Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3051

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/13/784250 / HA RK 26-68
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 RvArt. 39 lid 5 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. M.E.M. James-Pater, handelsrechter, naar aanleiding van uitlatingen en gedragingen tijdens een mondelinge behandeling op 18 februari 2026. Het verzoek werd ingediend op 3 maart 2026, bijna twee weken na de zitting.

De Wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, omdat volgens artikel 37 lid 1 Rv Pro een wrakingsverzoek onmiddellijk na het bekend worden van de feiten moet worden gedaan, met slechts een korte beraadtermijn toegestaan. Verzoekers gaven geen reden voor de vertraging.

Daarom werd het wrakingsverzoek kennelijk niet-ontvankelijk verklaard en werd een mondelinge behandeling achterwege gelaten. Tegen deze beslissing is geen voorziening mogelijk volgens artikel 39 lid 5 Rv Pro.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 3 maart 2026 ingekomen verzoek tot wraking en onder zaaknummer C/13/784250 / HA RK 26-68 ingeschreven van:

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,verzoekers,

wonende te [woonplaats] ,
gemachtigde mr. C. Ravesteijn,
welk verzoek strekt tot wraking van mr. M.E.M. James-Pater, handelsrechter, hierna: de rechter.

Verloop van de procedure

De Wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:
  • het wrakingsverzoek van 3 maart 2026;
  • de schriftelijke reactie van de rechter ingekomen op 3 maart 2026.
De secretaris van de Wrakingskamer heeft deze reactie op 4 maart 2026 doorgezonden aan mr. Ravesteijn met het verzoek uiterlijk 11 maart 2026 te reageren en daarbij met name in te gaan op het aspect van de ontvankelijkheid. Van mr. Ravesteijn is niets vernomen.
De rechter heeft niet berust in het wrakingsverzoek.

1. De ontvankelijkheid van het verzoek

1.1.
Verzoekers zijn eisende partij in conventie, gedaagde partij in reconventie in een zaak die bij de rechter in behandeling is met zaaknummer C/13/771079 / HA ZA 25/1185. Op 18 februari 2026 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden.
1.2.
Ingevolge artikel 37, eerste lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dient een verzoek tot wraking te worden gedaan zodra de feiten of omstandigheden die grond geven voor de wraking aan de verzoek(st)er bekend zijn geworden. Het is vaste jurisprudentie dat de zinsnede “zodra de feiten en omstandigheden bekend zijn” betekent dat een wrakingsverzoek moet worden gedaan onmiddellijk nadat de feitelijke grond tot wraking bekend is geworden, waarbij een korte tijd voor beraad acceptabel is.
1.3.
De Wrakingskamer is van oordeel dat het wrakingsverzoek te laat is gedaan, omdat het ziet op uitlatingen en gedragingen van de rechter op de zitting van 18 februari 2026 en van verzoekers bovendien geen toelichting is ontvangen waarom het wrakingsverzoek pas bijna twee weken na afloop van de mondelinge behandeling is ingediend. Deze termijnoverschrijding is dan ook niet verschoonbaar.
1.4.
Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Een mondelinge behandeling kan achterwege blijven.
1.5.
Op grond van het voorgaande wordt beslist als volgt.

BESLISSING

De rechtbank:
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in het wrakingsverzoek.
Aldus gegeven door mrs. P.B. Martens, voorzitter, en N.C.H. Blankevoort en I.M. Bilderbeek, leden, en uitgesproken op 12 maart 2026.
Tegen deze beslissing staat op grond van het bepaalde in artikel 39 lid 5 Rv Pro geen voorziening open.