Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2519

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
13/405509-24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 242 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor gewelddadige verkrachting ex-vrouw in haar woning

Op 23 maart 2024 heeft verdachte zijn ex-vrouw in haar woning te Amstelveen met geweld gedwongen tot seksuele handelingen, waaronder vaginaal binnendringen met zijn penis. De rechtbank acht bewezen dat verdachte met geweld en bedreiging heeft gehandeld, ondanks zijn stelling dat de seks vrijwillig was.

De rechtbank baseert haar oordeel op consistente en gedetailleerde verklaringen van de benadeelde partij, overeenkomend met eerdere verklaringen aan haar psycholoog en politie, en een telefoongesprek waarin verdachte de gang van zaken bevestigt. Verweren van de verdediging, waaronder twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaring en het ontbreken van opzet, worden verworpen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, en legt contact- en locatieverboden op. De immateriële schadevergoeding aan de benadeelde partij wordt vastgesteld op €7.000, met wettelijke rente vanaf de datum van het feit. Materiële schade wordt afgewezen wegens onvoldoende causaal verband.

De straf houdt rekening met de ernst van het feit, de psychische impact op het slachtoffer, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten. De rechtbank wijst de vordering tot materiële schade af, maar veroordeelt verdachte tot betaling van immateriële schade en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 30 maanden gevangenisstraf, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, en moet €7.000 immateriële schadevergoeding betalen aan de benadeelde partij.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/405509-24
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland 1] ) in 1971,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.W. van Zanten, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. B.W. Newitt en mr. S. Jonge, naar voren hebben gebracht.
Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] , en van wat mr. T.G.J. Nevels namens de benadeelde partij naar voren heeft gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 maart 2024 te Amstelveen door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten
- het vastpakken van de arm(en) van [benadeelde partij] en/of het meetrekken naar de slaapkamer en/of
- ( in de slaapkamer) het op haar buik op bed duwen van die [benadeelde partij] en/of het gaan liggen op het lichaam van die [benadeelde partij] en/of
- het tegen het bed duwen van die [benadeelde partij] en/of
- het vastpakken van en/of trekken aan de haren van die [benadeelde partij] en/of
- het doorgaan met deze handelingen terwijl zij had gezegd; "Doe mij dit niet aan!" in elk geval nadat zij hem had gevraagd op te houden en/of
- het drukken van het gezicht van die [benadeelde partij] in het matras van het bed en/of
- het vastpakken van en/of naar achteren trekken van de handen van die [benadeelde partij] en/of
- het (met kracht) naar beneden trekken van de broek en/of de onderbroek van die [benadeelde partij] en/of
- het uiten van de woorden: "ik ga jou neuken" althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
[benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , te weten het met zijn penis, vaginaal binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] .

3.Waardering van het bewijs

3.1
Inleiding
Op 27 maart 2024 komt bij de politie een melding binnen van [naam getuige] . Zij verklaart dat zij dezelfde dag als psycholoog een gesprek heeft gehad met een cliënte (aangeefster) die aan haar heeft onthuld op 23 maart 2024 in haar woning door haar ex-man (verdachte) te zijn verkracht. Dezelfde dag vindt er een informatief gesprek zeden met aangeefster plaats. De politie doet forensisch medisch onderzoek, hoort [naam getuige] als getuige en doet onderzoek naar de telefoon van aangeefster. Verdachte verklaart dat er op die bewuste dag seks is geweest tussen hem en aangeefster, maar dat dit vrijwillig was. Van dwang zou geen sprake zijn.
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of bewezen kan worden dat verdachte aangeefster heeft verkracht.
3.2
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.
3.3
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken.
Verdachte heeft verklaard dat hij op uitnodiging van aangeefster naar haar woning is gegaan, dat zij twee keer vrijwillig seks met elkaar hebben gehad en dat hij pas de volgende ochtend is vertrokken. Nadat hij is vertrokken, heeft aangeefster uit woede aangifte gedaan van verkrachting. Zij hadden namelijk afgesproken dat verdachte een paar dagen zou blijven.
Daar komt bij dat de opname van het telefoongesprek niet als bewijs kan dienen. Aangeefster heeft verdachte namelijk voorafgaand aan dat gesprek meerdere keren opgebeld en hem beschuldigd van verkrachting, wat verdachte steeds ontkende, waarna aangeefster de verbinding dan telkens verbrak. Uiteindelijk heeft hij haar teruggebeld en is hij meegegaan in haar verhaal om erachter te komen wat aangeefster precies dwars zat en om te voorkomen dat zij de verbinding zou verbreken. Hierdoor lijkt het alsof hij in de opname een bekennende verklaring aflegt, maar dat is niet het geval.
Verder is het zo dat uit het dossier en het verzoek tot schadevergoeding blijkt dat aangeefster lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS), waardoor het mogelijk is dat zij veilige situaties als onveilig interpreteert. Mogelijk is dit de reden dat zij de seks met verdachte als een verkrachting heeft ervaren, terwijl dit niet het geval was.
Bovendien kunnen de screenshots van het WhatsApp-gesprek tussen aangeefster en verdachte niet dienen tot het bewijs, omdat deze ongedateerd zijn. Verdachte stelt dat de bewuste gesprekken uit een ander jaar dan 2024 komen.
Ook is het zo dat verdachte en aangeefster nog verschillende keren met elkaar hebben afgesproken na 23 maart 2024. Bij haar verhoor bij de rechter-commissaris is aangeefster met een foto van één van deze afspraken geconfronteerd, maar wist zij niet meer of de foto voor of na 23 maart 2024 is genomen. Dit ondersteunt de verklaring van verdachte dat zij elkaar daarna nog regelmatig hebben gezien.
De getuigenverklaring van [naam getuige] kan ook niet dienen tot het bewijs, aangezien haar verklaring slechts een weergave van de verklaring van aangeefster behelst en er dus sprake is van één en dezelfde bron.
Gelet op al het bovenstaande kan de verklaring van aangeefster niet dienen als uitgangspunt voor wat zich die bewuste avond heeft voorgedaan. De rechtbank begrijpt dit verweer zo, dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat de verklaring van aangeefster niet betrouwbaar is. Bij het volgen van de verklaring van verdachte is het zo dat op geen enkel moment voor hem kenbaar is geweest dat aangeefster de seks niet heeft gewild. De verdediging heeft de rechtbank daarom verzocht om verdachte vrij te spreken wegens een gebrek aan opzet op het tegen de wil van aangeefster seksueel binnendringen van haar lichaam.
3.4
Het oordeel van de rechtbank
Uit de verklaring van verdachte ter zoals afgelegd ter zitting, alsmede uit het verhoor van aangeefster, volgt dat verdachte op de avond van 23 maart 2024 in de woning van aangeefster is geweest. Er is aldus geen discussie over de aanwezigheid van verdachte in de woning van aangeefster. Er bestaat evenmin discussie over de vraag of verdachte het lichaam van aangeefster seksueel is binnengedrongen. Wel bestaat er discussie over de vraag of dit gedwongen heeft plaatsgevonden door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid.
De rechtbank ziet zich, mede in het licht van de door de raadsman gevoerde bewijsverweren, gesteld voor de vraag of de verklaring van aangeefster betrouwbaar is, of deze verklaring voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen en of het aanwezige bewijs in onderlinge samenhang beschouwd de door de verdediging geschetste alternatieve scenario’s onaannemelijk maken. Deze vragen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
Vooropgesteld moet worden dat verklaringen moeten worden beoordeeld op consistentie, accuraatheid en volledigheid. De enkele omstandigheid dat in verklaringen op punten tegenstrijdigheden voorkomen, maakt deze verklaringen op zichzelf nog niet onbetrouwbaar. Dat kan immers te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijk geheugen, teweeggebracht door emoties of schaamte dan wel ontstaan zijn door het delict of tijdsverloop. Het gaat om de totale indruk die de verklaringen maken en de wijze waarop zij zijn afgelegd.
De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster, zoals zij deze bij de politie en bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, betrouwbaar. Beide verklaringen zijn namelijk consistent en gedetailleerd. Aangeefster heeft op hoofdlijnen, namelijk wat betreft de aanleiding van het feit en de seksuele handelingen, telkens consistent verklaard. Deze verklaringen komen bovendien overeen met hetgeen zij vlak na de gebeurtenis op 23 maart 2024 aan haar psycholoog, [naam getuige] – die daarover bij de politie is gehoord – heeft verteld. Dit alles draagt bij aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.
Haar verklaringen komen op essentiële onderdelen overeen met andere in de bewijsmiddelen redengevende feiten en omstandigheden. Door de advocaat van aangeefster is aan de politie een opname van een telefoongesprek tussen haar en verdachte verstrekt. Dit gesprek is vertaald. Uit deze vertaling blijkt dat verdachte door aangeefster is geconfronteerd met wat zich op 23 maart 2024 in haar woning heeft afgespeeld. Toen aangeefster vroeg
‘Jij moet niet mijn huis binnenvallen, mij met dwang vasthouden, mij op het bed gooien en dan moet ik tegen je zeggen alstublieft wat doe je nou. Nee nee ik ga je neuken. Nee nee ik ga je neuken, heb jij dat niet gedaan dan?’reageerde verdachte daarop twee keer met
‘Dat heb ik gedaan ja’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte in dit gesprek dan ook de gang van zaken bevestigd zoals aangeefster daarover heeft verklaard. Ter zitting heeft verdachte gesteld dat hij uitgelokt zou zijn door aangeefster om mee te gaan in haar lezing van de feiten. Hiertoe zou aangeefster verdachte eerder meerdere keren hebben gebeld en telkens hebben opgehangen wanneer verdachte niet meeging in haar narratief. Dit blijkt echter niet uit het dossier en is ook voor het overige niet aannemelijk gemaakt door verdachte.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen aanleiding om de verklaringen niet betrouwbaar te achten. De enkele omstandigheid dat aangeefster aan PTSS lijdt, maakt niet zonder meer dat haar verklaring onbetrouwbaar moet worden geacht. Dit geldt ook voor het feit dat aangeefster, toen zij bij haar verhoor bij de rechter-commissaris werd geconfronteerd met een foto van haar en verdachte, niet meer precies wist wanneer deze foto genomen was. Zoals gezegd kan dit te wijten zijn aan de feilbaarheid van het menselijke geheugen, mede indachtig het tijdsverloop van ruim een jaar tussen de aangifte en het verhoor bij de rechter-commissaris.
De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster dan ook bruikbaar voor het bewijs.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de verdachte geschetste scenario geen steun vindt in het dossier en ook voor het overige niet aannemelijk is geworden.
De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat bewezen is dat verdachte aangeefster met geweld en bedreiging met geweld heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen, zoals is ten laste gelegd. De verweren van de verdediging slagen niet.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in
bijlage Ivervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
op 23 maart 2024 te Amstelveen door geweld en bedreiging met geweld, te weten
- het vastpakken van de arm van [benadeelde partij] en het meetrekken naar de slaapkamer en
- in de slaapkamer het op haar buik op bed duwen van die [benadeelde partij] en het gaan liggen op het lichaam van die [benadeelde partij] en
- het tegen het bed duwen van die [benadeelde partij] en
- het vastpakken van en trekken aan de haren van die [benadeelde partij] en
- het doorgaan met deze handelingen terwijl zij had gezegd; "Doe mij dit niet aan!" en
- het drukken van het gezicht van die [benadeelde partij] in het matras van het bed en
- het vastpakken van en naar achteren trekken van de handen van die [benadeelde partij] en
- het met kracht naar beneden trekken van de broek en de onderbroek van die [benadeelde partij] en
- het uiten van de woorden: "ik ga jou neuken";
[benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] , te weten het met zijn penis, vaginaal binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij] .
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

8.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarbij moeten ook een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod ten aanzien van de straat waarin zij woont worden opgelegd als bijzondere voorwaarden. Deze voorwaarden dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij de strafmaat rekening te houden met de volgende omstandigheden. De gebeurtenissen dateren van twee jaar geleden. Verdachte en aangeefster hebben geen contact meer met elkaar. Verdachte heeft zijn leven op orde. Hij is opnieuw getrouwd en is vader van vier kinderen en grootvader van zeven kleinkinderen. Gelet hierop bestaat geen reëel recidiverisico (meer). De verdediging heeft dan ook verzocht om bij een bewezenverklaring een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden op te leggen, in combinatie met een taakstraf van 240 uren.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewelddadige verkrachting. Hij is de woning van aangeefster, zijn ex-vrouw, binnengedrongen en heeft haar daar met geweld overmeesterd. Hierna heeft hij haar vaginaal gepenetreerd met zijn penis. Verdachte heeft zich hierbij laten leiden door zijn eigen lusten en de wil van aangeefster daaraan volstrekt ondergeschikt gemaakt. Dat is een zeer ernstig feit. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten hiervan vaak zeer langdurige en ernstige psychische gevolgen ondervinden, zoals ook is gebleken uit de verklaringen van aangeefster en haar verzoek tot schadevergoeding. Daarbij komt dat de verkrachting zich in de woning van aangeefster heeft afgespeeld; een plek waar zij zich bij uitstek veilig moet kunnen voelen. Aangeefster wordt hierdoor dagelijks herinnerd aan de verkrachting, wat haar herstel niet ten goede komt. Ook hier heeft verdachte zich niet om bekommerd.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Verder heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 20 januari 2026, opgesteld door [reclasseringsmedewerker] . Hieruit blijkt – kort samengevat – het volgende. Verdachte was ongeveer vijf jaar samen met aangeefster, waarvan drie jaar getrouwd. In 2019 was hij verdacht van mishandeling van haar, maar deze zaak werd geseponeerd wegens onvoldoende bewijs. Na hun scheiding hadden zij nog geregeld seks op vrijwillige basis. De reclassering krijgt moeilijk zicht op de relatie en de dynamiek tussen verdachte en aangeefster. Zij spreken elkaar tegen en beschuldigen elkaar van onder meer jaloezie en agressie. Sinds verdachte er in juli 2024 achter kwam dat zij aangifte tegen hem heeft gedaan, heeft hij alle contact met haar verbroken, aldus verdachte. Vóór het huwelijk met aangeefster was verdachte twintig jaar samen met een vrouw met wie hij vier kinderen kreeg. De onderlinge contacten zouden positief zijn. Sinds ongeveer een jaar heeft verdachte een nieuwe partner met wie hij samenwoont. In praktisch opzicht ziet de reclassering, afgezien
van het feit dat verdachte geen zinvolle dagbesteding heeft omdat hij is afgekeurd voor werk, geen grote problemen. De reclassering kan geen risicoanalyse maken, aangezien verdachte ontkent. De reclassering adviseert dan ook een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Wel geeft de reclassering de rechtbank in overweging om een contact- en locatieverbod op te leggen.
Strafoplegging
Gelet op de ernst van het feit, zoals hierboven is beschreven, en rekening houdend met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, acht de rechtbank een gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. Een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, zoals door de verdediging is voorgesteld, doet geen enkel recht aan de ernst van deze zaak.
Wel ziet de rechtbank aanleiding om de straf deels voorwaardelijk op te leggen en daaraan als bijzondere voorwaarde een contact- en locatieverbod te verbinden. Uit het dossier en uit het reclasseringsadvies volgt namelijk dat verdachte telefonisch en fysiek contact bleef zoeken met aangeefster, terwijl zij dit niet wil. Zo belde en appte hij haar – in ieder geval in de maanden na het feit – regelmatig en heeft aangeefster hem een keer in haar straat gezien.
Alles afwegende, acht de rechtbank de straf zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden en zal de rechtbank verdachte veroordelen tot een gevangenisstaf van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren.

9.Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert € 385,- aan vergoeding van materiële schade bestaande uit het eigen risico van de zorgverzekering en € 7.000,- aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.
9.1
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering integraal kan worden toegewezen nu deze voldoende is onderbouwd.
9.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering, gelet op het verzoek tot vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
9.3
Het oordeel van de rechtbank
De materiële schade
De rechtbank zal de vordering tot vergoeding van materiële schade afwijzen. Uit de onderbouwing volgt dat de benadeelde partij in 2024 en 2025 het eigen risico verschuldigd is voor de behandeling door een psycholoog. Deze behandeling is gestart in verband met een andere traumatische ervaring en was ten tijde van het gepleegde feit al gestart. Ook in 2025 is de behandeling mede gericht op die eerdere traumatische ervaring. Onder die omstandigheden is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van schade als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde. Immers volgt uit de onderbouwing dat de eigen bijdrage hoe dan ook verschuldigd zou zijn.
De immateriële schade
Vaststaat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht nu voldoende is gesteld en onderbouwd dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde op andere wijze in haar persoon is aangetast. Op grond van artikel 6:106 onder Pro b. van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.
Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met De Rotterdamse Schaal, die bij verkrachting in de categorie tamelijk ernstig een vergoeding van € 2.500,- tot € 7.500, vermeldt, stelt de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid vast op het gevorderde bedrag van € 7.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf 23 maart 2024 tot aan de dag der algehele voldoening.
Proceskosten
De rechtbank veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank ten behoeve van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, op de wijze zoals hieronder is opgenomen.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 242 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
verkrachting.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
30 (dertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte, groot
10 (tien) maanden, van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
2 (twee) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De tenuitvoerlegging kan ook worden bevolen als de veroordeelde gedurende de proeftijd niet aan de hierna vermelde bijzondere voorwaarden voldoet.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
Contactverbod:
Veroordeelde mag gedurende de proeftijd twee jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland 2] ), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
Locatieverbod:
Veroordeelde mag zich gedurende de proeftijd twee jaren niet bevinden in de gehele straat [straatnaam] in Amstelveen zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] toe tot een bedrag van
€ 7.000,-(zegge: zevenduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Wijst de vordering voor het overige af.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat
€ 7.000,-(zegge: zevenduizend euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 23 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 60 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J. Thomas, voorzitter,
mr. M.C. Danel en mr. M. Samadi, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Ç.H. Dede, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 11 maart 2026.
[...]