3.3Het oordeel van de rechtbank
De gebruiker van het account ‘ [account 1] ’
Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij een foto van aangeefster zonder hoofddoek heeft geplaatst op social media. Uit het dossier volgt dat deze foto via het account ‘ [account 1] ’ in een openbare livestream op Tiktok is geplaatst. Verbalisant [verbalisant] hoort de gebruiker van het account ‘ [account 1] ’ onder meer zeggen:
“Dit is [bijnaam] . Ik ga deze foto ook overal plaatsen. Zij is geneukt. Niet door de generaal zelf maar door zijn matties. Zij is helemaal kapot geneukt door 3 gasten uit Amsterdam."Aangeefster heeft de stem achter deze uitlating herkend als de stem van verdachte. Door verbalisant [verbalisant] is de stem herkend op meerdere sociale media accounts, waaronder ook het account ‘ [account 2] ’. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de eigenaar is van het account ‘ [account 2] ’. Verdachte heeft daarnaast verklaard dat hij wel eens gebruik maakt van het account ‘ [account 1] ’. Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte degene is geweest die de ten laste gelegde uitlating via het account ‘ [account 1] ’ heeft gedaan. Het verweer van de raadsman wordt daarmee verworpen.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoen de uitlatingen van verdachte de vereiste bestanddelen van smaad. De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende.
Is er sprake van (vol) opzet?
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte wist dat het door hem gepleegde smaad in strijd was met de waarheid. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft het bestanddeel 'wetende dat' een bijzondere, beperkte betekenis van daadwerkelijke wetenschap, waarvoor voorwaardelijk opzet niet toereikend is (ECLI:NL:HR:2014:3498). Verdacht heeft verklaard dat hij online op Tiktok ‘van horen zeggen’ heeft dat aangeefster onder andere door drie gasten uit Amsterdam ‘helemaal kapot is geneukt’. In de aangifte stelt aangeefster juist dat zij tegenover verdachte alleen heeft verklaard dat zij is betast en dat zij dit niet wilde. Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat verdachte wist dat het te last gelegde feit in strijd met de waarheid is.
De rechtbank acht de in zaak A feit 1, ten laste gelegde laster bewezen.
Bij doxing gaat het om het verschaffen, verspreiden of anderszins ter beschikking stellen van persoonlijke gegevens. Deze gedragingen impliceren opzet. Deze gedragingen moeten zijn gedaan met het oogmerk om een ander vrees aan te jagen, ernstige overlast aan te (laten) doen of ernstig te hinderen in zijn/haar beroepsuitoefening. Aan het oogmerkvereiste is voldaan als de verdachte op het moment van die gedraging die bedoeling heeft dan wel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte heeft beseft dat dit het noodzakelijke gevolg van zijn handelen is.
Op basis van de bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank vast dat verdachte persoonlijke gegevens van aangeefster heeft verspreid, te weten een (privacy gevoelige) foto en het woonadres. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een foto en het adres van aangeefster heeft geplaatst in een livestream op Tiktok. Verdachte heeft daarbij verklaard dat hij deze afbeeldingen heeft geplaatst als reactie op het handelen van aangeefster. Aangeefster zou zijn begonnen met ‘exposen’, het plaatsen van soortgelijke berichten over verdachte. Wat daar verder ook van zij – nog los van het feit dat verdachte deze stelling niet heeft onderbouwd – de rechtbank is van oordeel dat dit op geen enkele wijze een rechtvaardiging oplevert voor het handelen van verdachte. Door het openbaar maken van de privégegevens van aangeefster in combinatie met haar foto is er een veilige barrière doorbroken. Het delen van het huisadres met foto nodigt derden uit tot confrontaties in de echte wereld, waardoor aangeefster en haar medebewoners zich thuis niet langer veilig voelen en is er vrees ontstaan voor haar fysieke en psychische integriteit. Het is een feit van algemene bekendheid dat een huisadres de plek is waar iemand zich veilig moet voelen. En zeker in het geval van aangeefster, nu zij op een afgeschermd adres woonde. Het kan dan ook niet anders zijn dan dat de verdachte bij het plaatsen van de afbeeldingen heeft beseft dat zijn handelen aangeefster vrees zou aanjagen of ernstige overlast zou veroorzaken. Daarmee is voldaan aan het oogmerkvereiste.
De rechtbank acht de in zaak A, feit 2, ten laste gelegde doxing bewezen.
De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling, onder meer is vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging en deze van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied, dat bij de bedreigde in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen respectievelijk zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen en dat het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte daarop was gericht.
De rechtbank stelt op basis van het dossier en hetgeen verdachte op de zitting heeft verklaard vast dat verdachte de gebruiker is van het Tiktokaccount [account 2] . Op zaterdag 22 maart 2025 heeft aangeefster contact opgenomen met de politie. Zij verklaarde dat zij op die dag om 00:01 uur opnieuw bedreigingen had ontvangen via Tiktok Messenger van verdachte waarin staat:
“Je gaat dood. Bij Allah ik ga alles op alles zetten. Als ik jou niet dood schiet ben ik de grootste hoerenkind op aarde. Politie bij mijn ouders toch. Eh wollah ik maak je dood. Stuur dit ook naar de politie.”Direct daarna verscheen verdachte met hetzelfde account met als profielfoto de afbeelding van aangeefster zonder hoofddoek in een livestream van gebruiker “ [naam] ”, waar hij zei:
"Je gaat dood. Als ik jou niet dood schiet ben ik de grootste hoerenkind op aarde".Verdachte heeft verklaard dat hij dit wel zou kunnen hebben gezegd en geschreven omdat hij boos op haar was.
Uit het dossier blijkt dat aangeefster op dezelfde dag - 22 maart 2025 - bij de politie melding heeft gemaakt van de uitlatingen van verdachte en dus op de hoogte is geraakt van deze uitlatingen. De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had dat de bedreigingen terecht zouden komen bij degene op wie ze betrekking hadden. Dit leidt de rechtbank af uit de inhoud van de bedreigingen, de indringende wijze waarop deze werden geuit en de personen die direct kennis namen van de uitlating.
De rechtbank is verder van oordeel dat door de aard van de bedreigingen en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, bij aangeefster de redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook zou worden gepleegd en haar leven gevaar liep. Gelet op de inhoud en aard van de bedreigingen is de rechtbank van oordeel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat bij de aangeefster bovengenoemde vrees zou ontstaan, zodat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte kan worden vastgesteld.
Het verweer van de verdediging dat de woorden niet aan aangeefster zijn gericht wordt verworpen, gelet op de verklaring van aangeefster dat zij het bericht direct via Tiktok Messenger heeft ontvangen. Dat er sprake is geweest van een emotionele uitbarsting is niet onderbouwd, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
ten aanzien van de pleegplaats
Op grond van de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting staat vast dat de verdachte aangeefster niet, zoals ten laste gelegd, in Amsterdam en/of Gouda heeft bedreigd, maar in Nederland. Dat laatste staat bij dit feit, anders dan bij de overige feiten, niet in de tenlastelegging.
De rechtbank zal de tenlastelegging op dit punt verbeterd lezen en acht bewezen dat de bedreiging in Nederland heeft plaatsgevonden. Blijkens de verklaring van verdachte ter terechtzitting heeft geen misverstand bestaan over het aan hem gemaakte verwijt en dat dat feit online (namelijk via social media) en dus in Nederland heeft plaatsgevonden. Over de gebrekkige plaatsaanduiding wordt daarom heengestapt, nu die onjuistheid aan de duidelijkheid geen afbreuk heeft gedaan. Verdachte is daardoor ook niet geschaad in zijn verdediging.
De rechtbank acht de in zaak A, feit 3, ten laste gelegde bedreiging bewezen.
De rechtbank acht op grond van de bekennende verklaring van verdachte en de overige inhoud van het dossier bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal door middel van braak van de in de tenlastelegging genoemde goederen. Met de raadsman acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte de diefstal in vereniging met een of meer anderen heeft gepleegd, zodat verdachte van dit onderdeel wordt vrijgesproken.