Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.[eiser 1] B.V.,2. [eiser 2] B.V.,
1.De procedure
2.De feiten
wok to walkformule) in [plaats] . Werkwijze daarbij is dat voor een nieuwe vestiging [eiser 2] start met de huur van een locatie, waarna een afzonderlijke werkmaatschappij wordt opgericht. [eiser 1] is opgericht met het oog op een nieuw te openen vestiging in de [locatie] van de wok to walk-formule.
wok to walk. Op deze aanvraag is beslist op 30 juni 2017 (zie hierna 2.9).
horeca(onbeperkt), met inbegrip van bijbehorende bergingen.
- op 28 maart 2017 is omgevingsvergunning [nummer] aangevraagd voor een ontheffing van het bestemmingsplan;
- op 6 juni 2017 is besloten dat voor het project zoals aangevraagd geen vergunning vereist is omdat het in overeenstemming is met het bestemmingsplan;
alcoholvrij horecabedrijf zonder terras(…)
[adres](…)
[bedrijf]
1 juli 2020
al dan niet als belanghebbende kan worden beschouwd (…). Voorts is inhoudelijk op het bezwaarschrift ingegaan. Van uw zijde[de vertegenwoordiger van het bevoegd gezag van de gemeente, toevoeging rechtbank]
is onder meer toegelicht dat de onderhavige aanvraag[voor een exploitatievergunning, toevoeging rechtbank]
past binnen het ten tijde van de indiening van de aanvraag geldende bestemmingsplan, te weten het bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan 2] ”. Het nieuwe bestemmingsplan “ [naam bestemmingsplan 1] ” biedt minder ruimte voor horeca. Gelet op het overgangsrecht is dit bestemmingsplan echter niet van toepassing op de onderhavige kwestie.”
toevoeging rechtbank], in onderlinge samenhang bezien, bij verzoekster het beeld kunnen ontstaan dat verweerder de exploitatie van het [bedrijf], ondanks dat het nieuwe bestemmingsplan horeca niet meer toestond, akkoord bevond. Dat sprake is van een stapeling van foute inschattingen van de behandelend ambtenaren en dat met name de exploitatievergunning achteraf niet verleend had mogen worden, zoals door verweerder ter zitting is gesteld, doet niet af aan het beeld dat door deze gedragingen van het bestuursorgaan bij een redelijk denkende burger, en dus bij verzoekster, heeft kunnen ontstaan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kunnen de gedragingen van verweerder in dit verband dan ook worden gekwalificeerd als een toezegging.
3.Het geschil
4.De beoordeling
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)