ECLI:NL:RBAMS:2026:293

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/13/763278 / HA ZA 25-117
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Inbreuk op merkrechten door verkoop van namaaksjaals

In deze zaak heeft de Rechtbank Amsterdam op 21 januari 2026 uitspraak gedaan in een geschil tussen Bylima B.V. en twee gedaagden, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], over inbreuk op merkrechten. Bylima B.V. stelt dat de gedaagden op grote schaal namaaksjaals verkopen die identiek zijn aan de ontwerpen van Bylima. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gedaagden op 28 mei 2024 sjaals ter verkoop hebben aangeboden die voorzien waren van een teken gelijk aan de beeldmerken van Bylima. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van merkinbreuk, omdat de gedaagden de sjaals in het economisch verkeer hebben gebruikt. De rechtbank wijst de vorderingen van Bylima toe, waaronder de verplichting voor de gedaagden om met onmiddellijke ingang iedere inbreuk op de merkrechten te staken en gestaakt te houden. Tevens worden de gedaagden veroordeeld tot het verstrekken van informatie over de productie en verkoop van de namaaksjaals. De rechtbank legt een dwangsom op voor elke overtreding van deze veroordelingen. In reconventie vorderen de gedaagden opheffing van het beslag dat op hun goederen is gelegd, maar deze vordering wordt afgewezen. De rechtbank oordeelt dat het beslag deugdelijk is, gezien de vastgestelde merkinbreuk. De proceskosten worden toegewezen aan Bylima, terwijl de gedaagden in reconventie in de kosten worden veroordeeld.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/763278 / HA ZA 25-117
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van

1.[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
BYLIMA B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
eisers in conventie,
verweerders in reconventie,
advocaat: mr. D.H.S. Donk,
tegen

1.[gedaagde 1] ,2. [gedaagde 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat: mr. C.E.M.C. Bakermans.
Partijen worden hierna gezamenlijk [eiseres] c.s. en [gedaagde 1] c.s. genoemd en apart [eiseres] , ByLima, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 januari 2025,
- de akte houdende overlegging producties van [eiseres] c.s. met producties 1 tot en met 13,
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie met producties 1 tot en met 10,
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties 14 en 15,
- het tussenvonnis van 23 juli 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte houdende overlegging aanvullende producties van [eiseres] c.s. met producties 16 tot en met 20.
- de akte overlegging producties van [gedaagde 1] c.s. met productie 11,
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiseres] houdt zich sinds 2014 met het ontwerpen, doen vervaardigen en verkopen van sjaals, kleding en burkini’s. In 2021 heeft zij ByLima opgericht en sindsdien exploiteert ByLima de ontwerpen van [eiseres] . De verkoopprijs van de sjaals bedraagt € 129,95.
2.2.
[eiseres] is houdster van het volgende Benelux beeldmerk (registratienummer: 1387977):
2.3.
ByLima is houdster van de volgende Benelux beeldmerken (registratienummers: 1506783 en 1506784):
2.4.
ByLima is daarnaast houdster van het Uniewoordmerk “BYLIMA” (registratienummer: 18006268).
2.5.
Op 28 mei 2024 hebben pseudokopers (in opdracht van ByLima) [gedaagde 1] ontmoet op een bedrijventerrein bij een evenementenlocatie. Daarvan is in het geheim een video gemaakt. Op die video is, voor zover hier van belang, het volgende te zien en te horen:
Op 00:50 is te zien dat [gedaagde 1] een grote zwarte sporttas uit een bestelbusje pakt en dat [gedaagde 1] en de pseudokopers naar een picknicktafel toelopen.
Op 01:22 is te zien dat [gedaagde 1] drie in cellofaan verpakte sjaals uit de zwarte sporttas haalt en neerlegt op de picknicktafel. Ook is te horen dat [gedaagde 1] zegt: “Even kijken. Deze zijn wel verkocht nu. Ze zijn verkocht. Maar er zijn sowieso meerdere zeg maar van alles.”
Op 01:31 is te horen dat [gedaagde 1] zegt: “Kijk deze is ook net verkocht. Dat is deze.” en is te zien dat ze gelijktijdig een in cellofaan verpakte sjaal uit de zwarte sporttas haalt.
Op 1:43 is te zien dat [gedaagde 1] een sjaal uit de cellofaan verpakking haalt en is te horen dat ze daarbij zegt: “Die is ook net verkocht maar hij heeft sowieso zeg maar van alles gewoon meerdere.”
Op 1:44 is te horen dat een van de pseudokopers vraagt: “Hij heeft meer toch?”, waarna is te horen dat [gedaagde 1] zegt: “Ja. Ja. Ja.”
Vervolgens spreken de pseudokopers met elkaar over een jurk.
Op 02:05 is te horen dat een van de pseudokopers vraagt: “Heb je die kanariegele. Weet u welke ik bedoel?”
Op 02:09 is te horen dat [gedaagde 1] vraagt: “Hebben jullie dat filmpje gezien?”, waarna te horen is dat een van de pseudokopers zegt: “Nee, ik niet.”
Vervolgens is te zien dat [gedaagde 1] vanaf een telefoon een video afspeelt, waarin, samengevat, verschillende kleuren sjaals aan hangers te zien zijn.
Op 02:27 is te zien dat de video nog steeds afspeelt en is te horen dat [gedaagde 1] zegt: “Dit zijn zeg maar van alle hoofddoeken. Een tas geven met verschillende, dus niet met alles. Daarom dat ik tegen je zei, als één van die zeg maar hier niet tussen zit.” Vervolgens is te horen dat een van de pseudokopers zegt: “Maar kunnen we vandaag nog (...)”, maar is het einde van de zin niet verstaanbaar.
Op 2:41 is vervolgens is te horen dat [gedaagde 1] zegt: “Ja. Ja. Ja. Hij kan vandaag nog.”
Op 2:44 is te horen dat een van de pseudokopers zegt: “En. Eh. Deze die ik nu op heb. Hij is er ook in bordeaux ofzo. Weet je wat ik bedoel?”, waarna te horen is dat [gedaagde 1] zegt: “Ik ga gewoon even pakken wat er nu in zit ja.”
Vervolgens is te zien dat [gedaagde 1] vijf in cellofaan verpakte sjaals uit de zwarte sporttas pakt, waarvan ze één weer in de zwarte sporttas terug stopt.
Op 02:59 is te horen dat een van de pseudokopers zegt: “Wat zijn je prijzen? Van deze? Voor mijn moeder?” en is te zien dat ze naar een van de sjaals wijst.
Op 03:04 is te horen dat [gedaagde 1] zegt: “Eh. Even kijken. Het is of. Het is of 75 of 85” waarna is te horen dat een van de pseudokopers vraagt: “Voor eentje” en [gedaagde 1] reageert met “Even kijken.”
Op 03:14 is te horen dat een van de pseudokopers vraagt: “Krijg ik ook korting. Als we meer krijgen” waarna te horen is dat [gedaagde 1] zegt: “Hij kan een mooie prijs voor je maken ja als jullie meerdere halen.”
In de tussentijd is te zien dat [gedaagde 1] vijf in cellofaan verpakte sjaals, waaronder de sjaal die ze eerder weer in de zwarte sporttas stopte, uit de zwarte sporttas pakt en op tafel legt.
Op 3:33 is te horen dat een van de pseudokopers vraagt: “Heb je ook geel? Die kanariegeel?” waarna te horen is dat [gedaagde 1] zegt: “Even kijken.” en is te zien dat [gedaagde 1] naar haar telefoon kijkt.
Vervolgens is te horen dat de pseudokopers aangeven welke kleur sjaals ze willen hebben en is te zien dat [gedaagde 1] naar haar telefoon kijkt.
Op 03:51 is te horen dat [gedaagde 1] vraagt: “Welke is kanariegeel?” en is te zien dat ze met de pseudokopers naar haar telefoon kijkt en dat zij met elkaar spreken over de kleuren die te zien zijn op de telefoon.
Op 04:08 is te horen dat een pseudokoper zegt: “Die willen we.”
Op 04:15 is te horen dat een pseudokoper vraagt: “Wanneer zou hij dan kunnen meenemen of brengen.” waarna te horen is dat [gedaagde 1] zegt: “Ik kan hem zo eigenlijk wel bellen en dan kan hij in principe al komen.”
2.6.
Daarnaast is een tweede video van de desbetreffende afspraak gemaakt. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende te zien en te horen:
Op 00:00 is te zien dat er in ieder geval acht in cellofaan verpakte sjaals op de picknicktafel liggen en nog meer in de zwarte sporttas zitten. Te horen is dat de pseudokopers en [gedaagde 1] met elkaar in gesprek zijn.
Op 00:24 is te horen dat [gedaagde 1] vraagt: “Willen jullie iets van deze (...) of moet ik de kanariegele sturen.” terwijl [gedaagde 1] nog drie in cellofaan verpakte sjaals op tafel legt.
De pseudokopers delen vervolgens met [gedaagde 1] welke kleuren zij wensen te kopen.
Op 00:40 is te zien dat [gedaagde 1] nog een sjaal uit de zwarte sporttas pakt.
Op 00:50 is te horen dat [gedaagde 1] vraagt: “Een van die gele toch?” waarna een van de pseudokopers dat bevestigt.
Op 00:59 is te zien dat [gedaagde 1] belt en is te horen dat zij zegt: “He [gedaagde 2] . (...) Die gele die ik heb gestuurd. Heb je die.”
2.7.
Enige tijd later is [gedaagde 2] op het bedrijventerrein verschenen met een tas met meer sjaals.
2.8.
Bij brief van 11 juni 2024 (welke brief bij deurwaardersexploot van 18 juni 2024 is betekend) heeft de advocaat van [eiseres] c.s. – kort gezegd – aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] meegedeeld dat zij op grote schaal namaaksjaals op de markt brengen die identiek zijn aan die van ByLima en dat hierdoor inbreuk wordt gemaakt op de merkrechten van ByLima. [gedaagde 1] c.s. worden in de brief aansprakelijk gesteld voor alle door [eiseres] c.s. geleden schade en nog te lijden schade. Daarnaast worden ze verzocht om te bevestigen dat zij ieder gebruik van de namaakproducten onmiddellijk hebben gestaakt en gestaakt zullen houden, alsmede het verspreiden van (reclame)materiaal waarmee de namaak producten worden aangeboden. Ook worden ze verzocht om bepaalde informatie te verstrekken.
2.9.
Vervolgens hebben [eiseres] c.s. een kortgedingprocedure aanhangig gemaakt. Op 5 augustus 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank vonnis gewezen (ECLI:NL:RBAMS:2024:4874) waarin – samengevat – [gedaagde 1] c.s. zijn veroordeeld tot het staken en gestaakt houden van iedere verveelvoudiging en/of openbaarmaking van sjaals uit bepaalde ByLima collecties, op straffe van een dwangsom, vermeerderd met proceskosten.
2.10.
[gedaagde 1] c.s. hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. De procedure in hoger beroep is door het gerechtshof Amsterdam aangehouden totdat in deze bodemprocedure is beslist.
2.11.
[eiseres] c.s. hebben verlof verzocht tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte op sjaals, hoofddoeken en andere kledingstukken ten laste van [gedaagde 2] op grond van artikel 9 UMVo en artikel 2.22 van het BVIE jo. artikelen 700, 730 tot en met 737 Rv, alsmede het verzoek tot gerechtelijke bewaring op grond van artikel 709 Rv. Bij beschikking van 26 februari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank aan [eiseres] c.s. verlof verleend. Het beslag is vervolgens op 6 maart 2025 gelegd. Daarbij zijn drie dozen met sjaals door de deurwaarder in beslag genomen en vervolgens in bewaring gesteld.
2.12.
Op 3 april 2025 hebben [gedaagde 1] c.s. een verklaring opgesteld en ondertekend waarin zij onder meer verklaren dat zij nimmer namaak ByLima sjaals hebben geproduceerd of laten produceren en dit in de toekomst ook niet te zullen doen.
2.13.
Op 20 april 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder – samengevat – aan (de advocaat van) [eiseres] c.s. een e-mailbericht gestuurd waarin staat dat in de dozen 81 sjaals met daarop het ByLima logo zijn aangetroffen, alsmede goederen zonder het logo.

3.Het geschil in conventie

3.1.
[eiseres] c.s. vorderen dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat [gedaagde 1] c.s. door de handelwijze zoals omschreven in de dagvaarding inbreuk hebben gemaakt op de merkrechten van ByLima c.s. en/of onrechtmatig jegens ByLima c.s. hebben gehandeld;
II. [gedaagde 1] c.s. ieder hoofdelijk veroordeelt om met onmiddellijke ingang iedere inbreuk op de merkrechten van ByLima c.q. iedere onrechtmatige handelwijze jegens ByLima c.s. te staken en gestaakt te houden, waaronder ieder gebruik van tekens die identiek zijn aan of overeenstemmen met de merken van ByLima c.s.;
III. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om binnen veertien (14) dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan de advocaat van ByLima c.s. een schriftelijke door een onafhankelijke registeraccountant op juistheid en volledigheid gecontroleerde middels alle relevante bescheiden gestaafde opgave te verstrekken van:
a. de volledige NAW-gegevens van degene(n) die de namaak ByLima sjaals heeft geproduceerd;
b. de volledige NAW-gegevens van degene(n) - en alle daarbij betrokken
(rechts-)personen - bij wie [gedaagde 1] c.s. de namaak ByLima sjaals hebben ingekocht;
c. de volledige NAW-gegevens van degene en alle daarbij betrokken
(rechts-)personen die de namaak ByLima sjaals aan [gedaagde 1] c.s. hebben verkocht en/of hebben geleverd, alsmede de data van verkoop en levering;
d. de totale hoeveelheid namaak ByLima sjaals die door [gedaagde 1] c.s. zijn ingekocht gespecificeerd product en afzonderlijke inkoopdata;
e. alle door [gedaagde 1] c.s. betaalde inkoopprijzen, gespecificeerd per product, gedocumenteerd middels overlegging van alle inkoopfacturen van alle namaak ByLima sjaals;
f. de totale hoeveelheid namaak ByLima sjaals die door [gedaagde 1] c.s. zijn verkocht gespecificeerd per product en afzonderlijke verkoopdata;
g. alle door [gedaagde 1] c.s. gehanteerde verkoopprijzen, gespecificeerd per product, gedocumenteerd middels bankafschriften van alle door [gedaagde 1] c.s. ontvangen bedragen uit hoofde van de verkoop van namaak ByLima sjaals; en
h. een berekening van de totale door [gedaagde 1] c.s. middels de verhandeling van de namaak ByLima sjaals genoten winst, gespecificeerd per product;
IV. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt binnen zeven (7) dagen na het in deze te wijzen vonnis, de volledige door hen als gevolg van de verhandeling van de namaak ByLima sjaals genoten winst, zoals vastgesteld door de onafhankelijke registeraccount, aan ByLima c.s. af te dragen;
V. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om alle door ByLima c.s. reeds geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vergoeden;
VI. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt om binnen achtenveertig (48) uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis de totale hoeveelheid nog in voorraad zijnde namaak ByLima sjaals te vernietigen en bewijs daarvan te sturen naar de advocaat van ByLima;
VII. [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van € 10.000 voor elke dag dat [gedaagde 1] c.s. in strijd handelen met het onder I t/m VI gevorderde.
Ten slotte vorderen [eiseres] c.s. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[eiseres] c.s. leggen aan hun vordering ten grondslag dat [gedaagde 1] c.s. inbreuk hebben gemaakt op hun merkrechten door op grote schaal (namaak) ByLima sjaals in voorraad te hebben en ter verkoop aan te bieden. Daarbij heeft [gedaagde 1] de sjaals te koop aangeboden en [gedaagde 2] de voorraad onder zich gehouden. Bij vonnis van de voorzieningenrechter is geoordeeld dat zij op straffe van een dwangsom de inbreuk dienen te staken en gestaakt dienen te houden. [gedaagde 2] is in ieder geval doorgegaan met het voorhanden hebben en verhandelen van de inbreukmakende producten. [gedaagde 1] c.s. zijn niet bereid gebleken een onthoudingsverklaring te tekenen, een opgave van de gepleegde inbreuk te verstrekken en mede te delen van welke (rechts-)persoon de namaak ByLima producten afkomstig zijn en [eiseres] c.s. hierdoor veel schade hebben geleden, zijn [eiseres] c.s. genoodzaakt deze bodemprocedure aanhangig te maken, aldus [eiseres] c.s.
3.3.
[gedaagde 1] c.s. willen dat de vorderingen worden afgewezen. Van een merkinbreuk is geen sprake, omdat de merken niet in het economisch verkeer zijn gebruikt. Immers, [gedaagde 1] c.s. hebben slechts enkele originele ByLima sjaals verkocht in de particuliere sfeer. Daarnaast beroepen [gedaagde 1] c.s. zich op uitputting van de merkrechten van [eiseres] c.s. De op 28 mei 2024 getoonde sjaals heeft [gedaagde 2] ontvangen als dank voor door hem verrichtte werkzaamheden in een ByLima winkel en een deel van de sjaals heeft [gedaagde 2] zelf gekocht. Een aangepaste bewijsverdeling is op zijn plek omdat het volstrekt onduidelijk is om welke ByLima sjaals het gaat en de hoeveelheid daarvan. Tot slot stellen [gedaagde 1] c.s. dat de in beslag genomen sjaals evenmin namaak ByLima sjaals betreffen. In de verhuisdozen zaten onder meer de op 28 mei 2024 getoonde sjaals en een hoeveelheid sjaals van de vriendin van [gedaagde 2] , aldus [gedaagde 1] c.s.

4.Het geschil in reconventie

4.1.
[gedaagde 1] c.s. vorderen – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het op 6 maart 2025 gelegde beslag op te heffen, op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom, met veroordeling van [eiseres] c.s. in de volledige proceskosten op grond van artikel 1019h Rv, vermeerderd met wettelijke rente.
4.2.
[eiseres] c.s. willen dat de vordering wordt afgewezen, met veroordeling van [gedaagde 1] c.s. in de volledige proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente.

5.De beoordeling in conventie

bevoegdheid
5.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres] c.s. die zijn gebaseerd op het Uniewoordmerk van [eiseres] c.s. (zie 2.4), aangezien geschillen daarover tot de exclusieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag behoren. [1] Wel kan de rechtbank oordelen over de vorderingen van [eiseres] c.s. die zijn gebaseerd op de Benelux beeldmerken (zie 2.2 en 2.3).
merkinbreuk
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] c.s. inbreuk hebben gemaakt op de Benelux beeldmerken van [eiseres] c.s. als bedoeld in artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE. De door [gedaagde 1] c.s. gevoerde verweren slagen niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
gebruik in het economisch verkeer
5.3.
Vast staat dat [gedaagde 1] c.s. op 28 mei 2024 sjaals ter verkoop hebben aangeboden die voorzien waren van een teken gelijk aan de beeldmerken van [eiseres] c.s. Anders dan [gedaagde 1] c.s. stellen, hoeft [eiseres] c.s. als eisende partij niet te stellen en bewijzen welk modeltype ByLima sjaal het betreft, in welke hoeveelheid en of deze sjaals namaak zijn of om andere reden inbreukmakend. [eiseres] c.s. hoeven slechts te stellen dat [gedaagde 1] c.s. in het economisch verkeer gebruik hebben gemaakt van haar merk door onder een gelijk teken dezelfde waren, te weten sjaals, ter verkoop aan te bieden. Aan die stelplicht hebben [eiseres] c.s. voldaan. Weliswaar stellen [eiseres] c.s. verder dat de sjaals die [gedaagde 1] c.s. aanboden namaak betroffen, maar die stelling hoeft zij niet te bewijzen. Voor het aannemen van een merkinbreuk is immers niet noodzakelijk dat het gaat om namaak-producten.
5.4.
[gedaagde 1] c.s. voeren als verweer dat niet is voldaan aan de inbreukcriteria van artikel 2.20 lid 2 sub a BVIE, omdat de merken niet in het economisch verkeer zijn gebruikt.
5.5.
Daarvan is volgens het Europese Hof sprake wanneer het gebruik plaatsvindt in het kader van een handelsactiviteit waarmee een commercieel doel wordt nagestreefd en niet in de particuliere sfeer. [2] Daarnaast is bepaald dat een natuurlijk persoon die verkopen pleegt die wegens hun volume, frequentie of andere kenmerken, buiten de sfeer van een privéactiviteit vallen, (ook) handelt in het economisch verkeer. [3] Anders dan [gedaagde 1] c.s. bepleiten, is daar in dit geval sprake van.
5.6.
Zo zijn op de overgelegde video’s van 28 mei 2024 veel verschillende in cellofaan verpakte sjaals met ByLima tekens te zien. Dat dit gebruikte sjaals zijn die (opnieuw) in cellofaan waren gestopt vindt de rechtbank niet geloofwaardig. Te horen is dat [gedaagde 1] aan de pseudokopers – samengevat – vertelt dat alle ByLima sjaals uit de getoonde video leverbaar zijn, er al veel zijn verkocht, dat van alle sjaals meerdere exemplaren op voorraad zijn, dat de prijs van de sjaals € 75 of € 85 bedraagt (wat aanzienlijk lager is dan de reguliere verkoopprijzen van de sjaals) en dat “hij een mooie prijs kan maken” bij aanschaf van meerdere sjaals (zie 2.5 en 2.6). [gedaagde 2] is vervolgens (na te zijn gebeld door [gedaagde 1] ) met een tas met nog meer sjaals gekomen naar de evenementenlocatie (zie 2.7).
5.7.
Sommige omstandigheden zijn niet opgehelderd. Zo is door [eiseres] c.s. niet voldoende onderbouwd hoe de afspraak bij de evenementenlocatie tot stand is gekomen. Ook kan niet worden vastgesteld of [gedaagde 1] c.s. achter de overgelegde online advertenties zitten en of de door [gedaagde 1] getoonde video van [gedaagde 1] c.s. afkomstig is. Kortom, dat sprake zou zijn van een “grootschalige structurele verkoop”, zoals [eiseres] c.s. menen, staat voor de rechtbank niet vast. Wat wel vaststaat, is dat [gedaagde 1] c.s. op 28 mei 2024 sjaals ter verkoop hebben aangeboden op een wijze die – blijkens de hiervoor beschreven beelden – buiten de sfeer van een privéactiviteit valt. Dat [gedaagde 2] , zoals betoogd door [eiseres] c.s., ook na 28 mei 2024 (namaak) ByLima sjaals heeft aangeboden is verder niet gebleken.
geen sprake van uitputting van de merkrechten
5.8.
In de tweede plaats beroepen [gedaagde 1] c.s. zich op uitputting van de merkrechten van [eiseres] c.s. als bedoeld in artikel 2.23 lid 3 BVIE.
5.9.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde 1] c.s. dan dienen te onderbouwen en zo nodig te bewijzen dat de door hun aangeboden sjaals door of met toestemming van [eiseres] c.s. op de markt zijn gebracht in Europa.
5.10.
[gedaagde 1] c.s. hebben betoogd dat er in het licht van de redelijkheid en billijkheid een verzwaarde stelplicht op [eiseres] c.s. rust dan wel dat een uitzondering moet worden gemaakt op de bewijslastverdeling. Dit betoog wordt verworpen. Toepassing van deze uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden geschieden. [4] Dergelijke bijzondere omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. [gedaagde 1] c.s. hebben in dit verband aangevoerd dat [eiseres] c.s. niet hebben onderbouwd om welk modeltype ByLima sjaal het gaat en in welke hoeveelheid. Dit betoog slaagt niet. Het gaat immers om de sjaals die [gedaagde 1] c.s. op 28 mei 2024 ter verkoop hebben aangeboden. Het is aan [gedaagde 1] c.s. om te onderbouwen dat deze sjaals door of met toestemming van [eiseres] c.s. in Europa op de markt zijn gebracht.
5.11.
Ter onderbouwing van hun beroep op uitputting hebben [gedaagde 1] c.s. aangevoerd dat een deel van de sjaals door [gedaagde 2] zijn verkregen als dank voor zijn werkzaamheden en een ander deel door hem als particulier is gekocht bij de Bijenkorf en in de winkel van ByLima. Ter onderbouwing heeft hij een verklaring van de ex-man van [eiseres] in het geding gebracht en vier aankoopbonnen.
5.12.
De overgelegde verklaring van de ex-man van [eiseres] is onvoldoende als enige onderbouwing van zijn stelling dat hij verschillende sjaals zou hebben gekregen, mede nu [eiseres] met hem in een persoonlijk conflict verwikkeld is geraakt (zo blijkt ook uit de verklaring). Bovendien blijkt uit deze verklaring niet wanneer [gedaagde 2] deze sjaals zou hebben gekregen en hoeveel sjaals dit dan betrof. Ook lijkt deze herkomst niet voor de hand te liggen, nu de sjaals op 28 mei 2024 ongebruikt en in cellofaan verpakt te koop werden aangeboden. Dat [gedaagde 2] een ander deel van de sjaals zou hebben gekocht in een Bijenkorf winkel (waarvan één aankoopbon van in totaal twee sjaals is overgelegd) en in een ByLima winkel (waarvan drie aankoopbonnen van in totaal vijf sjaals zijn overgelegd) is ter onderbouwing van het uitputtingsverweer ook onvoldoende. Het verhoudt zich niet tot datgeen wat op de video’s is te horen en de hoeveelheid sjaals die zijn te zien (zie 5.6). Bovendien ontbreekt iedere toelichting waarom [gedaagde 2] eind 2023 en begin 2024 voor € 129,95 respectievelijk € 199,95 nieuwe sjaals zou kopen bij de Bijenkorf en in de ByLima winkel, om deze een aantal maanden later, in cellofaan verpakt, voor € 75,00 of € 85,00 aan te bieden.
conclusie
5.13.
Dit alles betekent dat [gedaagde 1] c.s. onvoldoende hebben onderbouwd dat de op 28 mei 2024 aangeboden sjaals door of met toestemming van [eiseres] c.s. op de Europese markt zijn gebracht. Het beroep op uitputting wordt dus afgewezen en de door [eiseres] c.s. gestelde merkinbreuk staat vast. De gevorderde verklaring voor recht zoals weergegeven onder I wordt daarom toegewezen als vermeld onder de beslissing.
nevenvorderingen
5.14.
De gevorderde opgave zoals weergegeven onder III wordt toegewezen, zij het met inachtneming van het navolgende. [eiseres] c.s. vorderen dat de opgave door een onafhankelijke registeraccountant op juistheid en volledigheid is gecontroleerd. [gedaagde 1] c.s. hebben daartegen terecht aangevoerd dat een controle van de opgave door een onafhankelijke registeraccountant aspecten van
assuranceheeft. Hetgeen met betrekking tot de accountant wordt gevorderd komt neer op een verklaring dat de opgave, voor zover verifieerbaar, een getrouwe weergave van de werkelijkheid vormt. Dit vormt in wezen een opdracht voor het geven van een vorm van
assurance. De rechtbank is ermee bekend dat een (register)accountant, zeker als die accountant niet de huisaccountant is, die
assuranceniet kan geven. Toewijzing van het gevorderde leidt derhalve gemakkelijk tot executieproblemen. De rechtbank gaat ervan uit dat de op te leggen dwangsom voldoende is om [gedaagde 1] c.s. te bewegen een juiste opgave te doen (zie hierna 5.18).
5.15.
De opgave komt de rechtbank voor het overige gerechtvaardigd en redelijk voor. [5] Gelet op de vastgestelde inbreuk hebben [eiseres] c.s. recht op en belang bij de gevorderde opgave om de omvang van de schadevergoeding te kunnen vaststellen. Dat zoals betoogd door [gedaagde 1] c.s. een opgaveverplichting ongerechtvaardigd zou zijn vanwege de beperkte omvang is niet aannemelijk, gelet op wat op de video’s is te horen en de hoeveelheid sjaals die zijn te zien (zie 5.6).
5.16.
De gevorderde winstafdracht zoals weergegeven onder IV wordt afgewezen. Vooralsnog is het onduidelijk of en hoeveel winst [gedaagde 1] c.s. hebben gemaakt en bovendien vorderen [eiseres] c.s. ook dat [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiseres] c.s. geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat. De gevorderde winstafdracht kan in die schadestaatprocedure op vordering van [eiseres] c.s. door de rechter worden begroot. [6] Het is aannemelijk dat [eiseres] c.s. mogelijk schade hebben geleden ten gevolge van de merkinbreuk. [7] Dit betekent dat de gevorderde hoofdelijke aansprakelijkheid en verwijzing naar de schadestaatprocedure zoals weergegeven onder V wordt toegewezen.
5.17.
De gevorderde vernietiging van de nog in voorraad zijnde sjaals zoals weergegeven onder VI wordt afgewezen. Het staat niet vast dat de in beslag genomen sjaals namaak betreft. De sjaals zijn in bewaring bij de deurwaarder, maar [eiseres] c.s. heeft daarin geen inzage gehad. Bovendien heeft [gedaagde 2] onderbouwd gesteld dat dit geen handelsvoorraad betrof maar kleding die in dozen zat in verband met zijn verhuizing. Onder deze omstandigheden is er onvoldoende grond om de vernietiging te bevelen.
dwangsom
5.18.
De rechtbank ziet aanleiding om een dwangsom op te leggen als prikkel tot nakoming. Voor de hoogte van de dwangsom sluit de rechtbank aan bij de dwangsom zoals door de voorzieningenrechter is opgelegd, te weten een dwangsom van € 500,00 per overtreding, waarbij het aanbieden van één sjaal reeds geldt als een overtreding, met een maximum van € 10.000,00.
proceskosten in conventie
5.19.
[gedaagde 1] c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] c.s. in conventie. [eiseres] c.s. vorderen een veroordeling op grond van artikel 1019h Rv. Deze kosten bedragen volgens de specificatie van [eiseres] c.s. € 25.472,53.
5.20.
De onderhavige zaak in conventie is een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, wordt aansluiting gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De rechtbank gaat mee in de stelling van [gedaagde 1] c.s. dat onderhavige procedure een eenvoudige zaak is. Dit betekent dat een maximumtarief van € 8.000 geldt. Het bedrag waarop [eiseres] c.s. aanspraak maken gaat dit bedrag te boven, maar er is geen aanleiding meer dan het maximum toe te wijzen. De proceskosten aan de zijde van [eiseres] c.s. worden dus als volgt vastgesteld:
- dagvaardingen 2x € 121,02
242,04
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
8.000,00
Totaal
8.956,04
5.21.
De veroordeling in de nakosten is toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment kunnen worden begroot. De nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6.Het geschil in reconventie

6.1.
[gedaagde 1] c.s. vorderen – samengevat – opheffing van het op 6 maart 2025 gelegde conservatoir beslag (zie 2.11) en beroepen zich daarbij op de opheffingsgronden van artikel 705 lid 2 Rv. Het gaat slechts om een vermoeden van inbreuk en dat vormt geen rechtmatig belang voor een beslag. Daarnaast is het beslag onrechtmatig omdat de goederen onder het beslagverbod van artikel 447 lid 1 Rv vallen. De ByLima sjaals en de overige beslagen zijn eigendom van de vriendin van [gedaagde 2] , die geen partij is bij deze procedure. Het beslag is ook onnodig gelegd. Het voldoet niet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en dient ook om die reden te worden opgeheven, aldus [gedaagde 1] c.s.
het beslag wordt niet opgeheven
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de vereiste belangenafweging in het voordeel van [eiseres] c.s. dient uit te vallen, omdat niet is gebleken van ondeugdelijkheid van het beslag. Integendeel; er is gebleken van de deugdelijkheid van het door [eiseres] c.s. ingeroepen recht, nu de rechtbank heeft geoordeeld dat er sprake is van een merkinbreuk (zie 5.13). Het kan zo zijn dat er ook sjaals van de vriendin van [gedaagde 2] onder de in beslag genomen goederen zitten, maar volgens de eigen stelling van [gedaagde 2] maken ook de op 28 mei 2024 getoonde sjaals deel uit van het beslag. Daarnaast zijn de inbeslaggenomen goederen zonder ByLima merk vanuit de gerechtelijke bewaarneming op 30 april 2025 afgeleverd bij [gedaagde 2] . De vordering tot opheffing van het beslag wordt daarom afgewezen.
proceskosten in reconventie
6.3.
[gedaagde 1] c.s. worden als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten van [eiseres] c.s. in reconventie. [eiseres] c.s. vorderen een veroordeling op grond van artikel 1019h Rv, maar de vordering tot opheffing van beslag in reconventie is geen zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten. De proceskosten in reconventie bedragen daarom € 307,00 (0,5 punt x tarief € 614,00).
6.4.
De nakosten en de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

7.De beslissing

De rechtbank
in conventie
7.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde 1] c.s. inbreuk hebben gemaakt op de merkrechten van ByLima c.s. en onrechtmatig jegens ByLima c.s. hebben gehandeld,
7.2.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. om met onmiddellijke ingang iedere inbreuk op de merkrechten van ByLima te staken en gestaakt te houden, waaronder ieder gebruik van tekens die identiek zijn aan of overeenstemmen met de merken van ByLima c.s.;
7.3.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis aan de advocaat van ByLima c.s. een schriftelijke opgave te verstrekken van:
a. de volledige NAW-gegevens van degene(n) die de ByLima sjaals heeft geproduceerd;
b. de volledige NAW-gegevens van degene(n) - en alle daarbij betrokken (rechts-)personen - bij wie [gedaagde 1] c.s. de ByLima sjaals hebben ingekocht;
c. de volledige NAW-gegevens van degene en alle daarbij betrokken (rechts-)personen die de ByLima sjaals aan [gedaagde 1] c.s. hebben verkocht en/of hebben geleverd, alsmede de data van verkoop en levering;
d. de totale hoeveelheid ByLima sjaals die door [gedaagde 1] c.s. zijn ingekocht gespecificeerd per product en afzonderlijke inkoopdata;
e. alle door [gedaagde 1] c.s. betaalde inkoopprijzen, gespecificeerd per product, zo veel mogelijk gedocumenteerd middels overlegging van alle inkoopfacturen;
f. de totale hoeveelheid ByLima sjaals die door [gedaagde 1] c.s. zijn verkocht gespecificeerd per product en afzonderlijke verkoopdata;
g. alle door [gedaagde 1] c.s. gehanteerde verkoopprijzen, gespecificeerd per ByLima product, zo veel mogelijk gedocumenteerd middels bankafschriften van alle door [gedaagde 1] c.s. ontvangen bedragen uit hoofde van de verkoop van ByLima sjaals;
h. een berekening van de totale door [gedaagde 1] c.s. met de verhandeling van de ByLima sjaals genoten winst;
7.4.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk tot betaling aan [eiseres] c.s. van een onmiddellijk opeisbare dwangsom van:
- € 500,00 voor iedere overtreding van de onder 7.2 vermelde veroordeling (waarbij het aanbieden/verkopen van één sjaal reeds geldt als een overtreding);
- € 500,00 per dag dat [gedaagde 1] c.s. niet volledig voldoen aan het opgelegde bevel in 7.3;
met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 10.000,00;
7.5.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiseres] c.s. begroot op € 8.956,04, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
7.6.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk tot vergoeding van alle door ByLima c.s. ten gevolge van de merkinbreuk geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
7.7.
verklaart rov. 7.2, 7.3, 7.4 en 7.5 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
7.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
7.9.
wijst de vorderingen van [gedaagde 1] c.s. af,
7.10.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de proceskosten van € 307,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek (BW) over dit bedrag met ingang van veertien dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
7.11.
verklaart rov. 7.10 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
in conventie en reconventie
7.12.
veroordeelt [gedaagde 1] c.s. hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 278,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 92,00 aan salaris advocaat en met de explootkosten als [gedaagde 1] c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden;
Dit vonnis is gewezen door mr. T.T. Hylkema, rechter, bijgestaan door mr. L.M. Garritsen, griffier en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.

Voetnoten

1.Artikelen 123 lid 1, 124 onder a en 125 lid 1 van de Verordening (EU) nr. 2017/1001 van het Europees parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (UMVo)
2.HvJ EG 12 november 2002, ECLI:EU:C:2002:651 (
3.HvJ EU 12 juli 2011, ECLI:EU:C:2011:474 (
4.HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8238.
5.Artikel 2.22 lid 4 BVIE
6.Artikel 6:104 BW
7.Artikel 612 Rv