Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.CHEF-CHAOUAN B.V.,
2.
[gedaagde 2],
3.
[gedaagde 3],
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
27 februari 2024 een schriftelijke koopovereenkomst ondertekend, waarin het restant van de koopprijs van € 80.000 is opgenomen. Chef-Chaouan c.s. hebben dit restant bedrag niet voldaan. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn op grond van artikel 15 van Pro de koopovereenkomst naast Chef-Chaouan hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van de restant koopsom.
1 maart 2024, maar pas op 8 mei 2024 in de plaats zijn gesteld in de huurovereenkomst, dat de inventaris geen € 35.000 maar € 5.000 waard is, dat het niet zonder meer mogelijk is een Marokkaans restaurant in het pand te vestigen en dat er strenge duurzaamheidsvereisten gelden in geval van een verbouwing. De verbouwing die Chef-Chaouan heeft uitgevoerd is daardoor voor niets geweest.
4.De beoordeling
“(…) heb dus een snackbar overgenomen voor 150 waar van groot gedeelte cash denk niet dat je er slim aan doet maar mij de tijd geeft het goed te onderbouwen in papierwerk wat nu eenmaal tijd kost”.Dat van de koopsom nog € 80.000 verschuldigd is, volgt volgens [eiser] bovendien uit een Whatsapp-bericht van 17 juni 2024 van [gedaagde 3] aan [eiser] , waarin staat:
“die 80K ben ik mee bezig erdoorheen te krijgen ik verwacht deze vrijdag goed gekeurd te krijgen”.
Indeplaatsstelling
8 mei 2024. [eiser] heeft verder in de periode voorafgaand aan de indeplaatsstelling conform de overeenkomst de huur die Chef-Chaouan c.s. aan hem voldeden doorbetaald aan de verhuurder.
Geen garanties - onderzoeksplicht
5.De beslissing
mr. S.C. Zum Vörde Sive Vörding, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.