tegen het laatste besluit ongegrond.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat niet alle vennoten als particuliere eigenaren kunnen worden aangemerkt, omdat vijf vennoten gebruik maken van rechtspersonen die zelfstandige rechtssubjecten zijn. Het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen en het evenredigheidsbeginsel faalt, mede vanwege de ruime beleidsvrijheid van de minister bij subsidieregelingen.

De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers vanwege het wijzigen van het besluit tijdens de procedure. De subsidie zoals vastgesteld in het laatste besluit blijft in stand.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk of ongegrond en bevestigt het subsidiebedrag van €63.501,60.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/234

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

de erven van [eiser 1] B.V. en [eiser 2] C.V., uit [plaats] , eisers
(gemachtigde: mr. J. Wassink),
en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

(gemachtigde: mr. L.J. Tigelaar).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag van eisers om subsidie op grond van het Besluit vaststelling beleidsregels instandhoudingssubsidie woonhuis-rijksmonumenten (de Woonhuisregeling) voor de instandhoudingskosten van een rijksmonument over het jaar 2023. Eisers vinden dat hun meer subsidie had moeten worden toegekend. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het subsidiebedrag juist heeft vastgesteld.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bedrag tot het juiste bedrag is toegekend
.De minister heeft namelijk terecht vastgesteld dat alleen drie van de acht vennoten als particuliere eigenaren kunnen worden aangemerkt en alleen hun deel subsidiabel is. Eisers krijgen dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. De Woonhuisregeling heeft als doelstelling om particuliere eigenaren van rijksmonumenten met een woonfunctie financieel te ondersteunen bij de instandhouding van hun rijksmonument. Jaarlijks kan subsidie worden aangevraagd voor de subsidiabele kosten die het voorafgaande kalenderjaar zijn gemaakt.
2.1.
Het bestuur van de Vereniging van Eigenaren van het rijksmonument ‘ [monument] ’ heeft de subsidie voor alle 24 eigenaren van aangevraagd. Zij heeft facturen van in totaal € 213.499,10 ingediend. De minister heeft met het besluit van 28 juli 2024 € 55.508,02 aan subsidie toegekend. Volgens de minister zijn zes van de 24 eigenaren geen particuliere eigenaren en is hun deel daarom niet subsidiabel. Dit betreft het deel waar [eiser 2] eigenaar van is.
2.2.
Met de beslissing op bezwaar van 29 november 2024 (bestreden besluit I) heeft de minister een hoger bedrag aan subsidie toegekend, namelijk € 58.553,42. Hieraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat het deel dat de erven van [eiser 1] in eigendom hebben, toch ook subsidiabel is. Zij zijn één van de acht commanditaire vennoten van [eiser 2] en zijn particuliere eigenaren.
2.3.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit I.
2.4.
Tijdens de beroepsprocedure heeft de minister op 28 april 2025 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen (bestreden besluit II), waarin de subsidie weer hoger is vastgesteld, namelijk op € 63.501,60. De minister neemt nu het standpunt in dat drie van de acht commanditaire vennoten particulier eigenaar zijn en dat hun aandeel daarmee subsidiabel is. Het beroep richt zich van rechtswege ook tegen bestreden besluit II. [1]
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [persoon] ( [eiser 1] ), de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting geschorst, omdat partijen op de zitting verklaard hebben opnieuw met elkaar in gesprek te willen gaan over de zaak.
2.6.
Op 29 januari 2026 hebben partijen laten weten dat zij geen overeenstemming bereikt hebben. De rechtbank heeft vervolgens partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [2]

Beoordeling beroep van de erven van [eiser 1]

3. De rechtbank stelt vast dat voor het aandeel van de erven van de heer [eiser 1] subsidie is toegekend. Zij kunnen door het instellen van beroep dus niet een gunstiger resultaat bereiken. De rechtbank verklaart hun beroep daarom niet-ontvankelijk, vanwege het ontbreken van procesbelang.

Beoordeling beroep van [eiser 1]

4. Alleen een belanghebbende kan beroep instellen bij de rechtbank. [3] Om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt, moet sprake zijn van een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang dat de betrokkene in voldoende mate onderscheidt van anderen. Dat belang moet rechtsreeks bij het desbetreffende besluit zijn betrokken. [4] Bij een uitsluitend van een andere betrokkene afgeleid belang is niet aan deze eis voldaan. Als de indiener van het beroep geen belanghebbende is, moet de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaren.
4.1.
Op de zitting is toegelicht dat [eiser 2] een klant is van [eiser 1] . De rechtbank overweegt dat [eiser 1] Administratie (eventueel) uitsluitend via een contractuele relatie door de bestreden besluiten wordt geraakt, want van een zelfstandig belang is niet gebleken. [eiser 1] heeft dus een afgeleid belang en haar belang is niet rechtstreeks bij de bestreden besluiten betrokken. [eiser 1] is dus geen belanghebbende. De rechtbank verklaart haar beroep daarom niet-ontvankelijk.

Beoordeling beroep van [eiser 2] tegen bestreden besluit I

5. Met bestreden besluit II heeft de minister bestreden besluit I gewijzigd en daarbij een hogere subsidie toegekend. Gelet hierop heeft [eiser 2] geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen bestreden besluit I. De rechtbank verklaart daarom het beroep van [eiser 2] , voor zover gericht tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk.

Beoordeling beroep van [eiser 2] tegen bestreden besluit II

6. [eiser 2] voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat alle vennoten samen als particulier eigenaar moeten worden aangemerkt. Alle vennoten samen zijn namelijk particulier eigenaar in de zin van de Woonhuisregeling. In de regeling staat dat wanneer sprake is van een gedeeld zakelijk recht, de eigenaren of rechthebbenden tezamen als de particuliere eigenaar worden aangemerkt. Het hoeft dus niet alleen te gaan om particuliere eigenaren, ook andere vormen van rechthebbendheid, bijvoorbeeld via een rechtspersoon, kunnen hieronder vallen.
6.1.
De rechtbank volgt deze lezing van [eiser 2] niet. In de Woonhuisregeling staat dat de subsidie alleen door particuliere eigenaren kan worden aangevraagd en dat daaronder wordt verstaan: een natuurlijk persoon die een (gedeelte van een) rijksmonument in eigendom heeft of ten aanzien waarvan hij een ander zakelijk recht heeft. Dat er vervolgens staat dat wanneer sprake is van een gedeeld zakelijk recht, die eigenaren of rechthebbenden tezamen als de particuliere eigenaar aangemerkt, voegt aan voorgaande alleen toe dat rechthebbenden tezamen als particuliere eigenaar aangemerkt kunnen worden. Dit betekent niet dat niet-natuurlijke personen door middel van een gedeeld zakelijk recht alsnog als particuliere eigenaar subsidie aan kunnen vragen.
7. [eiser 2] voert verder aan dat de waardeontwikkeling van het eigendom feitelijk toekomt aan en wordt gedragen door de particuliere vennoten die worden genoemd in de akte van oprichting. Dat er rechtspersonen in de jaarrekening van 2023 zijn opgenomen, doet geen afbreuk aan het particuliere karakter van het eigendom, omdat de rechtspersonen tot particuliere eigenaren zijn te herleiden.
7.1.
Volgens de minister wordt ook de particulier economische eigenaar als particuliere eigenaar in de zin van de Woonhuisregeling aangemerkt, als de waardeontwikkeling en kosten toekomen aan de particuliere eigenaar. Bij drie van de acht commanditaire vennoten is dat het geval, maar bij de overige vijf niet. Uit de jaarrekening blijkt immers dat deze vijf vennoten in de praktijk gebruik maken van rechtspersonen.
7.2.
Het betoog van [eiser 2] slaagt niet. Partijen zijn verdeeld over de vraag of de vijf vennoten aangemerkt moeten worden als particuliere economische eigenaren. Daargelaten de vraag of [eiser 2] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waardeontwikkeling en kosten voor het onderhoud feitelijk toekomen aan de vijf vennoten, heeft de minister niet de gestelde feitelijke situatie, maar het feit dat zij gebruik maken van rechtspersonen bepalend mogen achten. Rechtspersonen zijn zelfstandige rechtssubjecten, zodat de waardeontwikkeling en de kosten voor het onderhoud aan deze rechtspersonen toekomen.
8. [eiser 2] betoogt dat, omdat de minister in het verleden ook altijd woonhuissubsidie heeft verleend op basis van het volledige aandeel van [eiser 2] , zij erop mocht vertrouwen dat dit bij deze aanvraag weer het geval zou zijn.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. Gerechtvaardigd vertrouwen op de voortzetting van een subsidie kan slechts ontstaan na minimaal drie opvolgende jaren van verlening en als de subsidie naar haar aard van onbeperkte duur is. [5] In ieder geval is niet gebleken dat de subsidie drie opvolgende jaren is verleend, zodat de eerdere subsidieverlening niet tot een gerechtvaardigd vertrouwen tot voortzetting kan leiden. Ook is niet gebleken van toezeggingen, andere uitlatingen of gedragingen waaruit [eiser 2] mocht afleiden dat de subsidie over het jaar 2023 ook voor alle vennoten van [eiser 2] toegekend zou worden.
9. [eiser 2] betoogt tot slot dat de doelgroepbepaling in strijd is met het evenredigheidsbeginsel [6] . Het uitsluiten van rechtspersonen, ongeacht de mate van professionaliteit, wijst niet op een noodzakelijke of evenwichtige regeling. Bovendien is bij de Nota van Wijziging [7] opgenomen dat er geen eigenaren worden uitgesloten van de subsidieregeling. Verder komen rechtspersonen voor het behoud van natuurschoonwet-landgoederen wel expliciet in aanmerking voor woonhuissubsidie. Het uitsluiten van andere rechtspersonen dan deze staan dan niet in verhouding tot het doel om aan niet-bedrijfsmatig opererende eigenaren een subsidie te verstrekken.
9.1.
De rechtbank overweegt dat de Woonhuisregeling is gebaseerd op de Erfgoedwet en de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: de Kaderregeling). Uit artikel 1.3 van de Kaderregeling volgt dat de minister kan bepalen voor welke activiteiten en onder welke voorwaarden subsidie wordt verstrekt. De minister heeft bij het vaststellen van de Woonhuisregeling dus een grote mate van beslissingsruimte. Dit geeft uitdrukking aan het feit dat aan het verstrekken van een subsidie als deze bij uitstek een politiek-bestuurlijke afweging ten grondslag ligt. Er zijn verder geen betrokken belangen die aanleiding zijn voor een indringende toetsing van het beleid. [8]
9.2.
Met ingang van 1 januari 2019 is voor natuurlijke personen de fiscale aftrek van uitgaven voor rijksmonumenten vervallen. Omdat monumentenonderhoud onverminderd van belang is en om dit onderhoud te blijven ondersteunen, is de Woonhuisregeling vastgesteld. Op grond van deze regeling kan subsidie worden aangevraagd door particuliere eigenaren van rijksmonumenten met een woonfunctie. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belangenafweging die aan de doelgroepbepaling ten grondslag ligt onredelijk is.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen van de erven van [eiser 1] en van [eiser 1] zijn niet-ontvankelijk. Het beroep van [eiser 2] tegen bestreden besluit I is ook niet-ontvankelijk. Het beroep tegen bestreden besluit II is ongegrond. Dat betekent dat het subsidiebedrag dat de minister in dit besluit heeft toegekend, in stand blijft.
10.1.
De minister moet wel het griffierecht aan [eiser 2] vergoeden. Dit, omdat de minister naar aanleiding van het beroepschrift van [eiser 2] bestreden besluit I heeft vervangen met bestreden besluit II. [eiser 2] krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt [eiser 2] een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep van de erven van [eiser 1] niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van [eiser 1] niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van [eiser 2] tegen bestreden besluit I niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van [eiser 2] tegen bestreden besluit II ongegrond;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 385,- aan [eiser 2] moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eiser 2] .
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 8:64, vijfde lid, van de Awb maakt dit mogelijk.
3.Zie artikel 8:1 van Pro de Awb.
4.Degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken, is belanghebbende.
5.Zie artikel 4:51, van de Awb en Kamerstukken 23700, 3, p. 80.
6.Zie artikel 3:4 van Pro de Awb.
7.Kamerstuk 34556, nr. 6.
8.Zie RvS 6 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3398.