ECLI:NL:RBAMS:2026:2520

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
13/170837-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ontucht met minderjarige van veertien jaar met seksueel binnendringen

Op 23 mei 2024 pleegde verdachte ontuchtige handelingen met een veertienjarig meisje, waaronder seksueel binnendringen. De rechtbank achtte dit bewezen op basis van bekentenissen, getuigenverklaringen, en bewijs zoals een gevonden condoom en chatberichten.

Verdachte was zich bewust van de leeftijd van het slachtoffer en handelde zonder dwang of geweld, maar maakte een grove inschattingsfout. De rechtbank hield rekening met zijn vlucht uit Gaza, zijn asielprocedure, en zijn positieve proceshouding. Verdachte werd veroordeeld tot 185 dagen gevangenisstraf waarvan 180 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 240 uur.

De benadeelde partij vorderde materiële en immateriële schadevergoeding. De rechtbank kende €760,91 aan materiële schade toe en €10.000,- aan immateriële schade wegens ernstige psychische gevolgen. De totale schadevergoeding inclusief rente bedraagt €10.760,91. Verdachte kreeg een contactverbod en bijzondere voorwaarden opgelegd, waaronder ambulante behandeling en meldplicht bij de reclassering.

De straf en voorwaarden zijn afgestemd op de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de impact op het slachtoffer. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en bepaalde dat de voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op de straf.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 185 dagen gevangenisstraf waarvan 180 voorwaardelijk en een taakstraf van 240 uur wegens ontucht met een veertienjarige, met een schadevergoeding van €10.760,91 aan het slachtoffer.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/170837-24
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1997,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.J. Smilde, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. D. Duijvelshoff, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , en van wat mr. I. Tol, waarnemend voor mr. D. Fontein, namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 mei 2024 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , te weten het
- ontkleden van die [benadeelde partij] , en/of
- zoenen/kussen van het gehele (ontblote) lichaam, en/of
- likken van de borsten, en/of
- bijten in de tepels, en/of
- likken van de vagina, en/of
- bijten in de clitoris, en/of
- brengen/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] ,
en/of
- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde partij] .

3.Waardering van het bewijs

3.1
Inleiding
Op 23 mei 2024 kregen verbalisanten de opdracht om naar een adres in Amsterdam te gaan, omdat daar een veertienjarig meisje seksuele handelingen zou moeten verrichten met een zevenentwintigjarige man. Haar vriendin zou via sociale media contact hebben met het slachtoffer terwijl zij de melding deed. Verdachte hoorde de politie aankomen en kwam de woning uit, in de slaapkamer in de woning troffen de verbalisanten [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ).
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of bewezen kan worden dat verdachte de tenlastegelegde seksuele handelingen bij [benadeelde partij] heeft verricht terwijl zij veertien jaar oud was.
3.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van alle tenlastegelegde feitelijke handelingen, gelet op de verklaringen van verdachte en van [benadeelde partij] .
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring. Verdachte heeft het feit bekend.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 23 mei 2024 ontuchtige handelingen bij [benadeelde partij] heeft verricht, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van haar lichaam, terwijl zij op dat moment veertien jaar oud was. De rechtbank oordeelt dat alle tenlastegelegde feitelijke handelingen bewezen kunnen worden verklaard.
De rechtbank grondt deze bewezenverklaring op de bekennende verklaring van verdachte, het getuigenverhoor van [benadeelde partij] , het aantreffen van het gevulde condoom door de politie in de woning op aanwijzing van verdachte en de berichten die ten tijde van het feit zijn uitgewisseld tussen [benadeelde partij] en haar [vriendin] .
Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij al langer contact had met [benadeelde partij] , dat zij op zijn verjaardag naar zijn huis is gekomen en dat zij op enig moment intiem werden. Hij heeft haar meegenomen naar de slaapkamer, waar hij haar heeft ontkleed, haar oraal heeft bevredigd en haar vagina heeft binnengedrongen met zijn penis, waar hij een condoom om had aangebracht. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard zich niet meer te herinneren of hij ook met zijn vingers haar vagina is binnengedrongen. De rechtbank acht dit wel bewezen, nu [benadeelde partij] heeft verklaard dat verdachte zijn vingers bij haar heeft ingebracht en zij ten tijde van het feit naar [vriendin] het bericht ‘
IM GETTING FINGERED’via Snapchat heeft gestuurd.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:
op 23 mei 2024 te Amsterdam met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , te weten het
- ontkleden van die [benadeelde partij] , en
- zoenen/kussen van het gehele (ontblote) lichaam, en
- likken van de borsten, en
- bijten in de tepels, en
- likken van de vagina, en
- bijten in de clitoris, en
- brengen/of houden van zijn, verdachtes, vinger(s) in de vagina van die [benadeelde partij] ,
en
- brengen en/of houden van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde partij] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden waarvan twaalf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarbij moeten ook de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de context waarbinnen het feit is gepleegd. [benadeelde partij] en haar vriendin hebben op Snapchat willekeurige contacten toegevoegd, waaronder verdachte. Verdachte heeft op die uitnodiging gereageerd toen hij nog maar kort in Nederland was nadat hij was gevlucht voor de oorlog in Gaza. Voordat verdachte en [benadeelde partij] elkaar voor de vierde keer troffen vonden er seksueel getinte gesprekken tussen hen plaats. Die vierde afspraak, op de verjaardag van verdachte, werd volgens [benadeelde partij] door hen beiden voorgesteld, maar misschien wel meer door haar. Het lijkt erop dat [benadeelde partij] voorstelde om naar de woning van verdachte te gaan. Weliswaar waren de ontuchtige handelingen gezien de leeftijd van [benadeelde partij] strafbaar, maar is geen enkele sprake geweest van geweld of bedreiging daarmee. In plaats daarvan heeft [benadeelde partij] verklaard dat verdachte aangaf dat er alleen wat zou gebeuren als zij zich daarmee comfortabel voelde.
Bovendien heeft de raadsman aandacht gevraagd voor de volgende omstandigheden. Verdachte is in december 2023 vanuit Gaza naar Nederland gevlucht en zit sindsdien in een asielprocedure waarin tot op heden nog geen beslissing is genomen. Een veroordeling voor dit feit zal die procedure verder compliceren. De raadsman heeft de rechtbank dan ook gevraagd om daarmee rekening te houden bij de strafmaat.
Ten slotte heeft de raadsman verzocht om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan voorarrest op te leggen, in combinatie met een taakstraf. Verdachte is bereid om zich aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden te houden.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontucht met een minderjarige, dat (mede) bestond uit het seksueel binnendringen van het lichaam. [benadeelde partij] was destijds pas veertien jaar oud, terwijl verdachte zelf de leeftijd van zevenentwintig jaar had. Verdachte en [benadeelde partij] kenden elkaar enige tijd. Zij hebben contact met elkaar gekregen op initiatief van [benadeelde partij] via Snapchat. Daar hebben zij een aantal weken met elkaar gechat, waarna een paar ontmoetingen zijn gevolgd. Op enig moment heeft [benadeelde partij] aan verdachte laten weten dat zij veertien jaar oud was. Verdachte was hier dus van op de hoogte. De laatste ontmoeting vond plaats op de verjaardag van verdachte in zijn woning, mede voorgesteld door [benadeelde partij] . Daar hebben de seksuele handelingen plaatsgevonden. Voor [benadeelde partij] was het de eerste keer dat zij seks had.
De wetgever heeft met de strafbaarstelling van het gedrag dat is omschreven in artikel 245 van Pro het Wetboek van Strafrecht (Sr) beoogd om de jeugdige te beschermen in de normale ontwikkeling. De gevolgen van de in genoemd artikel verboden gedragingen kunnen namelijk ingrijpend zijn: verwarring over het eigen lichaam en de eigen seksualiteit van de jeugdige, gevoelens van schuld of schaamte en negatieve reacties vanuit de sociale omgeving. Dergelijke gevolgen hebben zich ook bij [benadeelde partij] voorgedaan, zoals ook volgt uit de toelichting op haar vordering tot schadevergoeding en uit de namens haar ter zitting voorgedragen slachtofferverklaring. Zo heeft zij sinds het feit last van slaap- en concentratieproblemen en is zij bang voor toekomstig seksueel contact met mannen.
Het bewezen verklaarde betreft een ernstig feit waarvan [benadeelde partij] tot op de dag van vandaag nog hevige last ondervindt, zodat het uitgangspunt een gevangenisstraf van langere duur het uitgangspunt is bij het bepalen van de straf.
Er zijn echter meer omstandigheden waarmee de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening houdt. Zo is er geen sprake geweest van dwang, geweld of manipulatie en is het contact in ieder geval in eerste instantie niet op initiatief van verdachte, maar op initiatief van [benadeelde partij] ontstaan. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte niet uit is geweest op seksueel contact met een minderjarige, maar dat hij een grove inschattingsfout heeft gemaakt met betrekking tot het verwijtbare karakter van zijn handelen. Hij heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen die de seksuele handelingen voor [benadeelde partij] zouden (kunnen) hebben. Verder weegt de rechtbank de proceshouding van verdachte mee. Verdachte heeft het feit direct bekend en heeft meermaals zijn excuses aangeboden aan [benadeelde partij] en haar familie. De rechtbank heeft de indruk dat verdachte oprecht is in zijn spijt en dat hij inziet dat hij anders had moeten handelen. Ten slotte houdt de rechtbank met het feit dat het bewezen verklaarde bijna twee jaar geleden is begaan.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit en dat hij ook na onderhavig feit niet meer met justitie in aanraking is gekomen.
Uit de reclasseringsadviezen van 12 december 2024 en 2 februari 2026, beide opgesteld door [reclasseringsmedewerker] van Jeugdbescherming & Reclassering Leger des Heils blijkt het volgende. De afgelopen maanden heeft verdachte, die sinds eind 2023 in Nederland verblijft, een positieve ontwikkeling binnen zijn leefomstandigheden doorgemaakt. Er is nog steeds sprake van een lopende asielprocedure. Verdachte mag nu echter wel inkomsten genereren uit arbeid, hetgeen sinds februari 2025 het geval is. Daarnaast verblijft hij sinds februari 2025 op een ander logeeradres in Amsterdam en zijn er nog steeds geen aanwijzingen van verdovende middelengebruik of een negatief sociaal netwerk. Verdachte heeft nu meer stabiliteit en structuur binnen zijn leefsituatie bewerkstelligd, hetgeen een recidive verlagende factor is. Het psychosociaal functioneren wordt echter nog steeds als risicofactor gezien en er is een verslechtering in zijn emotionele toestand geconstateerd. De oorlog, het gemis en zorgen om zijn familie in de Gazastrook en de onderhavige strafzaak hebben een behoorlijke impact op het emotioneel welzijn van verdachte. Enkele maanden geleden is de moeder van verdachte omgekomen bij een bombardement in Gaza en verdachte kampt met veel verdriet en onverwerkte trauma's. Hij kan daar moeilijk uiting aan geven, mede vanwege zijn schaamte en angst rondom onderhavige strafzaak.
Tot op heden is vanuit het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: COA) nog geen psychische hulp voor verdachte opgestart ondanks de vele zorgen die de reclassering in 2024 al heeft geuit. Aangezien verdachte op een logeeradres in Amsterdam verblijft en niet in een asielzoekerscentrum (hierna: AZC), wordt door het COA veel zelfstandigheid van hem verwacht, zoals ook het zoeken van psychische hulp. Het is tot op heden niet gelukt om een passende GGZ-instelling te vinden. Ondanks dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat, ziet de reclassering, gelet op de ernst van de verdenking en de verslechtering van zijn emotioneel welzijn, dan ook de noodzaak van een ambulant behandeltraject bij een GGZ-instelling binnen een forensisch kader, zodat adequate zorg (ook op het gebied van seksualiteit) eventueel met een indicatiestelling forensische zorg gefinancierd kan worden.
De reclassering adviseert dan ook om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen aan verdachte, met daarbij de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, ambulante behandeling en een contactverbod met [benadeelde partij] en haar ouders.
Strafoplegging
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis geen enkel redelijk strafdoel dient. Gelet op de adviezen van de reclassering ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen van 185 dagen, maar waarvan 180 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel worden de geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden. Om voldoende recht te doen aan de ernst van het bewezen verklaarde feit legt de rechtbank daarnaast de maximale taakstraf op.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft zich gevoegd en vordert € 23.453,39 aan vergoeding van materiële schade en € 10.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De gevorderde materiële schade bestaat uit de volgende posten:
  • € 553,39 voor gemaakte reiskosten naar een psycholoog in Alkmaar en naar [naam organisatie] in Amsterdam (2305,8 kilometer in totaal, voor het tarief van € 0,24 per kilometer – ter terechtzitting verhoogd tot het standaardtarief per kilometer);
  • € 250,00 voor toekomstige reiskosten
  • € 22.650,00 wegens studievertraging van twaalf maanden gebaseerd op de richtlijn van de Letselschaderaad voor HAVO.
9.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen voor zover die ziet op de gemaakte reiskosten. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op de kosten wegens studievertraging, omdat het causale verband tussen het feit en die schade onvoldoende vast is komen te staan. Voor het overige kan de vordering worden toegewezen.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de kosten wegens studievertraging ook op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens een gebrek aan causaal verband. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman verzocht deze aanzienlijk te matigen, aangezien de aangehaalde jurisprudentie niet vergelijkbaar is met onderhavige zaak.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De materiële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 760,91. Dit bedrag bestaat uit de gemaakte reiskosten, welke zijn berekend aan de hand van het standaardtarief van € 0,33 voor dergelijke kosten zoals vastgesteld in de Letselschade Richtlijn Kilometervergoeding 2026, nu deze schadeposten voldoende zijn onderbouwd en niet zijn betwist.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De reiskosten zijn gemaakt in de periode vanaf 20 juni 2024 tot en met 16 januari 2026. De rechtbank kiest een datum in het midden van deze periode, te weten 1 mei 2025, als startpunt voor de wettelijke rente.
De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De toekomstige reiskosten zijn nog niet gemaakt en dus niet voor toewijzing vatbaar. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het rechtstreeks verband tussen de schade die de benadeelde partij heeft geleden door studievertraging en het bewezenverklaarde feit, gelet op de gemotiveerde betwisting, onvoldoende is onderbouwd. Immers, in de aangifte van 24 mei 2024 heeft de vader van de benadeelde partij verklaard dat het op dat moment – dus vóór dit feit – al slecht met haar ging op school en dat ze het schooljaar niet zou halen. Aanhouding van de procedure om de benadeelde in de gelegenheid te stellen haar vordering op dit punt nader te onderbouwen, levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafproces op.
De immateriële schade
De benadeelde partij heeft gesteld onderbouwd dat zij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht, omdat zij als gevolg hiervan op andere wijze in haar persoon is aangetast in de zin van artikel 6:106 onder Pro b van het Burgerlijk Wetboek, er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke en geestelijke integriteit. Als gevolg hiervan heeft zij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien
De rechtbank heeft bij het vaststellen van de hoogte van de vordering gelet op de Rotterdamse schaal - Ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. De rechtbank sluit aan bij ‘ontucht met binnendringen’ categorie ‘ernstig’, gelet op de zeer jonge leeftijd van de benadeelde partij, het feit dat sprake is geweest van vaginaal binnendringen, het feit dat zij hiervoor nog nooit seksueel contact had gehad en de psychische schade die zij door dit feit heeft geleden. Gelet hierop acht de rechtbank de gevorderde schadevergoeding van € 10.000,- billijk en zal verdachte worden veroordeeld dit bedrag te aan de benadeelde te betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 10.760,91, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
185 (honderdvijfentachtig) dagen.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
180 (honderdtachtig) dagen, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Meldplicht:
Veroordeelde moet zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd melden bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering op het [adres reclassering] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zo lang de reclassering dat nodig vindt;
Ambulante behandeling:
Veroordeelde laat zich behandelen door een GGZ-instelling, te bepalen door de reclassering, indien en voor zover met behulp van de POH-GGZ geen passende zorginstelling wordt gevonden. De behandeling start zodra er een intakegesprek heeft plaatsgevonden. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zo veel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
Contactverbod:
Veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] , en haar ouders, zo lang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van
240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderdtwintig) dagen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 760,91(zegge: zevenhonderdzestig euro en eenennegentig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 10.000,-(zegge: tienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 mei 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van de toegewezen bedragen aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat € 10.760,91 te betalen. Het materiële deel van deze verplichting, groot € 760,91, wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 mei 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. Het immateriële deel van deze verplichting, groot € 10.000,-, wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 mei 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 78 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mr. M.C. Danel en mr. M. Samadi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2026.