Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2965

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11873934 CV EXPL 25-12403
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:7 lid 2 BWArt. 6:119 BWRichtlijn 93/13/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling waterfacturen en proceskostenveroordeling tussen Waternet en consument

Waternet vordert betaling van openstaande waterfacturen van een consument voor de periode mei 2021 tot oktober 2024. De consument betwist de hoogte van de facturen vanwege te hoog geschatte meterstanden en stelt dat zij nooit correcte aanmaningen ontving. Waternet erkent dat de meterstanden pas laat zijn doorgegeven en vermindert de vordering met een creditfactuur.

De kantonrechter oordeelt dat op grond van inschrijving in de basisadministratie en eerdere betalingen stilzwijgend een overeenkomst is ontstaan, waardoor de consument verplicht is te betalen. Twee facturen waarvan de gevorderde bedragen afwijken van de factuurbedragen worden afgewezen wegens gebrek aan toelichting.

De vordering wordt verminderd tot €151,54 plus wettelijke rente. De consument wordt veroordeeld in de proceskosten. Financiële onmacht ontslaat niet van de betalingsverplichting, en een betalingsregeling kan alleen met Waternet worden overeengekomen.

Het vonnis is gewezen door kantonrechter M. Wiltjer en op 19 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Consument wordt veroordeeld tot betaling van €151,54 plus wettelijke rente en proceskosten, met afwijzing van twee facturen wegens onduidelijkheid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 11873934 CV EXPL 25-12403
vonnis van: 19 maart 2026
fno.: 480
vonnis van de kantonrechter
I n z a k e
Stichting Waternet
gevestigd te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Waternet,
gemachtigde: H.J. Jansen (gerechtsdeurwaarder),
t e g e n
[gedaagde]
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.Verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 25 augustus 2025, met producties;
  • het schriftelijke antwoord, met bijlages;
  • het tussenvonnis van 10 oktober 2025 waarin is bepaald dat er een mondelinge behandeling zal worden gepland, waarna daarvoor een dag is bepaald.
1.2.
Op 12 februari 2026 heeft Waternet nog een akte uitlating, tevens houdende een vermindering van eis, met producties ingediend ter voorbereiding op de mondelinge behandeling van 17 februari 2026.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 17 februari 2026. Voor Waternet is verschenen mevrouw [naam] namens de gemachtigde. [gedaagde] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Waternet heeft haar standpunten nader toegelicht en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt die in het procesdossier zijn gevoegd.
1.4.
Daarna is de datum van vonnis bepaald.

2.Gronden van de beslissing

Vordering en verweer

2.1.
Waternet vordert bij dagvaarding dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 842,97 aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 25 augustus 2025 tot de algehele voldoening, kosten rechtens.
2.2.
Waternet stelt - kort weergegeven - dat zij krachtens de Drinkwaterwet exclusief belast is met het leveren van drinkwater door de leidingen in de gemeente Amsterdam en in een deel van de provincies Utrecht en Noord-Holland. [gedaagde] is consument. Waternet stelt dat [gedaagde] zich heeft aangemeld bij Waternet voor de levering van drinkwater ten behoeve van het adres [adres] . Waternet heeft deze aanmelding bevestigd en periodiek voorschotbedragen in rekening gebracht voor het verbruik van water en jaarlijks afrekeningen verstuurd. Zij is niet in staat in dit specifieke geval de overeenkomst te overleggen, maar stelt dat er wel al betalingen door gedaagde partij zijn verricht met betrekking tot het huidige woonadres. Waternet legt als bewijs hiervan onder meer een overzicht van betalingen uit haar administratie over, waarop de naam van gedaagde partij te zien is. Waternet vordert betaling van diverse (voorschot)facturen in de periode mei 2021 tot en met oktober 2024. [gedaagde] staat sinds 8 september 2020 bij de basisadministratie ingeschreven op voornoemd adres.
2.3.
[gedaagde] heeft bij het antwoord aangevoerd dat er al jaren is afgerekend aan de hand van te hoog geschatte meterstanden. Dat heeft zij ook meerdere keren gemeld. Pas recent is erkend dat de werkelijke meterstanden lager uitvielen. Er is verder niet correct geïncasseerd. Zij heeft nooit een juiste aanmaning ontvangen. Telkens als [gedaagde] reageerde, werd door Waternet gezegd dat de te hoge schattingen later werden verrekend. Verder is zij gedupeerde van de toeslagenaffaire. De belastingdienst heeft een pauze(knop) ingelast, zodat de belastingen niet direct werden geïnd. Zij wilde gewoon doorbetalen, maar dat kon niet. Nu is de pauze ineens afgelopen en moet zij alle belastingen gaan betalen, zonder dat een betalingsregeling mogelijk is. Ten slotte heeft zij een foto van de watermeter bijgevoegd waaruit de juiste meterstand blijkt. Er is ten onrechte een deurwaarder ingeschakeld. De kosten hiervan wil [gedaagde] niet betalen.
2.4.
Bij akte heeft Waternet aangegeven dat zij niet bekend is met het feit dat [gedaagde] , eerder dan in deze procedure, contact met haar heeft opgenomen over te hoog geschatte meterstanden. Er is pas voor het eerst in september 2025 een meterstand doorgegeven. Het is de verantwoordelijkheid van [gedaagde] zelf om de meterstanden door te geven, anders wordt het waterverbruik inderdaad geschat. Zodra de meterstanden worden doorgegeven wordt een eventueel te hoog ingeschat verbruik verrekend met het daadwerkelijke verbruik. Met de op 17 september 2025 doorgegeven meterstanden is het daadwerkelijke verbruik berekend. Hierdoor is een creditfactuur van € 706,91 ontstaan. Een bedrag van
€ 624,45 is verrekend met de onderhavige vordering (de te hoog ingeschatte jaarrekeningen). Het overige deel van de creditfactuur is verrekend met openstaande facturen die niet bij de gemachtigde Jansen in behandeling waren, te weten twee facturen van € 37,00 en een factuur van € 8,46. In de akte wordt ook vermeld welke facturen op dit moment nog openstaan, te weten facturen voor een totaalbedrag van € 210,06. Waternet vermindert haar vordering tot dit bedrag.
Beoordeling
2.5.
Op grond van artikel 7:7 lid 2 BW Pro ontstaat er voor consumenten geen betalingsverplichting voor het leveren van (in dit geval) drinkwater, indien deze niet om levering heeft gevraagd. De Hoge Raad heeft in haar uitspraak van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1889) onder meer geoordeeld dat dit artikel bij de levering van drinkwater niet zo uitgelegd kan worden dat een consument zonder overeenkomst altijd van zijn betalingsverplichting is bevrijd. Onder bepaalde voorwaarden bestaat de betalingsverplichting wel degelijk ook al is er geen overeenkomst gesloten.
2.6.
Waternet stelt dat [gedaagde] conform het BRP sinds 8 september 2020 staat ingeschreven op het huidige woonadres. Voorts heeft Waternet een overzicht van betalingen uit haar administratie overgelegd waarop de naam van [gedaagde] te zien is. De kantonrechter acht dat, mede gelet op het feit dat [gedaagde] dit ook niet heeft betwist, voldoende om aan te nemen dat [gedaagde] betalingen heeft verricht aan Waternet. Op basis hiervan, in samenhang bezien, wordt afgeleid dat [gedaagde] de levering van drinkwater op het leveradres, wat ook het huidige woonadres is van [gedaagde] , heeft aanvaard, waardoor er stilzwijgend een overeenkomst is ontstaan en [gedaagde] in de periode waarop de onderhavige vordering betrekking heeft, verplicht is voor het geleverde water te betalen.
2.7.
Waternet heeft bij akte en ter zitting gemotiveerd uitgelegd dat [gedaagde] zelf verantwoordelijk is voor het doorgeven van haar meterstanden en dat zij dit voor het eerst op 17 september 2025 heeft gedaan, dus pas nadat de dagvaarding was uitgebracht. [gedaagde] is niet ter zitting verschenen, zodat zij dit niet heeft betwist. De vordering is verminderd met een deel van de creditfactuur. Hierdoor is het te hoog geschatte en in rekening gebrachte verbruik verrekend met het daadwerkelijke verbruik. [gedaagde] heeft deze verrekening, zoals in de akte uitgelegd, ook niet meer betwist, zodat de hoogte van de verminderde hoofdsom in beginsel als uitgangspunt wordt genomen.
2.8.
Ter zitting heeft de kantonrechter met Waternet besproken dat twee facturen die aan de vordering ten grondslag liggen niet overeenkomen met de bedragen zoals die zijn gevorderd. Daarbij gaat het om de facturen van 11 juni 2021 en 12 oktober 2021. Het daarvoor gevorderde bedrag wijkt af van de hoogte van de betreffende factuur. Desgevraagd heeft Waternet daarvoor geen verklaring kunnen geven. Ten aanzien van deze facturen roept dat vragen op over de juistheid van de vordering. Dat de gevorderde bedragen lager zijn dan de factuur maakt dat, bij gebreke van een toelichting van Waternet over bijvoorbeeld ontvangen betalingen van [gedaagde] , niet anders. Gelet daarop zullen deze facturen (samen in totaal € 58,52) worden afgewezen. Van de hoofdsom resteert dan nog een te betalen bedrag van € 151,54.
2.9.
Omdat gedaagde partij een consument is moet de kantonrechter wel ambtshalve onderzoeken of de bedingen in de overeenkomst waarop eisende partij zich beroept of zich zou kunnen beroepen, niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13/EG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de richtlijn).
2.10.
De gevorderde hoofdsom is gebaseerd op een bepaling die ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Voor zover het prijsbeding niet duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd en het zou moeten worden getoetst, kan dat niet leiden tot het oordeel dat het prijsbeding oneerlijk is, omdat de consument geen keuze heeft in waterleveranciers en de tarieven op grond van de Drinkwaterwet kostendekkend, transparant en niet-discriminerend zijn. De verminderde hoofdsom is zodoende toewijsbaar, tot een bedrag van € 151,54.
2.11.
Het rentebeding dat op de vordering betrekking heeft, althans kan hebben, verwijst naar de wet en is door de kantonrechter getoetst en niet oneerlijk bevonden. De gevorderde wettelijke rente is dus ook toewijsbaar.
2.12.
[gedaagde] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten. Nu de meterstanden pas na dagvaarding zijn opgegeven en er ook nog steeds een bedrag openstaat, is er niet nodeloos gedagvaard.
2.13.
Financiële onmacht ontheft [gedaagde] niet van haar betalingsverplichting jegens Waternet. Voor een eventuele betalingsregeling kan [gedaagde] zich wenden tot de gemachtigde van Waternet, aangezien de kantonrechter Waternet niet kan verplichten met betaling in termijnen genoegen te nemen.

3.Beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] aan Waternet te voldoen een bedrag van € 151,54 ter zake van de hoofdsom, vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 25 augustus 2025 tot de voldoening;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in een de kosten van het geding, aan de zijde van Waternet tot aan deze uitspraak begroot op: € 340,00 aan griffierecht, € 119,40 aan explootkosten,
€ 86,00 aan salaris gemachtigde en € 67,50 aan nakosten, een en ander, voor zover van toepassing, inclusief btw, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer, kantonrechter, en in openbaar uitgesproken op 19 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.