ECLI:NL:RBAMS:2026:2923

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
13-329750-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 OLWArt. 9 OLWArt. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 27 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees aanhoudingsbevel en detentieomstandigheden in Fleury-Mérogis

De rechtbank Amsterdam heeft op 3 maart 2026 een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door Frankrijk tegen een persoon met de Nederlandse nationaliteit. Het EAB betreft ernstige strafbare feiten zoals deelname aan een criminele organisatie, illegale handel in verdovende middelen en witwassen, met een strafdreiging van minimaal drie jaar gevangenisstraf.

De verdediging voerde aan dat er sprake is van ne bis in idem omdat de opgeëiste persoon reeds in Spanje onherroepelijk is veroordeeld voor een substantieel overlappend feitencomplex. De rechtbank oordeelde dat er gedeeltelijke overlap is, met name voor de inbeslagname van 10 vaten 3-MMC in Barcelona op 21 januari 2022, waarvoor de opgeëiste persoon in Spanje een voorwaardelijke gevangenisstraf onder proeftijd ondergaat. Voor dit deel wordt overlevering geweigerd. Voor het overige verwierp de rechtbank het verweer en staat overlevering toe.

Daarnaast is er een algemeen gevaar vastgesteld voor schending van grondrechten door overbevolking in Franse huizen van bewaring, waaronder Fleury-Mérogis. De rechtbank acht de verstrekte informatie over de detentieomstandigheden onvoldoende concreet en stelt nadere vragen aan de Franse autoriteiten. Daarom wordt de beslissing over de overlevering aangehouden en de beslistermijn met 30 dagen verlengd, met gelijktijdige schorsing van de gevangenhouding.

De rechtbank benadrukt het belang van voldoende persoonlijke leefruimte en garanties tegen onmenselijke behandeling, verwijzend naar het Dorobantu-arrest. De zaak wordt uiterlijk op 2 april 2026 opnieuw behandeld.

Uitkomst: Overlevering wordt gedeeltelijk geweigerd wegens ne bis in idem en verder aangehouden vanwege onduidelijkheden over detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-329750-25
Datum uitspraak: 3 maart 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 31 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 2 december 2025 door de
Procureur de la République at the Tribunal Judiciaire of Parisin Frankrijk (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
feitelijk verblijfadres:
[verblijfadres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 17 februari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadslieden, mr. A. Mao, advocaat in Schiedam, en
mr. J.S. Spijkerman, advocaat in Den Haag.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist
zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB, in samenhang gelezen met het A-formulier, vermeldt een
Arrest Warrantuitgevaardigd door
the Paris Judicial Courtvan 2 december 2025 met zaaknummer 22237000542.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Frans recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
witwassen van opbrengsten van misdrijven.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Frankrijk een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. In deze zaak staat niet ter
discussie dat de opgeëiste persoon het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in
Nederland heeft gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De officier van justitie bij het
Parquet du tribunal de Parisheeft op 3 februari 2026 de volgende garantie gegeven:
In antwoord op uw verzoek van 2 februari 2026, heb ik de eer u mede te delen dat, in overeenstemming met het Kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 - 2002/584/JBZ betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de overleveringsprocedures tussen de lidstaten, ik garandeer dat [de opgeëiste persoon] , geboren op [geboortedag] 1984 in Nederland, indien hij aan het einde van de procedure onherroepelijk wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf voor de feiten die ten grondslag liggen aan het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd door het parket van Parijs op 7 november 2025, zijn straf of straffen kan ondergaan in NEDERLAND, waarvan hij staatsburger of inwoner is.
De regels voor de terugkeer worden uitgevoerd op basis van de bepalingen van het Kaderbesluit van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsbenemende straffen of maatregelen worden opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9 OLW Pro: ne bis in idem

6.1
Standpunt van de verdediging
Door de raadslieden is bepleit, zakelijk weergegeven, dat de overlevering op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, moet worden geweigerd. Subsidiair wordt om aanhouding verzocht om nader onderzoek te verrichten met betrekking tot deze weigeringsgrond. Zij hebben dit als volgt onderbouwd.
De opgeëiste persoon is in Spanje reeds vervolgd en op 2 juli 2025 onherroepelijk veroordeeld door de Strafrechtbank in Barcelona voor hetzelfde feitencomplex als aan de orde is in het EAB. Zowel het door de verdediging overgelegde, vertaalde, Spaanse vonnis als het EAB richten zich op de opgeëiste persoon als (mede)pleger. In beide gevallen gaat het om dezelfde stoffen: synthetische cathinonen, geïmporteerd uit India. Het EAB noemt expliciet de vennootschappen [vennootschap 1] B.V. en [vennootschap 2] , die ook in het Spaanse vonnis worden genoemd als de entiteiten waarmee de handel werd georganiseerd en gefinancierd. Verder wordt in zowel het Spaanse vonnis als in het EAB dezelfde route beschreven: invoer vanuit India, opslag en doorvoer in Spanje, en verdere distributie (waaronder aan potentiële Franse afnemers). De periode die het EAB bestrijkt valt grotendeels samen met de periode van de Spaanse bewezenverklaring, die aanvangt in januari 2022. De inbeslagnames die in het EAB worden genoemd, vallen daarmee binnen de periode die ook door het Spaanse vonnis wordt bestreken.
De feiten in het EAB en de feiten in het Spaanse vonnis zijn daarom onlosmakelijk met elkaar verbonden. Zij zijn verbonden in tijd omdat de in het EAB beschreven feiten voor het overgrote deel vallen binnen de periode die het Spaanse vonnis bestrijkt. Verder zijn de feiten verbonden in ruimte, nu het een internationale handel betreft via dezelfde landen en langs dezelfde logistieke routes, terwijl ook de pleegplaats in het EAB uitdrukkelijk Spanje omvat. Ten slotte zijn de feiten verbonden naar hun voorwerp want het gaat om dezelfde stoffen, grotendeels dezelfde vennootschappen en betrokkenen, alsmede dezelfde modus operandi.
Dit tezamen bezien leidt tot de conclusie dat het om één geheel van concrete omstandigheden gaat die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Dat de Franse verdenkingen van witwassen en deelname aan een criminele organisatie niet expliciet in het Spaanse vonnis voorkomen, doet hieraan geen afbreuk. Deze verdenkingen vloeien immers rechtstreeks voort uit het in Spanje bewezenverklaarde internationale handel- en distributiecomplex. Het witwassen betreft de geldstromen die uit diezelfde handel zijn voortgekomen. De criminele organisatie slaat op het samenwerkingsverband dat deze handel mogelijk maakte; hetzelfde verband dat in het Spaanse vonnis wordt omschreven als opererend in samenwerking met anderen. De Franse verdenkingen zoals in het EAB omschreven, zijn aldus geen zelfstandige feiten die buiten het bereik van het Spaanse vonnis vallen. Ook het feit dat in het EAB enkele vennootschapsnamen worden vermeld die niet in het Spaanse vonnis voorkomen, of dat de Franse pleegperiode iets ruimer is genomen, kan deze conclusie niet anders maken. Mogelijk beschikken de Franse autoriteiten over aanvullende details, maar dit raakt de kern van het feitencomplex niet.
6.2
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft hiertegen aangevoerd, zakelijk weergegeven, dat artikel 9 OLW Pro niet aan overlevering in de weg staat. Primair vordert de officier van justitie dan ook dat de overlevering wordt toegestaan. De proeftijd van de voorwaardelijk opgelegde straf zoals die door de Strafrechtbank in Barcelona is opgelegd (van twee jaar) loopt nog , wat betekent dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, sub 2, OLW niet aan de orde is. In dat verband heeft de officier van justitie verwezen naar het arrest Kretzinger [5] en een uitspraak van de rechtbank Amsterdam. [6] Overigens betreft de veroordeling in Spanje ook niet hetzelfde feit, gelet op het Spaanse vonnis aan de hand waarvan dit moet worden beoordeeld. De inbeslagname waarover in het Spaanse vonnis wordt gesproken, in Barcelona, op 21 januari 2022 kan niet dezelfde inbeslagname zijn als die op 19 januari 2022 in Frankrijk plaatsvond. Er is sprake van twee partijen drugs die in twee landen worden verhandeld. Dat het om een soortgelijk feit gaat, betekent niet dat het om hetzelfde feitencomplex gaat. De omvang van de vervolging in Frankrijk ziet op de verkoop in Frankrijk aan Franse consumenten. Daar ziet de veroordeling in Spanje niet op. Dat de verdovende middelen in zowel de Spaanse als de Franse strafzaak uit India komen, doet in dit kader niet ter zake. Verder heeft ook de inbeslagname waarover in het EAB gesproken wordt (in juni 2022) niets met de Spaanse veroordeling te maken. De verdenking in Frankrijk ziet, kortom, op de import van verdovende middelen in Frankrijk, de verkoop van verdovende middelen aan Franse klanten en twee inbeslagnames in Frankrijk. Van ne bis in idem is geen sprake.
Mocht de rechtbank toch van oordeel zijn dat er (deels) sprake is van hetzelfde feit, dan vordert de officier van justitie subsidiair dat de overlevering enkel wordt geweigerd, voor zover dit ziet op de inbeslagname van de 10 vaten 3-MMC met een bruto gewicht van 134 kg op 21 januari 2022 in de haven van Barcelona, zoals vermeld in het Spaanse vonnis.
6.3
Oordeel van de rechtbank
In het EAB, in rubriek e), is ten aanzien van de verdenking in Frankrijk het volgende opgenomen:

(…)
Co-perpetrator of the crimes committed in Paris, in the Île-de-France region and within the jurisdiction of JUNALCO, and by extension in Spain, Monaco and the Netherlands, from 2020 until 5 November 2025, and in any case since a period not subject to the statute of limitations.
Investigations have established the involvement of [de opgeëiste persoon] in international drug trafficking activity between 2020 and 2025 involving synthetic drugs imported from India (cathinones) using the companies [vennootschap 3] , [vennootschap 1] BV and his Spanish company [vennootschap 2] . The total amount transferred by [vennootschap 3] to the companies exporting on behalf of [de opgeëiste persoon] is estimated at €5 million. Between 2020 and 2025, he was involved in transactions for the resale of narcotic drugs from the Netherlands and Spain via his Dutch company [vennootschap 3] and his Spanish company [vennootschap 2] through the websites [website 1] .com and [website 2] .com to French customers. The total amount of money received from French customers to date has been estimated at €5.3 million. On 19/01/2022, French customs intercepted 613kg of cathinones worth an estimated €9 to €90 million linked to [de opgeëiste persoon] , as well as a seizure of 3.2 tonnes of cathinones in June 2022.
Uit de door de raadslieden overgelegde vertaling van het vonnis van de Strafrechtbank nr. 22 van Barcelona van 2 juli 2025 (zaaknummer 234/2025) blijkt (voor zover van belang):

(…)BEWEZEN FEITEN
(…) Het wordt bewezen verklaard door de uitdrukkelijke instemming van de partijen, dat de beklaagden
[de opgeëiste persoon] en (…) in vereniging met twee andere individuen (…), hielden zich ten minste sinds januari 2022 bezig met de commercialisering en internationale distributie van stoffen die ernstige schade aan de gezondheid veroorzaken en niet gereguleerd zijn, waaronder de stof 3-METHYLKATINON (hierna 3-MMC), in beslag genomen door de politie in de huidige procedures, welke zij distribueerden zonder de vereiste toestemming van het Spaanse Geneesmiddelenagentschap.
Aldus geschiedde het dat op 21 januari 2022 rond 19.30 uur in een logistiek magazijn van de ZAL (logistieke activiteitenzone) van de haven van Barcelona, (…), 10 vaten van genoemde stof in beslag werden genomen, met een bruto gewicht van 134 kg, geregistreerd als aromatische ketenen, afkomstig van [bedrijf] (India). Het betrof twee partijen van elk vijf colli (vaten), met een respectief gewicht van 67 kg, die beide, zoals vermeld, aromatische ketenen voor de chemische industrie bevatten met productreferentie YLV01 en beschrijving 2-(methyl)-1.
De genoemde goederen werden beheerd (…) in opdracht van het handelsbedrijf [vennootschap 2] , waarvan de beschuldigde (…) sinds 22 oktober 2021 de enige bestuurder is en de andere beschuldigde, [de opgeëiste persoon] , de enige bestuurder was tot de genoemde datum van 22 oktober 2021, evenals de enige bestuurder is van het Nederlandse handelsbedrijf [vennootschap 4] , B.V. [sic], dat op zijn beurt eigenaar is van [vennootschap 1] B.V.[sic], de betaler van de facturen van de goederenpartijen die eigendom zijn van [vennootschap 2] L.
De genoemde stoffen bleken na de overeenkomstige deskundige analyse 3-MMC te zijn.
Deze stof maakt volgens het Ministerie van Volksgezondheid deel uit van de groep stoffen van cathinonen en hun derivaten, (…)
RECHTSGRONDEN
(…) De instemming zoals verleend door de beschuldigden [de opgeëiste persoon] en (…), bevestigd door hun verdediging, stelt de rechter in staat om zonder verdere formaliteiten een vonnis uit te spreken volgens de wederzijds geaccepteerde kwalificatie, mits de feiten die in de conclusie van de aanklagende partij worden weerspiegeld, wezenlijk worden gerespecteerd (…)
VEROORDEELING[sic]
Dat ik moet VEROORDELEN en VEROORDEEL, met instemming van de partijen, [de opgeëiste persoon] en (…) co-auteurs strafrechtelijk verantwoordelijk voor een misdrijf tegen de volksgezondheid van Art. 359 van Pro het Wetboek van Strafrecht, (…) tot de straffen van

Negen maanden gevangenisstraf (…)
(…) de opschorting van de uitvoering van de opgelegde vrijheidsstraffen aan
[de opgeëiste persoon] en (…) tijdens de tweejarige termijn, op voorwaarde dat er in die periode geen nieuwe misdrijven worden gepleegd.”
Verder blijkt uit voornoemde vertaling dat het vonnis onherroepelijk is. In het vonnis is immers het volgende opgenomen:
“(…) Overeenkomstig artikel 787.6 van de Wet op de Strafvordering werden de partijen na de mondelinge uitspraak van het vonnis tijdens de mondelinge behandeling gevraagd naar hun intentie om in beroep te gaan tegen het vonnis. Het Openbaar Ministerie en de verdediging antwoordden ontkennend, waardoor het vonnis definitief werd verklaard (…).”
Juridisch kader
De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of in het Spaanse vonnis en het EAB sprake is van dezelfde feiten. De rechtbank stelt voorop dat de vraag of sprake is van ‘dezelfde feiten’ als bedoeld in artikel 3 en Pro 4 Kaderbesluit 2002/584/JBZ (en in artikel 9 OLW Pro) moet worden beantwoord aan de hand van het autonome, Unierechtelijke begrip zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit begrip heeft alleen betrekking op de feiten zelf en omvat een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang. [7] De gelijkheid van de materiële feiten wordt opgevat als een geheel van concrete omstandigheden die voortvloeien uit gebeurtenissen die in wezen dezelfde zijn, aangezien daarbij dezelfde dader betrokken is en zij onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn in tijd en plaats. [8] Het is aan de nationale rechter (in casu: de rechtbank) om te na te gaan of er sprake is van vervolging voor dezelfde feiten.
Overlap in het feitencomplex
Gelet op de feitomschrijving in het EAB en het vonnis in de Spaanse strafzaak is de rechtbank van oordeel dat de vervolging in Frankrijk deels ziet op hetzelfde feitencomplex als in Spanje, namelijk voor zover het gaat om de inbeslagname in Barcelona van de vaten bevattende 3-MMC op 21 januari 2022 en de daarop volgende veroordeling wegens de internationale distributie van 3-MMC, dat deel uitmaakt van de groep stoffen van cathinonen. De rechtbank acht daartoe redengevend dat in het EAB Spanje mede als pleegplaats wordt genoemd. Daarnaast wordt in het EAB over hetzelfde Spaanse bedrijf gesproken ( [vennootschap 2] ) als in het Spaanse vonnis. De opgeëiste persoon was bij dit bedrijf betrokken, nu hij tot oktober 2021 enig bestuurder was en nadien zijn mede-veroordeelde als zodanig fungeerde. Verder was er sprake van internationale distributie (handel), hetgeen ook overeenkomt met de feitsomschrijving in het EAB. Tevens valt de periode waar in het Spaanse vonnis over wordt gerept, binnen de in het EAB genoemde pleegperiode.
In tegenstelling tot de verdediging is de rechtbank echter van oordeel dat er voor het overige geen sprake is van dezelfde feiten in het EAB en het Spaanse vonnis.
Uit het Spaanse vonnis kan niet worden opgemaakt dat de opgeëiste persoon aldaar voor meer strafbare feiten is veroordeeld dan het op 21 januari 2022 in Barcelona voorhanden hebben van 3-MMC ten behoeve van de internationale handel daarin, welke stof uit India was geïmporteerd. Dat in het Spaanse vonnis is opgenomen dat de opgeëiste persoon “
zich ten minste sinds januari 2022” heeft bezig gehouden met het feit waarvoor hij is veroordeeld, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet meer dan dat niet exact kon worden vastgesteld wanneer de op 21 januari 2022 in Barcelona in beslag genomen vaten met 3-MMC door de opgeëiste persoon en zijn mede-veroordeelde zijn geïmporteerd. Dit betekent geenszins dat de veroordeling ziet op een periode die (ruim) voor januari 2022 is aangevangen, laat staan dat de veroordeling ziet op de periode van (ruim) na 21 januari 2022. Voor dit laatste biedt het Spaanse vonnis geen enkel aanknopingspunt nu daaruit geenszins blijkt dat ná de inbeslagname op 21 januari 2022 nog andere strafbare feiten zouden zijn gepleegd. Er is aldus geen overlap met de gehele in het EAB genoemde periode en de strafbare feiten die binnen die periode mogelijk hebben plaatsgevonden.
Voorts ziet de Franse verdenking op de import in Frankrijk van synthetische drugs (cathinonen) en de verkoop daarvan aan Franse afnemers, tussen 2020 en 2025, alsmede op witwassen en wordt de opgeëiste persoon daar eveneens van deelname aan een criminele organisatie verdacht. Het door de verdediging gevoerde verweer dat de verdenkingen van witwassen en deelname aan een criminele organisatie rechtstreeks voortvloeien uit het in Spanje bewezenverklaarde feitencomplex, volgt de rechtbank niet. Het Spaanse vonnis biedt geen enkel aanknopingspunt om aan te nemen dat hij aldaar ook voor het deelnemen aan een criminele organisatie én witwassen is veroordeeld. Uit het feit dat er in Spanje van ‘medeplegen’ sprake was, mag naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat dit op een criminele organisatie ziet. Verder kan uit het feit dat de handel in drugs aan witwassen gerelateerd kan zijn, evenmin worden afgeleid dat het Spaanse vonnis impliciet ook op witwassen zag. Dat (deels) van een zelfde modus operandi sprake is – de drugs waarop de Franse vervolging ziet, komen mogelijk ook uit India en zijn mogelijk (ook) via Spanje naar Frankrijk gebracht – leidt evenmin tot een ander oordeel.
Gedeeltelijke weigering
Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, dient zij vervolgens te beoordelen of de omstandigheid dat het EAB deels op dezelfde feiten ziet als waarvoor de opgeëiste persoon in Spanje reeds is veroordeeld, tot een gedeeltelijke weigering van de overlevering moet leiden.
Ingevolge artikel 9, tweede lid, onder b, sub 4 OLW wordt de overlevering van de opgeëiste persoon niet toegestaan voor een feit ter zake waarvan hij bij rechterlijke gewijsde van de Nederlandse rechter dan wel van een rechter in een andere lidstaat van de Europese Unie is veroordeeld, in gevallen waarin de opgelegde straf of maatregel in Nederland wordt ondergaan.
De opgeëiste persoon is in Spanje tot (onder andere) een voorwaardelijke vrijheidsstraf van negen maanden veroordeeld met een proeftijd van twee jaren. Deze proeftijd is nog niet verstreken en wordt op dit moment dan ook door de opgeëiste persoon ondergaan in Nederland. Op grond van vaste jurisprudentie van deze rechtbank betekent dit dat de overlevering daarom geweigerd dient te worden voor zover deze ziet op het feit waarvoor de opgeëiste persoon in Spanje is veroordeeld. [9] De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat art. 9, tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, OLW van toepassing is. De straf wordt immers ondergaan en de opgeëiste persoon bevindt zich in Nederland.
Slotsom
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat voor zover het EAB ziet op de vervolging van de opgeëiste persoon voor de handel in en distributie van 10 vaten 3-MMC met een bruto gewicht van 134 kg, die op 21 januari 2022 in beslag zijn genomen in Barcelona, de overlevering op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, sub 4, OLW moet worden geweigerd. Voor het overige wordt het primaire verweer verworpen.
In het licht van hetgeen de rechtbank heeft overwogen ziet zij geen aanleiding om het subsidiaire verzoek om aanhouding in te willigen.

7.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [10]
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft hierover geen standpunt ingenomen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
  • het onderzoek is in Frankrijk aangevangen;
  • de bewijsmiddelen bevinden zich in Frankrijk;
  • in Frankrijk zijn verdovende middelen in beslag genomen;
  • er zijn verdovende middelen in Frankrijk ingevoerd;
  • met de verkoop in Frankrijk van de verdovende middelen aan Franse klanten is wederrechtelijk 5,3 miljoen euro verdiend.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en
weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
Gelet op de argumenten van de officier van justitie vormt het gegeven dat de feiten worden geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding om de weigeringsgrond toe te passen.

8.Artikel 11 OLW Pro; detentieomstandigheden

8.1
Inleiding
In twee uitspraken van 5 augustus 2025 heeft de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten aangenomen voor personen die worden gedetineerd op een mannenafdeling in een Huis van Bewaring in Frankrijk. [11] Dat algemene gevaar betreft het structurele probleem van overbevolking, waardoor er een reëel risico bestaat dat gedetineerden worden geplaatst in een meerpersoonscel met een persoonlijke leefruimte van minder dan drie m². Mannelijke verdachten en veroordeelden die een (rest)straf korter dan twee jaar uitzitten, worden in een Huis van Bewaring gedetineerd, en zo ook de opgeëiste persoon. Voor hem geldt dus het hiervoor bedoelde algemeen gevaar van schending van zijn grondrechten in detentie in Frankrijk.
Gelet op dit algemeen gevaar heeft het Internationaal Rechtshulpcentrum (IRC) de uitvaardigende justitiële autoriteit gevraagd waar de opgeëiste persoon zal worden gedetineerd en hoe de omstandigheden aldaar zijn.
Op 4 februari 2026 is door de
Directorate of Criminal Affairs and Pardons, Specialised Criminal Justice Sub-Directorate, Office of International Criminal Mutual Assistancevan het Franse Ministerie van Justitie de volgende informatie verstrekt:

(…)In view of the above criteria, the Paris Public Prosecutor's Office has informed us that Mr. [de opgeëiste persoon] would, in principle, be eligible for assignment to the Fleury-Mérogis prison within the jurisdiction of the Paris Court of Appeal, whose occupancy rate was, on 1 January 2026, was 170% according to French standards for calculating the occupancy rate of the prisons
However, this is a temporary assignment insofar as, if convicted after his surrender to the French authorities, Mr. [de opgeëiste persoon] will be subject to a so-called orientation procedure, which may result in his transfer to another prison. (…)

1.The conditions of imprisonment of [de opgeëiste persoon]

1.1.
The specific features of French regulations applicable to the calculation of
accommodation capacity in French prisons
As of 1 January 2026, Fleury-Mérogis prison had an overall occupancy rate of 170%, which means that prisoners are being housed in cells that exceed their theoretical capacity.(…)
Operational capacityis calculated in terms of places based on the floor area of the
premises. The area of sanitary facilities is therefore included in the floor area of the
premises; it depends on technical constraints and varies between 1.4 and 1.8m².French
standards stipulate that:
- cells with a surface area of less than 11m² are considered individual cells;
- cells measuring up to 14m² are double cells;
- cells measuring up to 19m² can accommodate up to a maximum of 3 persons;
- those measuring up to 24m² accommodate a maximum of 4 prisoners, etc.
1.2.
The specific conditions of [de opgeëiste persoon] 's imprisonment at Fleury-
Mérogis Prison
The Fleury-Mérogis prison is the largest prison in Europe and houses a men's detention centre (MAH, Maison d’arrêt des hommes). This section is intended to accommodate individuals awaiting trial or serving a final prison sentence of two years or less.
As of 1 December 2025, the men's detention centre has 2,338 cells for adults, with 2,505 operational places, including 205 cells for the same number of operational places in the “arrivals” wing,where Mr. [de opgeëiste persoon] will be temporarily placed upon arrival, if necessary, in an individual cell.
The "men's prison" wing has:
- 2,026 cells with a surface area of 9 to 10m² and a theoretical capacity of 1 place,
- 60 cells with a surface area of 14 to 19m² with a theoretical capacity of 3 places,
- 32 cells adapted to accommodate people with reduced mobility, including 1 cell with a surface area of 11 to 12m² and a capacity of 1 place, and 31 cells with a surface area of 14 to 19m² and a capacity of 1 place,
- 205 cells with a surface area of 9 to 10m² with a theoretical capacity of 1 place for the “arrivals” wing.
Each cell has a window that can be opened to allow fresh air to circulate and enable prisoners to read and work in natural light, a partitioned sanitary area with a toilet and a washbasin with hot and cold water, and a heating system. Lighting is provided by a ceiling light, which is switched on from a switch in the cell. Each prisoner has a bed.
The prison administration provides prisoners with the necessary cleaning products and
equipment. To this end, a cell maintenance kit is distributed when prisoners arrive and
then once a month. It consists of bin bags, bleach, scouring products and a sponge. In
addition, the mop is changed once a quarter.
The Prison Administration provides two hot meals a day, in the morning and evening, as
well as a baguette and a kit containing coffee, tea, jam or butter so that each prisoner can prepare breakfast. The meal menus are developed by catering professionals under the supervision of a dietician. Prisoners can also choose different diets depending on their personal situation or health issues.
With regard to access to healthcare as part of the mandatory interviews during the
"arrival" phase, each prisoner is seen by healthcare staff from the health unit attached to the relevant hospital. Prisoners can then request medical appointments by sending
confidential internal letters, which do not require postage. These are placed in a specific
letterbox, which is collected by the establishment's healthcare staff.
The facility has a healthcare unit: the UCSA (somatic care). The central healthcare unit has general practitioners and specialists who are available on an ad hoc basis (dentists,
gynaecologists, physiotherapists, etc.). Nurses are present under the authority of a senior nurse. For more in-depth examinations, prisoners are transferred to appropriate hospital facilities. In addition to the health unit, the facility has a regional medical-psychological service (SMPR) for psychiatric care. The SMPR has a capacity of 15 cells.
Since 1994, the provision of care and management of health services have been
dependent on hospitals and completely independent of the authority of the French
Ministry of Justice.
Access to cultural, sporting, social, integration, training or work activities is granted at the request of the prisoner and after validation of their registration on a list. Prisoners can therefore take part in sports sessions in a gym or on an outdoor sports field. They can also access education tailored to their level, provided by National Education staff working within the establishment, or, where applicable, distance learning through the CNED training center, and they have access to the establishment's library.
Subject to their enrolment in work programmes, prisoners may also engage in paid work
in the institution's workshops or general services.
Each institution also organises cultural activities based on programmes that evolve
throughout the year.
However, even if a prisoner does not request any activities or respond to any proposals
from staff, they will still have the opportunity to access an outdoor exercise yard for a
minimum of one hour each day. It should be noted that although one hour of exercise per
day is mandatory, this is generally organised into two hours in one or two sessions during the day, depending on the weather.
The time spent in a cell depends on the activities carried out by the prisoner, it being
specified that the length of time during which the prisoner is locked in a cell at night may
not exceed twelve hours, and that the various activities offered to prisoners, allowing
them to spend time outside their cells, are subject to the prisoners' willingness to take
part in them.
Thus, Mr. [de opgeëiste persoon] will have access, if he so wishes, to cultural and sporting
activities, visiting hours in a dedicated area, and the necessary care for any health
problems he may have, all of which are criteria that guarantee sufficient freedom of
movement and time spent outside their cells by prisoners, compatible with decent
conditions of detention.
8.2
Standpunt van de verdediging
Primair is door de raadslieden bepleit dat de verstrekte informatie het gevaar niet wegneemt voor de opgeëiste persoon nu geen afdoende garanties gegeven worden. Er is derhalve sprake van een individueel reëel gevaar van schending van de grondrechten van de opgeëiste persoon. Dit moet er toe leiden dat nu al geen gevolg aan de overlevering wordt gegeven omdat het evident is dat het vastgestelde gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen. Subsidiair wordt verzocht om het individueel gevaar aan te nemen, maar de beslissing aan te houden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW en een redelijke termijn te stellen om af te wachten of wijziging in de omstandigheden optreedt. Dit wordt, zakelijk weergegeven, als volgt onderbouwd.
De door de Franse autoriteiten verstrekte informatie biedt onvoldoende zekerheid dat het vastgestelde algemene gevaar zich in het geval van de opgeëiste persoon niet zal voordoen. Ondanks gerichte en concrete vragen van het IRC, zijn door de Franse autoriteiten geen garanties gegeven. De antwoorden blijven vaag, algemeen en voorwaardelijk, en bieden bijzonder weinig inzicht in de daadwerkelijke omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon zou worden gedetineerd. Er is namelijk geen zekerheid verstrekt over de concrete detentielocatie en het blijft onduidelijk of dat Fleury-Mérogis is. Bovendien is geen garantie gegeven dat de opgeëiste persoon minimaal drie vierkante meter persoonlijke leefruimte zal hebben en er zijn geen waarborgen dat indien dat niet het geval is, een eventuele beperking van die ruimte slechts kortdurend, incidenteel en gering zal zijn. Dit betreft voorwaarden die volgens het Dorobantu-arrest [12] wel moeten worden vervuld. De enkele verwijzing naar algemene voorzieningen, zoals toegang tot culturele en sportieve activiteiten, bezoekuren en gezondheidszorg, die volgens de Franse autoriteiten “voldoende bewegingsvrijheid en tijd buiten de cel” zouden bieden, geven geen enkele concrete invulling van de tijdsduur, frequentie of mate van blootstelling aan een persoonlijke ruimte van minder dan drie vierkante meter. Dat Frankrijk in de toekomst bepaalde algemene inspanningen zou (willen) ondernemen met betrekking tot de detentieomstandigheden, of dat de Franse autoriteiten wijzen op het bestaan van een rechtsmiddel om detentieomstandigheden aan te kaarten, doet hieraan niets af. De opgeëiste persoon kan niet worden overgeleverd met de gedachte dat hij, eenmaal geconfronteerd met ontoelaatbare omstandigheden, achteraf zijn rechten maar zal moeten af dwingen ten overstaan van een Franse rechter.
8.3
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft betoogd dat de detentieomstandigheden in de penitentiaire inrichting
Fleury-Mérogisniet aan overlevering in de weg staan. De antwoorden, die door de uitvaardigende justitiële autoriteit zijn verstrekt, zijn toereikend en nemen het gevaar voor opgeëiste persoon weg. Het is niet ongebruikelijk dat een lidstaat niet met volledige zekerheid kan zeggen waar een opgeëiste persoon terecht zal komen. Volgens het arrest ML van het Hof van Justitie van de Europese Unie [13] moet ook worden gekeken naar de detentie-instelling waar de opgeëiste persoon
naar alle waarschijnlijkheidzal worden geplaatst. In dit geval is dat de gevangenis in Fleury-Mérogis. Gelet op de verstrekte informatie met betrekking tot de omvang van de cellen en de bezettingsgraad, waarbij in aanmerking genomen wordt dat 1,8 m² in beslag genomen wordt door het sanitair, is er voldoende
personal spacevoor de opgeëiste persoon. Dit is het geval zowel als hij in een éénpersoonscel, als in een meerpersoonscel geplaatst wordt.
Zekerheidshalve zijn ook compenserende factoren in de informatie opgenomen die echter niet noodzakelijk zijn als gedetineerden 4 m²
personal spacetot hun beschikking hebben. Verder blijkt uit het meest recente rapport van
the European Committee for the Prevention of Torture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment(CPT) dat de afdelingen waar mannelijke gedetineerden verblijven in de penitentiaire inrichting
Fleury-Mérogisvolledig zijn gerenoveerd en dat de gezondheidszorg overwegend goed is. Ten slotte heeft de rechtbank in een eerdere uitspraak de overlevering van een opgeëiste persoon die in de penitentiaire inrichting
Fleury-Mérogiszou worden geplaatst, toegestaan. [14]
8.4
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat zij op grond van de verstrekte informatie geen afgewogen oordeel kan vellen over de vraag of het aangenomen algemene gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in Franse huizen van bewaring voor mannen, al dan niet ten aanzien van de opgeëiste persoon is weggenomen. De reden hiervoor is dat de uitvaardigende justitiële autoriteit een garantie heeft verstrekt die, naar het oordeel van de rechtbank, onduidelijkheden bevat waarover de rechtbank eerst vragen wil stellen, alvorens zij beslist of de behandeling van het overleveringsverzoek op grond van artikel 11, tweede lid, OLW al dan niet wordt aangehouden en een redelijke termijn wordt gesteld.
De vragen zien op de volgende passages in de verstrekte garantie:
As of 1 December 2025, the men's detention centre has 2,338 cells for adults, with 2,505 operational places, including 205 cells for the same number of operational places in the “arrivals” wing,where Mr. [de opgeëiste persoon] will be temporarily placed upon arrival, if necessary, in an individual cell.
en
The "men's prison" wing has: (…) 205 cells with a surface area of 9 to 10m² with a
theoretical capacity of 1 place for the “arrivals” wing.
Hieruit blijkt – naar de rechtbank begrijpt – dat er in de penitentiaire inrichting
Fleury-Mérogis205 cellen in een “
arrivals” wingzijn, op welke afdeling de opgeëiste persoon tijdelijk zal worden geplaatst na zijn overlevering en, indien nodig, in een éénpersoonscel. Dit roept de vraag op of de opgeëiste persoon tijdelijk in de “
arrivals” wingzal worden geplaatst en zo ja, gedurende welke periode. De rechtbank kan aan de hand van de verstrekte informatie namelijk niet vaststellen of de opgeëiste persoon mogelijk slechts enkele dagen op de “
arrivals” wingzal verblijven.
Verder is niet geheel duidelijk of de woorden “
if necessary” zien op de plaatsing in de “
arrivals” wingof op de plaatsing in een éénpersoons-cel. Indien deze woorden zien op plaatsing in een éénpersoons-cel in de “
arrivals” wing, dan is de rechtbank niet duidelijk hoe zich dit verhoudt tot de zin dat de
"men's prison" wing has: (…) 205 cells with a surface area of 9 to 10m² with a theoretical capacity of 1 place for the “arrivals” wing, waaruit lijkt voort te vloeien dat de cellen in de
“arrivals” wingper definitie éénpersoons-cellen zijn. De rechtbank acht hierbij van belang dat volgens de verstrekte informatie per 1 januari 2026 de bezettingsgraad in de penitentiaire inrichting
Fleury-Mérogis170% is, “
which means that prisoners are being housed in cells that exceed their theoretical capacity”.
Daarom zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen en gelijktijdig schorsen om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om de volgende vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen:
Indien de opgeëiste persoon na overlevering in de penitentiaire inrichting
Fleury-Mérogiswordt geplaatst
gedurende welke periode zal hij dan in de
“arrivals” wingworden geplaatst?
- Zal hij de gehele periode die hij in voorarrest doorbrengt in de
“arrivals” wingworden gedetineerd, of
- geldt de plaatsing slechts voor enkele dagen en wordt hij op enige moment naar een
andere plek in het huis van bewaring
Fleury-Mérogisovergebracht?
Indien de opgeëiste persoon zijn gehele voorarrest in de
“arrivals” wingdoorbrengt: zal hij dan alleen, dus zonder medegedetineerden, in een éénpersoons-cel met een vloeroppervlak van 9 tot 10 m² worden geplaatst? Zo nee, met hoeveel personen zal hij dan in een dergelijke cel (of een andere cel) worden geplaatst?
Indien de opgeëiste persoon
nietzijn gehele voorarrest in de
“arrivals” wingdoorbrengt, waar zal hij dan worden geplaatst?
Over hoeveel vierkante meter
personal space(exclusief sanitair) zal hij dan beschikken?
De rechtbank zal op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW jo. artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, OLW de beslistermijn met 30 dagen verlengen met gelijktijdige verlenging van de
– geschorste – gevangenhouding ex artikel 27, derde lid, OLW. De behandeling van de overleveringszaak dient, in verband met het verstrijken van de beslistermijn op 21 april 2026, uiterlijk op 2 april 2026 weer op zitting te worden gepland.

9.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek ter zitting en bepaalt dat de zaak uiterlijk op
donderdag 2 april 2026opnieuw moet worden ingepland op een zitting;
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW jo. artikel 22, vierde lid, aanhef en onder b, OLW met
dertig dagen;
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de – geschorste – gevangenhouding van de opgeëiste persoon met dertig dagen;
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving daarvan aan zijn raadslieden.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. B.M. Vroom-Cramer, voorzitter,
mrs. I. Verstraeten en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Y.M.E. Jurgens, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 3 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Hof van Justitie van de Europese Unie 18 juli 2007, C-288/05 (
6.Rb. Amsterdam 2 juni 2021, ECLI:NL:RBAMS:2021:8170.
7.HvJ EU 29 april 2021, C-665/20 PPU, EU:C:2021:339, punt 71.
8.HvJ EU 23 maart 2023, C-365/21, EU:C:2023:236, punt 38 en HvJ EU 21 september 2023, C-164/22, ECLI:EU:C:2023:684.
9.Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBAMS:2021:8170.
10.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
11.Rechtbank Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5749 en Rb. Amsterdam 5 augustus 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5751).
12.ECLI:EU:C:2019:857.
13.ECLI:EU:C:2018:589.