Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.MAMMAE MIA B.V.,
2.
DE KLEINE AMSTERDAMMER B.V.,
1.De procedure
2.De feiten
Relatiebeding: Leverancier[de rechtbank leest: de Uitleenbureaus]
mag geen personeel werven van OLVG en andersom mag OLVG geen personeel werven van Leverancier.”
(..) We willen graag de overeenkomst opnieuw bekijken en up-to-date maken, in de breedste zin van het woord. We hebben namelijk gister te horen gekregen dat het takenpakket/werkzaamheden van de kraamverzorgenden er anders uit gaan zien na de lateralisatie en dit heeft verschillende consequenties voor onze organisaties, zowel financieel als personeelsgerelateerd. (..)”
OLVG, elke dag Beter’, gericht op structurele kostenverlaging en efficiëntieverbetering. Voor 2024 moest ongeveer 4,5 miljoen euro bespaard worden en voor 2025 bedroeg de doelstelling 10 miljoen euro. [2]
In voorbereiding op de onderhandelingen reageren wij met deze brief op jullie bericht van 15 oktober 2024 en verduidelijken wij onze aanvullende eisen ten aanzien van de overeenkomst. De situatie binnen OLVG en ontwikkelingen bij de zorgverzekeraar dwingen ons af te wijken van een overeenkomst voor onbepaalde tijd. Voor beide partijen is het wenselijk ruimte te creëren om zich voor te bereiden op veranderende marktomstandigheden. (..)”
- geen inspanningsverbintenis voor de Uitleenbureaus, maar een leveringsplicht, te weten een garantie op de daadwerkelijke levering op de overeengekomen uren en een boete als dit niet wordt gehaald;
- geen 100% van het geldende Nza-tarief, maar 90% (in lijn met de ziekenhuisbrede opgelegde focus op kostenvermindering);
- niet langer een concurrentiebeding; omdat de Uitleenbureaus in september 2024 slechts 75% van de benodigde kraamzorguren hebben kunnen leveren, kon OLVG haar productieafspraken met de zorgverzekeraar (waarop de eigen exploitatie is gebaseerd) niet nakomen, “
- het (wel) mogen uitlenen of detacheren van de kraamverzorgenden voor taken buiten de standaard moeder/kind-zorg;
- een gewijzigde looptijd van de overeenkomst, te weten een overeenkomst voor de duur van zes maanden zonder opzegtermijn of een contract voor de duur van twaalf maanden met een opzegtermijn van drie maanden. “
Hierbij ons tegenvoorstel (..)
- Contract voor bepaalde tijd voor 12 maanden met een opzegtermijn van 3 maanden per opzegdatum.
- Er blijft sprake van een inspanningsplicht (..)
- Bekostiging: (..) De Kleine Amsterdammer en Mammae Mia bieden levering aan tegen: 90% NzA voor dagdiensten op doordeweekse dagen (zijnde geen feestdag), avond- en nachtdiensten alsmede dagdiensten in het weekend en/of op een feestdag 110% NZa. De Kraamvogel biedt levering aan tegen 100% NzA voor een dienst, ongeacht tijdstip of dag.
- Concurrentiebeding: gedurende de looptijd van de overeenkomst mag personeel in loondienst bij de kraambureaus niet actief benaderd/geworven worden door (medewerkers van) het OLVG. Personeel in loondienst bij de kraambureaus welke er zelf voor kiezen om bij het OLVG in loondienst te gaan worden op basis van contractomvang in mindering gebracht op het overeengekomen aantal te leveren diensten. (..)”
Ik vat hier de afspraken zoals gemaakt zijn afgelopen donderdag kort samen. Zoals afgesproken sturen jullie ons omgaand dan de uren waarop jullie de inspanningsverplichting kunnen doen. (..)
- Een contract voor bepaalde tijd van 12 maanden, met een opzegtermijn van 3 maanden per opzegdatum.
- Een inspanningsverplichting voor de geoffreerde uren, te leveren tegen het NZA-maximale tarief.
- OLVG zal proberen de niet-geleverde uren in te vullen met personeel in loondienst, waarbij zij zich onthoudt van actieve werving onder de gecontracteerde kraamzorgorganisaties.
- Voordat er gebruik wordt gemaakt van de opzegtermijn, vindt er eerst overleg plaats tussen beide partijen om elkaars belangen te bespreken.
4.Kwaliteit, transparantie en leveringscondities
(..)
Het OLVG is gerechtigd na 2.000 gewerkte uren een werknemer die vanuit dit contract is ingezet kosteloos in dienst te nemen.
Als OLVG de medewerker in dienst wil nemen voordat deze 2.000 uren gewerkt heeft, is een fee verschuldigd aan de kraamzorgorganisatie waar deze medewerker in dienst is.
Deze fee is 25% van het jaarsalaris incl. emolumenten en wordt berekend naar rato over deze 2.000 uur. Bij 1.000 uur is deze fee dus 50% van 25% van het jaarsalaris incl. emolumenten.
11.Overige bepalingen
Beëindiging lopende raamovereenkomst per 01-07-2025” heeft OLVG, voor zover hier van belang, het volgende aan de Uitleenbureaus bericht:
(..)
- dat zij heeft bemerkt dat er ontevredenheid heerst onder de medewerkers over de Uitleenbureaus en een aantal van de medewerkers van de Uitleenbureaus aan OLVG heeft gevraagd of er mogelijkheden zijn om bij OLVG in loondienst te komen;
- dat zij heeft besloten om kraamverzorgenden in loondienst te gaan nemen: “(..)
- dat zij met het opzeggen van de Overeenkomst de kraamzorg volledig in eigen hand kan nemen waarmee zij 100% van de benodigde diensten opgevuld krijgt en meer kraamverzorgenden kan behouden, maar dat daartegen pleit dat zij dan afscheid moet nemen van de Uitzendbureaus waar zij een goede relatie mee heeft opgebouwd en waar zij in de toekomst mogelijk nog mee wil samenwerken;
- dat het actief werven van kraamverzorgenden door OLVG vóór 1 april 2025, als de Overeenkomst dan nog niet is opgezegd, het volgende betekent: (..)
- dat zij benadrukt dat zij, als zij per 1 april 2025 overgaat tot opzegging van de Overeenkomst, dit zorgvuldig en met inachtneming van de lopende dienstverlening zal uitvoeren;
- dat de Uitzendbureaus naar aanleiding van deze brief worden uitgenodigd voor een nader overleg.
3.Het geschil
entire agreement clause.Voor zover wel acht op eerdere afspraken moet worden geslagen, geldt dat in de Oude Overeenkomst en de daarop gevolgde Addenda wél een expliciet overeengekomen tussentijdse opzegmogelijkheid was overeengekomen. Als partijen die mogelijkheid hadden willen handhaven, hadden ze in de Overeenkomst wel aansluiting bij de bewoordingen van de eerdere overeenkomsten gezocht. Gelet op de bewoordingen van het huidige artikel 2.2 is tussentijdse opzegging dus niet mogelijk, aldus MM en DKA.
4.De beoordeling
met inachtneming van een termijn van drie maanden, of zoveel langer als de zorgcontinuïteit geborgd dient te blijven” (artikel 2.2); opzegging kan dus zolang genoemde opzegtermijn in acht wordt genomen. Voor de stelling van MM en DKA dat met artikel 2.2. slechts zou zijn beoogd te regelen hoe een stilzwijgende verlenging voorkomen kan worden (namelijk door drie maanden voor het einde van de Overeenkomst op te zeggen), biedt de Overeenkomst geen aanknopingspunten. Dat dat laatste de bedoeling zou zijn geweest van partijen sluit ook niet aan bij de correspondentie die aan het sluiten van de Overeenkomst vooraf is gegaan. In die e-mails wordt immers steevast gesproken van een opzegtermijn van drie maanden “per opzegdatum” en niet van een uiterste aanzegdatum. Ook kan uit diezelfde e-mailcorrespondentie worden afgeleid dat partijen destijds hebben onderhandeld over de looptijd van de Overeenkomst, de daarin opgenomen opzegtermijn, het concurrentiebeding en de te ontvangen vergoeding voor de door MM en DKA geleverde diensten. De Overeenkomst was in wezen een compromis tussen enerzijds de wens van OLVG om haar volledige capaciteit te kunnen benutten en anderzijds de wens van MM en DKA om op basis van een inspanningsverplichting aan OLVG te kunnen blijven leveren tegen betaling van een hogere vergoeding. Tijdens die onderhandelingen hebben MM en DKA welbewust gekozen voor een overeenkomst voor de duur van twaalf maanden met een opzegtermijn van drie maanden, in plaats van een overeenkomst van zes maanden zonder opzegtermijn. Gezien het voorgaande hebben MM en DKA hun stelling dat artikel 2.2 moet worden uitgelegd op de door hen voorgestane wijze, onvoldoende onderbouwd (en wordt aan het – overigens algemeen ingestoken – bewijsaanbod van MM en DKA op dit punt niet toegekomen).
entire agreement clause(artikel 11.1) hebben opgenomen, maakt het voorgaande niet anders. Een dergelijke clausule beoogt meestal te bewerkstelligen dat partijen niet zijn gebonden aan eerdere op de overeenkomst betrekking hebbende afspraken die daarmee in strijd zijn, indien die afspraken niet in de overeenkomst zijn opgenomen en de overeenkomst evenmin daarnaar verwijst. De clausule staat er echter niet zonder meer aan in de weg dat voor de uitleg van de in de overeenkomst vervatte bepalingen betekenis wordt toegekend aan verklaringen die zijn afgelegd dan wel gedragingen die zijn verricht, in het stadium voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst. [3] In dit geval bestaat geen aanleiding de correspondentie die tot het sluiten van de Overeenkomst, zijnde het resultaat van de in de e-mail van 18 november 2024 vervatte afspraken, bij de uitleg van artikel 2.2 buiten beschouwing te laten.
opzeggen, omdat ook op andere manieren kon worden bewerkstelligd dat OLVG de ruimte kreeg om zich voor te bereiden op de veranderende marktomstandigheden, maar uit de correspondentie tussen partijen kan juist worden afgeleid dat dit precies is wat OLVG heeft gedaan. Ze heeft andere oplossingen aan MM en DKA voorgelegd en dit heeft geresulteerd in het compromis: een overeenkomst van twaalf maanden mét een opzegtermijn en een inspanningsverplichting voor MM en DKA tegen een hogere vergoeding. OLVG stelt terecht dat de inschatting van MM en DKA dat OLVG uiteindelijk nooit daadwerkelijk tussentijds zou opzeggen, omdat zij dan over onvoldoende kraamverzorgenden zou beschikken, voor hun rekening en risico moet komen. Dit te meer, omdat ook voor MM en DKA duidelijk moest zijn dat OLVG anders zou gaan opereren dan voorheen: OLVG ging immers vacatures openstellen om zelf kraamverzorgenden in dienst te kunnen nemen en heeft dit ook aan MM en DKA kenbaar gemaakt. Voor wat betreft de stelling van MM en DKA dat zij financieel gezien in grote mate afhankelijk waren van de samenwerking met OLVG en dat dit voor OLVG kenbaar was, zodat opzegging om die reden onaanvaardbaar zou zijn, geldt dat OLVG deze stelling heeft betwist. OLVG heeft aangevoerd dat de samenwerking met OLVG maximaal een zesde van de omzet van MM en DKA opleverde. MM en DKA hebben dit niet weersproken. Daarmee is dus niet komen vast te staan dat van een grote mate van financiële afhankelijkheid sprake was. Tot slot hebben MM en DKA nog gewezen op de (onaanvaardbare) timing van de opzegging. Zij hebben naar voren gebracht dat OLVG haar wens om op te zeggen én kraamverzorgenden van MM en DKA te willen aannemen rond de zomerperiode heeft geuit, terwijl MM en DKA juist in die periode te maken hebben met beperkte inzetbaarheid van de kraamverzorgenden. Daarmee miskennen MM en DKA echter dat OLVG de Overeenkomst op grond van de opzeggingsregeling op ieder moment kon opzeggen (uiteraard wel met in achtneming van de opzegtermijn). Daarnaast heeft OLVG al voortijdig aan MM en DKA medegedeeld dat zij voornemens was de Overeenkomst te beëindigen. MM en DKA hadden zich daar dus op kunnen voorbereiden. Het voorgaande maakt dat de door MM en DKA aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn voor het oordeel dat OLVG zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op overeengekomen opzeggingsmogelijkheid had mogen beroepen.
Mocht een werknemer van de kraamorganisaties toch in dienst genomen worden door OLVG” impliceren juist dat die mogelijkheid er wél was. Die lezing vindt bevestiging in de mailwisseling tussen partijen voorafgaand aan de Overeenkomst. Daaruit valt af te leiden dat MM en DKA weliswaar de bedoeling hadden te voorkomen dat OLVG actief onder hun werknemers zou werven, maar niet dat de mogelijkheid voor OLVG om werknemers van MM en DKA (al dan niet op eigen initiatief van die werknemers) in dienst te nemen volledig zou worden uitgesloten. In die mailwisseling spreken MM en DKA immers van “
personeel in loondienst bij de kraambureaus welke er zelf voor kiezen om bij het OLVG in loondienst te gaan”. Het enkel openstellen van vacatures kan daar niet onder worden verstaan. Gezien het voorgaande hebben MM en DKA hun stelling dat artikel 4.5. zo moet worden uitgelegd dat OLVG geen van hun werknemers in dienst mocht nemen, onvoldoende onderbouwd.
onder de Overeenkomstvoor OLVG hebben gewerkt. In dit kader wordt het volgende overwogen.
het OLVG is gerechtigd na 2.000 gewerkte uren een werknemer die vanuit dit contract is ingezet kosteloos in dienst te nemen”. Ter discussie staat of bij de berekening van het aantal door de werknemer voor OLVG gewerkte uren, ook de voor OLVG gewerkte uren voorafgaand aan de Overeenkomst moeten worden betrokken. Volgens OLVG is dit het geval. Zij voert daartoe aan dat het doel van de regeling was dat MM en DKA de voor de overgenomen werknemers gemaakte opleidingskosten konden terugverdienen. Vanuit dat oogpunt is het volgens OLVG dan ook begrijpelijk dat partijen aansluiten bij het aantal uren dat de werknemer gedurende de gehele samenwerking voor OLVG gewerkt heeft. Daarnaast heeft OLVG naar voren gebracht dat het onhaalbaar is om binnen de Overeenkomst – die maximaal een jaar zou duren – 2.000 uren te werken. MM en DKA hebben daartegenover gesteld dat alle werknemers die bij OLVG werden ingezet bij het aangaan van de Overeenkomst al meer dan 2.000 uur voor OLVG als kraamverzorgenden hadden gewerkt. Als de door OLVG voorgestane uitleg zou worden gevolgd, zou dat betekenen dat OLVG al die werknemers al bij het sluiten van de Overeenkomst kosteloos in dienst kon nemen. Dat het mogelijk niet haalbaar was om de urennorm van 2.000 uur binnen één jaar te bereiken, staat volgens MM en DKA niet aan de door hen voorgestane uitleg in de weg, omdat duidelijk was dat partijen, toen de Overeenkomst werd aangegaan, nog aan een voortzetting daarvan dachten. Na voortzetting zou het dan op een goed moment, namelijk na 2.000 uur werkzame uren van de betreffende kraamverzorgende in het OLVG, wél mogelijk zijn deze kosteloos over te nemen, aldus MM en DKA.
onder de Overeenkomst2.000 uur zouden hebben gewerkt. Dat het mogelijk niet haalbaar was om de urennorm van 2.000 uur binnen één jaar te bereiken, maakt het, mede gezien de uitleg die MM en DKA daarbij hebben gegeven, niet anders.
een werknemer die vanuit dit contract is ingezet”. Tussen partijen is niet in geschil dat mevrouw [naam] weliswaar in dienst was bij DKA, maar dat zij gedurende de samenwerking tussen partijen nooit door OLVG is ingeleend. Daarmee valt mevrouw [naam] niet onder de bepaling in artikel 4.5 van de Overeenkomst. OLVG is dus geen overnamefee voor haar verschuldigd.