Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:3038

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
C/13/750657 / HA ZA 24-519
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 130 lid 1 RvArt. 4 lid 1 Rome IIArt. 4 lid 2 Rome IArt. 4 lid 3 Rome IILimitation Act 1980
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van schadevordering wegens niet of beschadigd retourneren van kunstwerken onder Engels recht

In deze civiele zaak tussen Vilma Gold Ltd en Lila B.V. staat de totaalafrekening van hun samenwerking centraal, waarbij partijen het oneens zijn over de hoogte van de gemaakte kosten die in mindering moeten worden gebracht op de verkoopopbrengst. De rechtbank heeft partijen opdracht gegeven hun kosten nader te onderbouwen en te reageren op elkaars standpunten.

Daarnaast is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is op de vordering van Lila tot schadevergoeding wegens het niet of beschadigd retourneren van twee kunstwerken van een kunstenaar, waarvan Lila de vordering door cessie heeft verkregen. De rechtbank stelt vast dat op deze vordering Engels recht van toepassing is, omdat de kenmerkende prestatie van de consignatieovereenkomst door Vilma in Engeland wordt verricht.

De rechtbank beoordeelt vervolgens de verjaring van de vordering aan de hand van de Limitation Act 1980. Zij oordeelt dat de vordering verjaard is, omdat de verjaringstermijn van zes jaar vanaf het schadeveroorzakende moment in 2018 is verstreken en er geen geldige stuitingshandeling is verricht. De vorderingen van Lila worden daarom afgewezen. Verdere beslissingen worden aangehouden totdat partijen hun kosten nader hebben onderbouwd.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens niet of beschadigd retourneren van kunstwerken is verjaard en wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/750657 / HA ZA 24-519
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
VILMA GOLD LTD,
gevestigd in Londen (Groot-Brittannië),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
advocaat: mr. J.J. Dijkman,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
LILA B.V.,
gevestigd in Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.
Partijen worden hierna Vilma en Lila genoemd.

1.De zaak in het kort

1.1.
Dit vonnis is een vervolg op het tussenvonnis van 5 december 2025 (hierna: het eerste tussenvonnis). Het gaat nog over twee vragen. De eerste vraag is wat partijen over en weer in het kader van de totaalafrekening van elkaar te vorderen hebben. De rechtbank heeft in het eerste tussenvonnis Lila in de gelegenheid gesteld de door haar gemaakte kosten te onderbouwen, de onderbouwing die Vilma voor haar vorderingen heeft gegeven te overleggen en daar een standpunt over in te nemen. Vilma is in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. De rechtbank ziet in de reacties van partijen aanleiding om Vilma in dit tweede tussenvonnis de opdracht te geven zelf haar kosten te onderbouwen. Vervolgens krijgt Lila de gelegenheid om hierop te reageren.
1.2.
De tweede vraag is welk recht van toepassing is op de (gecedeerde) vordering tot betaling van een schadevergoeding van Lila op Vilma voor het niet of beschadigd retourneren van twee kunstwerken van [naam] (hierna: [naam] ), en welke gevolgen dit heeft. Partijen hebben hierover naar aanleiding van het eerste tussenvonnis uiteenlopende standpunten ingenomen, waarbij Vilma zich heeft beroepen op verjaring. De rechtbank oordeelt dat op deze vordering Engels recht van toepassing is en dat de vordering naar Engels recht is verjaard. Verdere beslissingen worden nu nog niet genomen.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 5 november 2025 en de daarin genoemde stukken, [1]
  • de akte toelichting kosten en toepasselijk recht tevens akte vermeerdering van eis van Lila, met producties,
  • de akte na tussenvonnis, tevens antwoord akte en vermeerdering van eis van Vilma, met een productie,
  • de akte uitlating productie van Lila.

3.De verdere beoordeling van de vorderingen van Lila (in reconventie)

3.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank bepaald dat zij zal beslissen hoe tussen partijen moet worden afgerekend in het kader van de totaalafrekening. Om een inhoudelijke beslissing te kunnen geven, hebben partijen de opdracht gekregen om meer informatie over de door hun gemaakte kosten in het kader van de samenwerking over en weer aan te leveren.
Daarnaast zijn partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over:
  • welk recht van toepassing is op de vordering van Lila tot betaling van een schadevergoeding voor het niet of beschadigd retourneren van twee kunstwerken van [naam] en waarom,
  • als buitenlands recht op deze vordering van toepassing is, waar de toepassing van dit specifieke buitenlands recht toe leidt en waarom.
3.2.
Partijen hebben zich hierover in hun aktes na het eerste tussenvonnis uitgelaten.
De eiswijziging van Lila
3.3.
Lila heeft na berekening van de kosten van Vilma haar eis gewijzigd (vermeerderd) op de onderdelen I en III zoals opgenomen in het eerste tussenvonnis. Zij vordert nu onder I dat Vilma wordt veroordeeld tot betaling van € 24.237,47, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 april 2023, en onder III, voor zover Lila niet de mogelijkheid heeft haar vordering te verrekenen met het door Vilma aan Lila verschuldigde bedrag, dat Vilma wordt veroordeeld tot betaling van € 75.103,94.
3.4.
Vilma heeft bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging. Zij voert aan dat Lila hiermee op een laat moment in de procedure de inzet van het debat wijzigt, terwijl de rechtbank in het eerste tussenvonnis juist heeft gestuurd op afbakening en afwikkeling.
3.5.
De rechtbank staat de eiswijziging toe. Uit artikel 130 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering volgt dat zolang een rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen de eiser bevoegd is zijn eis of gronden daarvan schriftelijk, bij conclusie of akte, te veranderen of te vermeerderen. De gedaagde is bevoegd hiertegen bezwaar te maken, op grond dat de verandering of vermeerdering in strijd is met de eisen van de goede procesorde. De rechter kan op dezelfde grond ook ambtshalve een verandering of vermeerdering van eis buiten beschouwing laten. De eiswijziging is in dit geval na de mondelinge behandeling, maar vóór het eindvonnis gedaan. De rechtbank ziet in de eiswijziging zelf en/of het moment ervan geen strijd met de goede procesorde. Een afronding van de procedure is nog niet in zicht, bovendien borduurt de eiswijziging voort op eerder ingenomen standpunten over gemaakte winst en aftrekbare kosten en berust de wijziging dus niet op een heel nieuw feitencomplex.
3.6.
De rechtbank vindt dat Vilma voldoende mogelijkheid heeft gehad om op de eiswijziging te reageren, omdat zij op de standpunten van Lila die zij ten grondslag legt aan de eiswijziging in haar akte al heeft gereageerd.
Totaalafrekening
3.7.
Partijen zijn het erover eens dat de verkoopopbrengst van de samenwerking € 86.926,53 is, welk bedrag tussen partijen 50/50 moet worden gedeeld en dat Vilma in beginsel dus nog recht heeft op € 43.463,27. Partijen zijn het niet eens over de hoogte van de gemaakte kosten over en weer die in het kader van de totaalafrekening van de opbrengst moet worden afgetrokken. Voor deze kosten geldt dat de partij die zich op de gemaakte kosten beroept, feiten moet aandragen en bij voldoende betwisting moet onderbouwen, waaruit blijkt dat die kosten zijn gemaakt en dat die kosten zijn gemaakt in het kader van de samenwerking tussen partijen. Partijen dragen dus elk de bewijslast van de eigen gemaakte kosten.
3.8.
Lila heeft in het tussenvonnis de opdracht gekregen om haar kosten op een specifieke manier te onderbouwen en heeft daartoe ook diverse stukken overgelegd. Lila is daarbij ook verzocht de eerder gegeven onderbouwing van Vilma te overleggen. Lila heeft gezegd daarover niet te beschikken en die onderbouwing dus ook niet te kunnen overleggen. Vilma heeft dit bestreden en aangeboden haar volledige administratie te overleggen, zoals zij die eerder aan Lila heeft overgelegd. De rechtbank ziet in deze gang van zaken aanleiding om ook Vilma een specifieke opdracht te geven.
- Vilma wordt uitdrukkelijk verzocht
niethaar volledige administratie te overleggen, maar wel – conform de eerdere instructies aan Lila in het eerste tussenvonnis – binnen vier weken na vandaag één overzicht in excel met de door haar gemaakte kosten (gespecificeerd en het totaalbedrag) aan te leveren. Per kostenpost moet worden opgenomen:
o De datum van de kosten
o De omschrijving van de kosten
o Het bedrag van de kosten
o De verwijzing naar de (genummerde) onderliggende productie waar de kosten uit blijken.
De producties waar de kosten uit blijken moeten ook worden overgelegd. Zo nodig kan in een begeleidend schrijven een toelichting worden gegeven op het overzicht.
- Lila wordt vervolgens verzocht binnen vier weken
in het door Vilma gemaakte overzicht en volgens datzelfde formataan te geven welke posten worden erkend, welke deels worden erkend en welke worden betwist. Zo nodig kan in een begeleidend schrijven een toelichting worden gegeven op het aangepaste overzicht.
3.9.
De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om Lila opnieuw in de gelegenheid te stellen bewijsstukken te overleggen voor de kosten die zij heeft opgevoerd.
3.10.
Voordat genoemde stukken zijn ontvangen ziet de rechtbank geen aanleiding voor een tweede mondelinge behandeling.
De vordering tot schadevergoeding
Toepasselijk recht
3.11.
Lila beroept zich in dit verband op een vordering van [naam] op Vilma die Lila door cessie overgedragen heeft gekregen van [naam] . Het gaat om een schadevergoeding voor het niet of beschadigd retourneren van twee kunstwerken: [kunstwerk 1] (hierna: [kunstwerk 1] ) en [kunstwerk 2] (hierna: [kunstwerk 2] ). Vilma betwist dat sprake is van een toewijsbare vordering, maar niet dat Lila de vordering van [naam] op Vilma overgedragen heeft gekregen.
3.12.
In het eerste tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat voor het toepasselijk recht in het geval van cessie (overdracht van een vordering) moet worden gekeken naar welk recht van toepassing is op de gecedeerde vordering. Partijen zijn het niet eens over welk recht dat is.
3.13.
Lila stelt dat zowel op grond van Rome I als Rome II Engels recht van toepassing is. Tussen [naam] en Vilma was namelijk sprake was van een (mondelinge) consignatieovereenkomst. Het (onbeschadigd) teruggeven van de kunstwerken is een daaruit voortvloeiende verbintenis. Omdat de kenmerkende prestatie van die overeenkomst wordt verricht door Vilma en Vilma is gevestigd in Engeland is op grond van artikel 4 lid 2 Rome Pro I Engels recht van toepassing. Voor de toepasselijkheid van Rome II stelt Lila dat het niet of beschadigd retourneren van de kunstwerken een inbreuk op het eigendomsrecht van [naam] oplevert en daarmee onrechtmatig is. Op grond van artikel 4 lid 3 Rome Pro II is dan Engels recht van toepassing, omdat de onrechtmatige daad nauw samenhangt met de consignatieovereenkomst die wordt beheerst door Engels recht, zodat er een kennelijk nauwere band is met Engeland.
3.14.
Vilma voert aan dat op grond van Rome II Amerikaans recht van toepassing is. De grondslag van de vordering is onrechtmatige daad, zoals Lila dit zelf bij de mondelinge behandeling heeft bevestigd. Lila kan dit niet later ‘ombuigen’ naar een contractuele aansprakelijkheid. De door Lila gestelde schade heeft zich in de Verenigde Staten voorgedaan, zodat op grond van artikel 4 lid 1 Rome Pro II het Amerikaans recht, meer specifiek het recht van Californië, van toepassing is. Vilma betwist dat er een nauwere band is met Engeland.
3.15.
Als de rechtsverhouding van partijen een internationaal element kent, moet de rechter aan de hand van de grondslagen van de vordering de rechtsverhouding tussen partijen kwalificeren. Dit gebeurt aan de hand van de stellingen van eiser over de grondslag van zijn vordering. Een eventuele betwisting van die stellingen betrekt de rechter bij het oordeel. De rechter is niet gebonden aan de kwalificatie die partijen aan hun rechtsverhouding geven, tenzij de eisende partij de feitelijke en juridische grondslag van de vordering uitdrukkelijk zodanig heeft begrensd, dat er geen ruimte resteert om de rechtsverhouding van partijen anders te kwalificeren dan partijen voorstaan. [2]
3.16.
De rechtbank constateert dat Lila haar vordering op meerdere grondslagen baseert; zij heeft zich zowel op het niet (goed) nakomen van een overeenkomst als op onrechtmatige daad beroepen. De rechtbank stelt vast dat [naam] en Vilma een consignatie-overeenkomst hebben gesloten. Voor zover Vilma werken van [naam] onder zich heeft (gehad) die niet expliciet in de overeenkomst staan, gaat de rechtbank ervan uit dat het houden van die werken op dezelfde rechtsverhouding gebaseerd is. Er is dus in elk geval sprake van een contractuele verbintenis tussen die partijen die verband houdt met de vordering. Daarom neemt de rechtbank dat als vertrekpunt bij het vaststellen van het toepasselijk recht.
3.17.
Het toepasselijk recht moet in dat geval worden bepaald aan de hand van Rome I. Omdat [naam] en Vilma geen rechtskeuze hebben gemaakt in die overeenkomst, wordt het toepasselijk recht bepaald aan de hand van de objectieve verwijzingsregels van artikel 4 Rome Pro I.
3.18.
Omdat geen sprake is van een in het eerste lid van artikel 4 Rome Pro I genoemde overeenkomst, moet het toepasselijk recht worden bepaald aan de hand van artikel 4 lid 2 Rome Pro I. Hieruit volgt dat het recht van toepassing is van het land waar de partij die de kenmerkende prestatie van de overeenkomst moet verrichten haar gewone verblijfplaats heeft. In dit geval bestaat de kenmerkende prestatie uit het bewaren en verkopen van de in consignatie gegeven kunstwerken, door Vilma. Dat betekent dat de woonplaats van Vilma bepalend is voor het toepasselijk recht. Omdat Vilma gevestigd is in Engeland is Engels recht op de gestelde overeenkomst van toepassing. Dat betekent dat de gecedeerde vordering moet worden beoordeeld aan de hand van Engels recht.
De (gecedeerde) vordering van Lila is verjaard
3.19.
Partijen hebben zich uitgelaten over hoe de vordering naar Engels recht moet worden beoordeeld.
3.20.
Het meest verstrekkende verweer van Vilma is dat de (gecedeerde) vordering van Lila naar Engels recht is verjaard. Lila betwist dit en voert aan dat de verjaringstermijn is verlengd. Beide partijen beroepen zich op de Limitation Act 1980. De rechtbank oordeelt dat het beroep van Vilma op verjaring slaagt.
3.21.
In dit geval is de Limitation Act 1980 van toepassing. Daaruit volgt dat voor zowel een vordering op grond van een onrechtmatige daad (artikel 2) als een vordering op grond van een overeenkomst (artikel 5) een algemene verjaringstermijn geldt van zes jaar vanaf het moment dat de oorzaak van de vordering is ontstaan. In artikel 14A staat voor een vordering tot schadevergoeding wegens nalatigheid (waaronder onzorgvuldigheid, waar Lila zich op heeft beroepen) een specifieke verjaringstermijn.
3.22.
De strekking van artikel 14A, toegepast op deze zaak, is dat ook hier in beginsel een verjaringstermijn van zes jaar geldt, die start vanaf het moment van de schadeveroorzakende gedraging. Als de benadeelde pas later op de hoogte raakt van de schade of bevoegd wordt een vordering in te stellen, kan ook een verjaringstermijn van drie jaar gelden vanaf die wetenschap/bevoegdheid. Maar daarvan is alleen sprake als die drie jaar later eindigt dan de eerder genoemde zesjaarstermijn en daardoor dus gunstiger uitpakt voor de benadeelde.
3.23.
In dit geval is de zesjaarstermijn van toepassing. Die termijn begint namelijk in 2018 omdat volgens Lila Vilma toen de kunstwerken (onbeschadigd) aan [naam] had moeten teruggegeven, maar Vilma dat niet heeft gedaan. De zesjaarstermijn verstrijkt dus in 2024. Drie jaar vanaf het moment van wetenschap verloopt eerder en is dus minder gunstig voor [naam] /Lila. Want, zelfs als [naam] zich pas op 6 oktober 2018 voor het eerst zou hebben gerealiseerd dat Vilma een aantal kunstwerken is kwijtgeraakt en zij dus toen pas op de hoogte is geraakt van de vordering (zoals Lila heeft aangevoerd), dan verloopt de driejaarstermijn op 6 oktober 2021.
3.24.
Volgens Lila wordt de verjaringstermijn verlengd op grond van artikel 14 en Pro artikel 14B van de Limitation Act 1980. De rechtbank volgt haar hierin niet. Artikel 14 gaat Pro alleen over vorderingen zoals bedoeld in artikel 11 tot Pro en met 12. Lila heeft niet onderbouwd waarom daar in dit geval sprake van is en de rechtbank is daar ook zelf niet van gebleken. Ook artikel 14B is niet van toepassing. Daarin wordt geen specifieke verjaringstermijn gegeven zoals in 14A, maar een uiterste datum dat de vordering – voor zover die nog niet eerder is verjaard – hoe dan ook verjaart, namelijk vijftien jaar na het schadeveroorzakend handelen, ongeacht wanneer de benadeelde wetenschap/bevoegdheid heeft gekregen.
3.25.
De rechtbank oordeelt dus op basis van artikel 14A van de Limitation Act 1980 dat op de vordering een verjaringstermijn van zes jaar van toepassing is. Die verjaringstermijn gaat lopen vanaf de schadeveroorzakende gedraging door Vilma. Volgens Lila is dat het beschadigd teruggeven van [kunstwerk 2] en het niet teruggeven van [kunstwerk 1] . De rechtbank stelt dat moment vast op 24 mei 2018. Op die datum heeft [naam] namelijk per e-mail aan Vilma laten weten dat [kunstwerk 2] tijdens het transport is beschadigd en dat nog een aantal kunstwerken niet zijn teruggevonden, waaronder [kunstwerk 1] . De rechtbank volgt Lila niet in de stelling dat de verjaringstermijn op 6 oktober 2018 is gestart. Dat [naam] er pas later achter kwam dat Vilma een aantal kunstwerken was kwijtgeraakt en Vilma daar op die datum een e-mail over stuurde, zegt mogelijk iets over het moment van wetenschap van [naam] , maar niet over het moment van de schadeveroorzakende gedraging. Dat laatste is voor de start van de zesjaarstermijn bepalend.
3.26.
Het voorgaande betekent dat de vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 14A van de Limitation Act 1980 zes jaar na 24 mei 2018, dus na 24 mei 2024 is verjaard. Partijen zijn het erover eens dat Lila haar vordering op 7 augustus 2024 bij conclusie van antwoord in reconventie heeft ingesteld. Dat is dus na het verstrijken van de verjaringstermijn. Van enige naar Engels recht geldige stuitingshandeling of andere handelingen waardoor de verjaringstermijn zou zijn verlengd is de rechtbank niet gebleken. De vorderingen II en IV van Lila zijn dus verjaard en worden daarom afgewezen. De andere stellingen en standpunten van partijen hoeven daarom niet meer te worden besproken.
Verdere beslissingen
3.27.
De rechtbank neemt nu nog geen verdere beslissingen in de zaak.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 15 april 2026voor het nemen van een akte door Vilma om zich uit te laten over wat hiervoor in 3.8 is genoemd,
4.2.
bepaalt dat de zaak daarna op de rol zal komen van
woensdag 13 mei 2026voor antwoordakte Lila,
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Huber, rechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.J. Scheijde, rechter, op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam 5 november 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:8531.
2.Vergelijk in verband met het vaststellen van rechtsmacht Hoge Raad 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694 overweging 4.2.3.