ECLI:NL:RBAMS:2026:2424

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11734332 \ CV EXPL 25-8010
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:610 BWArt. 6:96 BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 151 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen arbeidsovereenkomst maar overeenkomst van opdracht met recht op betaling goedgekeurde uren

Eiser voerde aan dat hij een arbeidsovereenkomst had met PotatoNext en/of Staan, en vorderde betaling van salaris, aanzegvergoeding en transitievergoeding. Staan en PotatoNext betwistten dit en stelden dat sprake was van een overeenkomst van opdracht. De rechtbank beoordeelde de aard van de overeenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf en relevante jurisprudentie, waarbij werd gekeken naar de duur, instructies, beloning en ondernemersrisico.

De rechtbank concludeerde dat de verhouding tussen eiser en PotatoNext niet als arbeidsovereenkomst kan worden gekwalificeerd. Eiser verrichtte werkzaamheden op basis van een overeenkomst van opdracht met Staan, waarbij PotatoNext de opdrachtgever was. De urenstaten die eiser indiende en die door PotatoNext werden goedgekeurd, vormden een onderhandse akte en leverden dwingend bewijs op van de gewerkte uren.

Staan voerde tegenbewijs aan dat eiser minder uren had gewerkt dan gedeclareerd, onder meer op basis van laptopactiviteit en inlogs in het ERP-systeem. De rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd en oordeelde dat Staan niet was geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Daarom had eiser recht op betaling van de goedgekeurde uren, verminderd met de reeds gecrediteerde correctie.

Daarnaast werd Staan veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten, terwijl de vordering tegen PotatoNext werd afgewezen. De proceskosten werden deels gecompenseerd en deels aan eiser opgelegd. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat er geen arbeidsovereenkomst bestaat, veroordeelt Staan tot betaling van de goedgekeurde uren en incassokosten, en wijst de vorderingen tegen PotatoNext af.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11734332 \ CV EXPL 25-8010
Vonnis van 5 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen

1.STAAN FINANCE & CONSULTANCY B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Staan,
gemachtigde: mr. R.M. Beltzer,
en

2.2. POTATONEXT B.V.,

gevestigd te Oud-Beijerland,
gedaagde partij in conventie,
hierna te noemen: PotatoNext,
gemachtigde: mr. H.J. Ulehake-Mink.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft aanvankelijk een verzoekschrift alsmede een aanvullend verzoekschrift ingediend. In die procedure met zaaknummer 11649327 / EA VERZ 25-412 is bij beschikking van 5 juni 2025 geoordeeld dat de procedure zoals door [eiser] beoogd door middel van een exploot van dagvaarding aanhangig moet worden gemaakt. Vervolgens heeft [eiser] de onderhavige procedure aanhangig gemaakt.
1.2.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de gelijkluidende dagvaardingen van 17 juni 2025, met producties;
- de conclusie van antwoord van PotatoNext, met producties;
- de conclusie van antwoord van Staan, tevens houdende een eis in reconventie, met producties.
1.3.
Op 29 september 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [eiser] was aanwezig, bijgestaan door mr. G.C. Haulussy namens de gemachtigde. Namens Staan was [naam 1] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Namens PotatoNext was [naam 2] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. [eiser] heeft bij aanvang van de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, van Staan niet had ontvangen. Met instemming van partijen is de mondelinge behandeling voortgezet en heeft Staan de genoemde conclusie nog dezelfde dag aan [eiser] toegestuurd, zodat [eiser] vervolgens nog de gelegenheid zou krijgen om daarop schriftelijk reageren. Ter zitting hebben partijen het woord gevoerd, de gemachtigden mede aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt die, met de overgelegde spreekaantekeningen, in het dossier zijn gevoegd. Daarna is de zaak naar de rol verwezen voor schriftelijk voortprocederen.
1.4.
Partijen hebben daarna de volgende stukken in het geding gebracht:
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties;
- de conclusie van repliek in reconventie;
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.5.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] , daarbij handelend vanuit zijn eenmanszaak onder de naam [handelsnaam] , heeft met Staan een overeenkomst gesloten met ingang van 15 januari 2024 tot 19 april 2024. Deze overeenkomst is getiteld “Overeenkomst van opdracht Interim Consultant”. De opdracht houdt in dat [eiser] als Financial Controller, via Staan, de overeengekomen werkzaamheden zal gaan verrichten bij PotatoNext.
2.2.
In de overeenkomst staat dat partijen uitsluitend met elkaar een overeenkomst van opdracht wensen te sluiten en dat zij uitdrukkelijk niet beogen om een arbeidsovereenkomst met elkaar aan te gaan. Ook staat daarin dat [eiser] zijn werkzaamheden zelfstandig indeelt en de overeengekomen werkzaamheden naar eigen inzicht en zonder leiding of toezicht van Staan of PotatoNext verricht, maar dat laatstgenoemden wel aanwijzingen en instructies kunnen geven omtrent het resultaat van de opdracht. Het staat [eiser] op grond van de overeenkomst vrij de werkzaamheden te laten uitvoeren door derden. Over de vergoeding hebben partijen afgesproken dat Staan aan [eiser] een all-in uurtarief betaald, waarin ook verzekeringskosten zijn inbegrepen. Staan hoeft daarover geen loonbelasting of sociale verzekeringspremies in te houden. Facturatie door [eiser] vindt plaats door middel van een self-billing factuur van Staan, die is gebaseerd op de urenverantwoording die [eiser] indient bij PotatoNext en die door PotatoNext wordt goedgekeurd. PotatoNext dient op haar beurt aan Staan een vergoeding te betalen die eveneens is gebaseerd op de ingediende urenverantwoording. Staan betaalt pas aan [eiser] wanneer zij betaling van PotatoNext heeft ontvangen. Verder staat in de overeenkomst vermeld dat [eiser] een aansprakelijkheidsverzekering moet afsluiten.
2.3.
Deze overeenkomst is vervolgens meermalen verlengd, voor het laatst voor de looptijd van 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025.
2.4.
[eiser] heeft voor zijn werkzaamheden telkens na afloop van iedere maand bij PotatoNext een urenverantwoording ingediend, waarin per dag staat weergegeven hoeveel uren [eiser] die dag heeft gewerkt. Deze urenstaten werden telkens door PotatoNext goedgekeurd en vormden de basis voor de uit te betalen vergoeding door Staan aan [eiser] .
2.5.
Over de periode van 1 januari 2025 tot en met 31 januari 2025 heeft [eiser] een urenverantwoording ingediend die neerkomt op in totaal 168 gewerkte uren, waaronder acht gewerkte uren op 1 januari 2025. Deze urenstaat is op 11 februari 2025 zonder opmerkingen door PotatoNext goedgekeurd. Conform het overeengekomen uurtarief heeft Staan vervolgens een self-billing factuur opgemaakt voor 168 gewerkte uren in de genoemde periode, wat neerkomt op € 16.770,60 inclusief btw. Op de factuur staat 13 maart 2025 als vervaldatum vermeld.
2.6.
Omdat betaling van de factuur over januari 2025 uitbleef, heeft [eiser] contact opgenomen met Staan. Daarop werd aan [eiser] meegedeeld dat Staan op 21 maart 2025 van PotatoNext een e-mail had ontvangen met de volgende inhoud:
“(…) Hierbij een verklaring voor het blokkeren van de betaling van de factuur van januari 2025 voor de uren van [eiser] .
Bij het controleren van de factuur van januari 2025 verbaasde ik mij over het feit dat [eiser] op 1 januari 8 gewerkte uren heeft geschreven, hoewel dit uiteraard een feestdag is en er geen afspraken zijn gemaakt over deze dag verplicht moeten werken. Daarnaast waren wij niet tevreden over de hoeveelheid werk die [eiser] de afgelopen maanden heeft verricht, zowel kwalitatief als kwantitatief. Verder heb ik vernomen dat [eiser] op thuiswerkdagen niet altijd goed bereikbaar was. Hierdoor zijn wij een onderzoek gestart naar de gedeclareerde uren van de maand december 2024 en januari 2025.
Dit onderzoek hebben wij in eerste instantie gebaseerd op de activiteit van de laptop van [eiser] , dit is uiteraard een goede graadmeter omdat [eiser] bij al zijn werkzaamheden de laptop van PotatoNext nodig heeft. Hieruit hebben wij de schokkende conclusie getrokken dat [eiser] een behoorlijk aantal uren en/of dagen niet actief is geweest, hoewel er wel degelijk uren zijn gedeclareerd.
Hierna zijn wij een nader onderzoek gestart naar de gedeclareerde uren van de maanden januari 2024 tm november 2024, in deze maanden hebben we geen informatie over de activiteit van de laptop, maar hebben we de inlog gegevens in het ERP systeem van PotatoNext bekeken. Dit is een juiste graadmeter, omdat [eiser] bij zeker 90% van zijn werkzaamheden nodig heeft om zijn taken goed te kunnen uitvoeren.
Hieruit hebben wij, voor de maanden december 2024 en januari 2025 dezelfde conclusie kunnen trekken als in het eerste onderzoek, verder hebben wij geconstateerd dat er in de andere maanden ook een veelvoud aan ontbrekende uren zijn gedeclareerd. Wij zijn er hierbij vanuit gegaan dat wanneer hij een volledige dag niet heeft ingelogd in het ERP systeem, maar wel uren heeft gedeclareerd dit niet juist is, omdat dit bij minimaal 90% van zijn werkzaamheden benodigd is.
De totaal teveel gedeclareerde uren overstijgt ruim de gefactureerde uren van januari, daarom hebben wij besloten om deze factuur niet te voldoen ter compensatie van de niet gewerkte uren.”
2.7.
Bij factuur van 1 april 2025 heeft [eiser] aan Staan een bedrag van € 798,60 inclusief btw gecrediteerd, onder vermelding van “Correctie uren 01-01-2025”. Staan heeft ook het daarna resterende deel van de factuur over januari 2025 onbetaald gelaten.
2.8.
PotatoNext heeft bij factuur van 9 juli 2025 aan Staan een bedrag van € 78.771,00 inclusief btw in rekening gebracht voor uren die [eiser] ten onrechte zou hebben gedeclareerd, te weten 520 uren in 2024 en 79 uren in (januari) 2025. Staan heeft dit bedrag op haar beurt aan [eiser] in rekening gebracht. [eiser] heeft dat bedrag onbetaald gelaten.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te verklaren voor recht dat tussen [eiser] en PotatoNext sprake is van een arbeidsovereenkomst en daarnaast de hoofdelijke veroordeling van Staan en [eiser] tot betaling aan hem van:
1.
primair: € 13.611,85 bruto aan salaris, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, de wettelijke verhoging, € 13.611,85 bruto aan aanzegvergoeding en € 4.918,44 bruto aan transitievergoeding, alsmede de hoofdelijke veroordeling van Staan en PotatoNext tot afgifte van een loonspecificatie met betrekking tot deze betalingen op verbeurte van een dwangsom, dan wel
subsidiair: € 15.871,40,
2. € 933,71 € 933,71 aan buitengerechtelijke kosten,
een en ander te vermeerderen met wettelijke (handels)rente en met veroordeling van Staan en PotatoNext in de proceskosten.
3.2.
Staan en PotatoNext voeren afzonderlijk verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.
in reconventie
3.4.
Staan vordert – samengevat – bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeling van [eiser] tot betaling aan haar van € 78.771,00, te vermeerderen met wettelijke rente en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3.5.
[eiser] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, ingegaan.

4.De beoordeling in conventie en in reconventie

4.1.
Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zullen deze hierna gezamenlijk worden besproken.
4.2.
[eiser] heeft aan de door hem gevorderde verklaring voor recht en de primair gevorderde betaling ten grondslag gelegd dat zijn rechtsverhouding met PotatoNext moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Ter zitting heeft hij dit standpunt aangevuld, door te stellen dat hij een arbeidsovereenkomst heeft met PotatoNext en/of Staan. Gelet daarop vordert hij dan ook dat Staan en PotatoNext hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van (onder meer) het salaris. PotatoNext en Staan betwisten dat [eiser] werkzaam was op grond van een arbeidsovereenkomst, omdat hij uitsluitend een overeenkomst van opdracht heeft gesloten met Staan.
4.3.
Het draait in deze zaak dus allereerst om de vraag of [eiser] met Staan en/of PotatoNext een arbeidsovereenkomst heeft gesloten.
Juridisch kader
4.4.
In artikel 7:610 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) is de arbeidsovereenkomst omschreven als de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.
4.5.
Om te kunnen beoordelen of een overeenkomst moet worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst, moet worden vastgesteld welke rechten en verplichtingen partijen zijn overeengekomen. Het vaststellen van die rechten en verplichtingen dient, voor zover die niet zonder meer duidelijk zijn, te worden vastgesteld aan de hand van de zogeheten Haviltex-maatstaf. Als de overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst, moet de overeenkomst als zodanig worden aangemerkt. Voor deze kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen (HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1746 (Participatieplaats).
4.6.
Of een overeenkomst moet worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst, hangt volgens rechtspraak af van alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien (HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo). Van belang kunnen onder meer zijn de aard en duur van de werkzaamheden, de wijze waarop de werkzaamheden en de werktijden worden bepaald, de inbedding van het werk en degene die de werkzaamheden verricht in de organisatie, en de bedrijfsvoering van degene voor wie de werkzaamheden worden verricht. Ook kan een rol spelen het al dan niet bestaan van een verplichting het werk persoonlijk uit te voeren, de wijze waarop de contractuele regeling van de verhouding van partijen tot stand is gekomen, de wijze waarop de beloning wordt bepaald, de hoogte van deze beloningen, en de vraag of degene die de werkzaamheden verricht daarbij commercieel risico loopt. Verder kan van belang zijn of degene die de werkzaamheden verricht zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt of kan gedragen, bijvoorbeeld bij het verwerven van een reputatie, bij acquisitie, wat betreft fiscale behandeling, en gelet op het aantal opdrachtgevers voor wie hij werkt of heeft gewerkt en de duur waarvoor hij zich doorgaans aan een bepaalde opdrachtgever verbindt. Het gewicht dat toekomt aan een contractueel beding bij beantwoording van de vraag of een overeenkomst als arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, hangt mede af van de mate waarin dat beding daadwerkelijk betekenis heeft voor de partij die de werkzaamheden verricht (HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:443 (Deliveroo).
Staan: geen arbeidsovereenkomst
4.7.
Hoewel [eiser] ter zitting het standpunt heeft ingenomen dat hij (mogelijk) een arbeidsovereenkomst met Staan heeft gesloten, heeft hij dit nagenoeg niet met feiten en omstandigheden onderbouwd. Zo heeft [eiser] niet toegelicht op welke wijze sprake was van een gezagsverhouding tussen Staan en hemzelf. Dat hij van Staan instructies zou hebben ontvangen is niet door hem gesteld. Integendeel, volgens de door [eiser] gegeven toelichting op de feitelijke gang van zaken ontving hij instructies van PotatoNext. Gelet daarop en mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van Staan heeft [eiser] dan ook onvoldoende gemotiveerd dat de door hem met Staan gesloten overeenkomst moet worden gekwalificeerd als arbeidsovereenkomst. Van een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en Staan is daarom niet gebleken.
PotatoNext: geen arbeidsovereenkomst
4.8.
Wanneer wordt uitgegaan van een overeenkomst van opdracht tussen [eiser] en Staan, geldt tevens als uitgangspunt dat de rechtszekerheid zich verzet tegen een geruisloze vervanging van de in dat geval tussen [eiser] en PotatoNext bestaande verhouding van ingeleende werknemer tot inlener in een arbeidsovereenkomst (HR 5 april 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8186 (ABN AMRO/ [naam 3] ). Aan dit uitgangspunt kan echter voorbij worden gegaan wanneer de rechtsverhouding tussen [eiser] , Staan en PotatoNext van meet af aan in feitelijke zin neerkomt op een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en PotatoNext in plaats van een inleenverhouding via een overeenkomst van opdracht met Staan. Volgens [eiser] is dat het geval. De kantonrechter zal daarom aan de hand van de hiervoor genoemde gezichtspunten uit het Deliveroo-arrest beoordelen of, anders dan partijen op papier zijn overeenkomen, in feitelijke zin sprake was van een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en PotatoNext. In dat kader overweegt zij als volgt.
4.9.
Aanvankelijk zouden de werkzaamheden van [eiser] drie maanden duren, namelijk van 15 januari 2024 tot 19 april 2024. Vervolgens is de duur van zijn werkzaamheden meermalen verlengd, met als einddatum uiteindelijk 31 januari 2025. In totaal hebben de werkzaamheden dus ongeveer een jaar geduurd. Die werkzaamheden betroffen in de kern de uitvoering van een project inzake de facturering voor onverkochte aardappelen door Albert Heijn die werden (terug)geleverd aan PotatoNext, aangezien met Albert Heijn discussie bestond over de juistheid van eerdere facturen daarvoor. [eiser] moest uitzoeken in hoeverre de facturering voor teruggeleverde aardappelen correct verliep. Het project – en daarmee de werkzaamheden van [eiser] – was dus voor beperkte duur, namelijk uitsluitend om duidelijkheid te verkrijgen over het dossier en zo tot een oplossing te komen voor de lopende discussie met Albert Heijn. Dat [eiser] gedurende de tijd dat hij werkzaamheden voor PotatoNext verrichtte tevens een crediteurenmedewerker moest begeleiden maakt dat niet anders, aangezien dit niet de kern van zijn werkzaamheden betrof.
4.10.
[eiser] heeft herhaaldelijk verklaard dat hij voor de uitvoering van zijn werkzaamheden instructies kreeg van PotatoNext, maar die stelling heeft hij weinig concreet gemaakt. Zijn verklaring dat hij wekelijks schriftelijk aan PotatoNext moest rapporteren over de stand van zaken is in ieder geval onvoldoende. Dit past immers ook – juist – bij de situatie waarin [eiser] zelfstandig kan bepalen op welke wijze hij uitvoering geeft aan het project, maar waarbij hij logischerwijs wel de opdrachtgever van de voortgang op de hoogte stelt. Ook de door [eiser] gestelde opdracht om een crediteurenmedewerker te begeleiden wijst er niet zonder meer op dat hij op regelmatige basis instructies van PotatoNext ontving. Een dergelijke eenmalige aanwijzing voor de langere duur kan immers deel uitmaken van de gegeven opdracht in het kader van een inleenovereenkomst. Voor het overige heeft [eiser] gesteld dat hij opdrachten kreeg om bepaalde werkzaamheden uit te voeren en telkens op de werkvloer hoorde wat hij moest doen, maar dat heeft hij niet aan de hand van voorbeelden toegelicht en is door PotatoNext betwist.
4.11.
[eiser] werd voor zijn werkzaamheden betaald aan de hand van urenstaten die maandelijks door hem werden ingevuld en daarna door PotatoNext werden geaccordeerd. Op grond daarvan stelde Staan een self-billing factuur op, op basis waarvan zij aan [eiser] een vergoeding betaalde die overeenkwam met een uurtarief voor het gewerkte aantal uren. Van PotatoNext heeft [eiser] dus geen betalingen ontvangen. Verder wordt meegewogen dat het uurtarief (dat werd betaald door Staan) een all-in uurtarief inhield. Er werden geen sociale premies of loonbelasting ingehouden en [eiser] moest daarnaast zelf zorgen voor een aansprakelijkheidsverzekering en een arbeidsongeschiktheidsverzekering. Tevens is van belang dat uit de overgelegde facturen van [eiser] in combinatie met de salarisschaal van PotatoNext voor financial controller volgt dat [eiser] voor een maand fulltime werken gemiddeld zo’n drie keer meer betaald kreeg dan een financial controller in dienst bij PotatoNext.
4.12.
Zoals ter zitting door [eiser] is erkend rustte op hem een ondernemersrisico, dat eruit bestond dat hij uitsluitend zou worden betaald als PotatoNext aan Staan een vergoeding zou betalen. Zou die betaling uitblijven, dan zou [eiser] dus evenmin een vergoeding ontvangen. In aanvulling daarop is voldoende gebleken dat [eiser] zich in het economisch verkeer als ondernemer gedraagt. Immers blijkt uit het door PotatoNext overgelegde Linkedinprofiel van [eiser] dat hij sinds december 2016 achtereenvolgens voor vijftien ondernemingen heeft gewerkt, telkens voor een periode variërend van enkele maanden tot ruim een jaar. In de meeste gevallen heeft hij daarbij vermeld dat hij werkte als ‘freelancer’ of ‘self-employed’. Dat hij van 15 januari 2024 tot en met 31 januari 2025 uitsluitend werkzaamheden voor één bedrijf (PotatoNext) uitvoerde sluit dan ook aan bij zijn eerdere werkervaringen die hij naar eigen zeggen als zzp’er heeft uitgevoerd.
4.13.
Gelet op deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de kantonrechter van oordeel dat de verhouding tussen [eiser] en PotatoNext niet kan worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst. Het gegeven dat [eiser] voor zijn werktijden en/of thuiswerkdagen kennelijk afspraken had gemaakt met PotatoNext (zoals blijkt uit een overgelegde e-mail), hij bij PotatoNext een vaste werkplek had en ook deelnam aan teamvergaderingen (die volgens PotatoNext overigens slechts zeer sporadisch voorkwamen) acht de kantonrechter in het licht van het voorgaande van onvoldoende gewicht om tot een andere conclusie te komen. Dat geldt ook voor de stelling van [eiser] dat hij de werkzaamheden persoonlijk moest uitvoeren, hetgeen overigens eveneens door PotatoNext gemotiveerd is betwist.
Tussenconclusie: overeenkomst van opdracht met Staan
4.14.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [eiser] werkzaamheden heeft verricht op grond van een overeenkomst van opdracht met Staan. De rechtsverhouding tussen [eiser] en PotatoNext moet dan ook uitsluitend worden gezien als een inleenverhouding die voortvloeit uit de overeenkomst van opdracht met Staan. Bij die stand van zaken zal de gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen. Dat geldt ook voor de primair gevorderde betaling, omdat die vordering geheel is gegrond op de door [eiser] gestelde arbeidsovereenkomst.
De factuur over januari 2025
4.15.
Subsidiair vordert [eiser] hoofdelijke veroordeling van Staan en PotatoNext tot betaling van € 15.871,40. Ter zitting heeft hij toegelicht dat dit bedrag neerkomt op de openstaande factuur over januari 2025, verminderd met de creditfactuur van 1 april 2025.
4.16.
Gelet op de hiervoor vastgestelde inleenverhouding tussen [eiser] en PotatoNext en de in dat kader gemaakte betalingsafspraken valt niet in te zien op welke grond PotatoNext gehouden is om dit bedrag aan [eiser] te voldoen. Voor zover de vordering is ingesteld tegen PotatoNext, is deze dus niet toewijsbaar.
4.17.
Uit hoofde van de tussen [eiser] en Staan gesloten overeenkomst moet Staan aan [eiser] een vergoeding te betalen die neerkomt op het afgesproken uurtarief vermenigvuldigd met het aantal door [eiser] gewerkte en door PotatoNext goedgekeurde uren. Vaststaat dat [eiser] voor januari 2025 heeft doorgegeven dat hij 168 uren heeft gewerkt en dat die uren op 11 februari 2025 door PotatoNext zijn goedgekeurd. Daarop komt de creditfactuur in mindering. Dat betekent als uitgangspunt dat [eiser] tegenover Staan aanspraak heeft op (€ 16.770,60 minus € 798,60 is) € 15.972,00 inclusief btw.
De juistheid van de urenstaten vanaf januari 2024 tot en met januari 2025
4.18.
Staan stelt zich echter op het standpunt dat zij dit bedrag desondanks niet hoeft te betalen, omdat uit onderzoek is gebleken dat [eiser] in 2024 en januari 2025 aanzienlijk minder uren heeft gewerkt dan de uren die hij aan PotatoNext had opgegeven. Staan verbindt daaraan tevens een vordering in reconventie, omdat Staan als gevolg van het lagere aantal gewerkte uren in totaal € 78.771,00 onverschuldigd aan [eiser] zou hebben betaald. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.
4.19.
Partijen zijn overeengekomen dat de gewerkte uren werden verantwoord door middel van urenstaten, die door [eiser] digitaal werden ingediend en door PotatoNext digitaal werden goedgekeurd. Ook staat niet ter discussie dat die urenstaten vervolgens voor Staan als grondslag dienden voor de te betalen vergoeding door Staan aan [eiser] . De kantonrechter is van oordeel dat de urenstaten zijn aan te merken als onderhandse aktes als bedoeld in artikel 156 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De urenstaten zijn namelijk schriftelijke stukken die door [eiser] zijn ingediend en daarna digitaal door PotatoNext zijn goedgekeurd c.q. ondertekend. Deze aktes zijn bedoeld om als bewijs te dienen voor Staan van de door [eiser] gewerkte uren. Dat dit anders zou zijn is ter zitting onvoldoende voor het voetlicht gebracht. Dat de urenstaten volgens Staan en PotatoNext altijd op goed vertrouwen zijn goedgekeurd maakt dat niet anders. Op grond van artikel 157 lid 2 Rv Pro leveren de urenstaten daarom dwingend bewijs op van de stelling dat [eiser] de uren zoals ingevuld op de urenstaat ook daadwerkelijk heeft gewerkt. Tegenover dit dwingende bewijs staat tegenbewijs open (artikel 151 lid 2 Rv Pro), dat door Staan moet worden geleverd.
4.20.
In dat kader heeft Staan aangevoerd dat [eiser] op vele dagen die hij heeft gedeclareerd, in strijd met een afspraak daartoe met PotatoNext niet was ingelogd in het ERP-systeem. Daarnaast was dit systeem volgens Staan c.q. PotatoNext ook noodzakelijk om de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren. Daarbij heeft Staan nadrukkelijk verwezen naar hetgeen PotatoNext hierover heeft aangevoerd, te weten een verklaring van dhr. [naam 2] (financieel manager a.i. bij PotatoNext) en van dhr. H. Ronde (financieel accountant a.i. bij PotatoNext), de opmerking dat het laptopgebruik niet overeenkwam met gefactureerde uren en het overzicht waarin is weergegeven op welke dagen [eiser] niet was ingelogd in het ERP-systeem.
4.21.
Van een afspraak omtrent het inloggen in het ERP-systeem is niet gebleken, omdat [eiser] dat heeft weersproken en die gestelde afspraak niet nader door Staan is toegelicht. De stelling dat de laptop van [eiser] gedurende gedeclareerde uren niet werd gebruikt heeft [eiser] eveneens gemotiveerd betwist, en is door Staan evenmin met stukken onderbouwd. Ook dat is daarom niet komen vast te staan. De verklaringen van [naam 2] en Ronde bevatten nauwelijks een feitelijke toelichting op de noodzaak van het ERP-systeem en behelzen in de kern daarom niet meer dan een bevestiging van de stelling van Staan dat het onmogelijk is om buiten het ERP-systeem om te werken. Het had op de weg van Staan gelegen om, bijvoorbeeld aan de hand van voorbeelden of stukken omtrent dit systeem in combinatie met een overzicht van de specifieke werkzaamheden die [eiser] moest uitvoeren, te laten zien dat [eiser] zijn werk niet kon verrichten zonder in te loggen. Dat heeft zij echter niet gedaan.
4.22.
Dit mocht temeer van Staan worden verwacht omdat [eiser] wel aan de hand van voorbeelden heeft toegelicht op welke wijze hij heeft gewerkt zonder in te loggen in het ERP-systeem. Zo heeft hij erop gewezen dat hij ook deels in Excelbestanden werkte die hij uit het ERP-systeem had overgezet, in welk geval hij het ERP-systeem niet nodig had. Volgens Staan is dat niet mogelijk omdat het ERP-systeem een ongoing systeem is waarin telkens nieuwe facturen en betalingen worden geboekt, maar zij heeft niet gesteld dat [eiser] bij zijn werkzaamheden telkens direct gebruik moest maken van die nieuwe informatie in het systeem. Het is dan ook niet ondenkbaar dat de nieuwe facturen en betalingen op een later moment naar Excel kunnen worden overgezet, om vervolgens door [eiser] te worden verwerkt. Daarnaast heeft [eiser] erop gewezen dat een deel van de benodigde informatie niet beschikbaar was in het ERP-systeem, omdat hij bijvoorbeeld vrachtbrieven fysiek moest ophalen. Dit heeft Staan niet betwist. Ook daarvoor behoefde [eiser] dus niet in te loggen. Ook heeft hij erop gewezen dat de begeleiding van de crediteurenmedewerker de nodige tijd in beslag nam, gedurende welke tijd hij evenmin in het ERP-systeem was ingelogd.
4.23.
Daarbij komt dat Staan niet heeft weersproken dat [eiser] voor het Albert Heijn project daadwerkelijk de resultaten heeft bereikt die hij moest bereiken. Het had voor de hand gelegen dat [eiser] , wanneer hij daadwerkelijk veelvuldig afwezig was gedurende de gedeclareerde uren, ook weinig resultaten kon aantonen. Weliswaar heeft Staan c.q. PotatoNext aangevoerd dat zij niet tevreden waren over de werkzaamheden van [eiser] , maar tegelijkertijd is ter zitting wel erkend dat de beoogde resultaten voor dit project daadwerkelijk door [eiser] zijn behaald.
Conclusie
4.24.
Tegen die achtergrond is de kantonrechter van oordeel dat Staan niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs. Dat leidt ertoe dat vast is komen te staan dat [eiser] de door hem doorgegeven uren daadwerkelijk heeft gewerkt en dat hij daarvoor aanspraak heeft op een vergoeding conform het afgesproken uurtarief. Als gevolg daarvan is niet gebleken dat Staan vanaf januari 2024 het door haar in reconventie gevorderde bedrag onverschuldigd aan [eiser] heeft betaald. Deze vordering wordt daarom afgewezen.
4.25.
Daarnaast volgt daaruit dat [eiser] recht heeft op een vergoeding voor de door hem in januari 2025 gewerkte uren, zoals die door PotatoNext zijn goedgekeurd. Dat komt neer op het hiervoor onder 4.17 genoemde bedrag. [eiser] heeft echter een lager bedrag gevorderd, te weten € 15.871,40. Ter zitting heeft [eiser] dit toegelicht als zijnde een typefout, maar zonder daaraan de consequentie van een eiswijziging te verbinden. Gelet daarop zal in conventie het gevorderde bedrag van € 15.871,40 worden toegewezen. De daarover gevorderde wettelijke handelsrente is eveneens toewijsbaar. Wel zal de rente worden toegewezen vanaf 14 maart 2025 in plaats van de gevorderde 3 maart 2025, omdat handelsrente op grond van artikel 6:119a lid 1 BW verschuldigd wordt vanaf de dag volgend op de uiterste dag van betaling (13 maart 2025).
Buitengerechtelijke kosten
4.26.
[eiser] vordert tevens dat Staan en PotatoNext hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling aan hem van € 933,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 april 2025.
4.27.
Ten aanzien van PotatoNext zal deze vordering worden afgewezen, omdat niet is gebleken dat PotatoNext aan [eiser] een vergoeding verschuldigd is voor de door [eiser] verrichtte werkzaamheden.
4.28.
Ten aanzien van Staan geldt het volgende. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden verricht, te weten de verzending van de brief van 7 april 2025. Staan heeft er weliswaar op gewezen dat het verzoekschrift al een week later bij Staan op de mat lag, maar heeft niet betwist dat namens [eiser] incassowerkzaamheden zijn verricht. Gelet daarop stelt de kantonrechter vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, ook nu immers voor de verschuldigdheid van de vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten een enkele brief voldoende is. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt (ondanks toewijzing van een lager bedrag) overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen. Dat betekent dat Staan aan [eiser] een bedrag van € 933,71 aan buitengerechtelijke incassokosten moet betalen.
4.29.
De daarover gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro zal worden toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, omdat [eiser] niet heeft gesteld dat Staan ten aanzien van deze kosten op een eerder moment in verzuim is geraakt. Gelet op de korte periode tussen de brief van 7 april 2025 en de verzending van het verzoekschrift ziet de kantonrechter geen aanleiding om de wettelijke rente toe te wijzen vanaf de datum van het verzoekschrift.
Proceskosten
4.30.
In conventie is [eiser] ten aanzien van PotatoNext in het ongelijk gesteld. Hij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van PotatoNext betalen. Die kosten worden begroot op:
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
72,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
936,00
4.31.
Omdat [eiser] en Staan in conventie en reconventie over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld worden tussen hen de proceskosten gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing in conventie en in reconventie

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt Staan tot betaling aan [eiser] van € 15.871,40, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW daarover vanaf 14 maart 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Staan tot betaling aan [eiser] van € 933,71 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro daarover vanaf 17 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van PotatoNext, tot op heden begroot op € 936,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
compenseert de proceskosten tussen [eiser] en Staan, in die zin dat ieder van hen de eigen kosten draagt,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Wiltjer en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.