ECLI:NL:RBAMS:2026:2318

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
13-337099-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederland naar België ondanks detentieomstandigheden

De rechtbank Amsterdam behandelde op 18 februari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uit België voor de overlevering van een Nederlandse verdachte verdacht van deelname aan een criminele organisatie en illegale handel in verdovende middelen.

Hoewel de rechtbank eerder een algemeen gevaar voor onmenselijke behandeling in Belgische gevangenissen had vastgesteld, ontving zij een gedetailleerde detentiegarantie van Belgische autoriteiten waarin werd verzekerd dat de verdachte in de gevangenis van Haren zal worden opgesloten onder omstandigheden die voldoen aan internationale standaarden, waaronder voldoende leefruimte en sanitaire voorzieningen.

De raadsman voerde aan dat de overbevolking en personeelstekorten in Belgische gevangenissen, evenals problemen met het transport naar zittingen, kunnen leiden tot schendingen van grondrechten. De rechtbank oordeelde echter dat deze zorgen onvoldoende concreet waren en dat de verstrekte garantie het algemene gevaar wegneemt.

De rechtbank concludeerde dat het EAB voldoet aan de wettelijke eisen en dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn. Daarom werd de overlevering toegestaan. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De rechtbank Amsterdam staat de overlevering van de verdachte naar België toe omdat de detentiegarantie het reële gevaar op schending van grondrechten wegneemt.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-337099-25
Datum uitspraak: 4 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 december 2025 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] .
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.B.M. Poppelaars, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
aanhoudingsmandaat bij verstek de dato 09/12/2025, afgeleverd
door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
  • deelneming aan een criminele organisatie;
  • illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon is een Nederlander, maar heeft geen beroep gedaan op artikel 6 OLW Pro. De rechtbank komt daarom niet toe aan de vraag of de overlevering afhankelijk moet worden gemaakt van de in artikel 6, eerste lid, OLW bedoelde garantie.

6.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [4]
De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 16 januari 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden te Brussel, de volgende algemene detentiegarantie is gegeven:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Haren indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
-
De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
-
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.

De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm

Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
-
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
-
Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Het standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 10 februari 2026 [5] , krantenartikelen en een ter zitting getoond tv-interview met de gevangenisdirecteur van de detentie-instelling in Haren – op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Gelet op de overbevolking, waarvoor de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten heeft aangenomen, zijn er gegronde redenen om te twijfelen of de verstrekte garantie nog wel kan worden nagekomen, zodat hierover vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten. Volgens de raadsman moeten in aanvulling op de gestelde vragen in de zaak waarnaar door de raadsman is verwezen, gelet op de door hem aangehaalde krantenartikelen, ook vragen worden gesteld over het transport van de opgeëiste persoon naar de zitting. Uit het interview met de gevangenisdirecteur in Haren blijkt immers dat door personeelsgebrek gedetineerden niet naar hun zitting kunnen worden gebracht, terwijl niet duidelijk is of de zitting dan wordt aangehouden. Dit is mogelijk een schending van artikel 48, tweede lid, Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest). Verder moet worden nagegaan of de kwaliteit van zorg nog kan worden gegarandeerd met de huidige personeelstekorten. Tot slot moet de mogelijkheid van voorlopige hechtenis middels een enkelband worden bezien.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgaan van de geboden garantie, die het algemeen gevaar dat door de rechtbank is aangenomen voor de opgeëiste persoon wegneemt. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 (ECLI:EU:C:2016:198, Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
Transport
De raadsman heeft aangevoerd dat de problemen met betrekking tot het transport van gedetineerden naar hun zitting mogelijk leiden tot schending van artikel 48, tweede lid, Handvest. Hoewel in dit verband door de raadsman is verwezen naar een uitlating van de directeur van de detentie-instelling in Haren, is deze enkele uitlating in een tv-interview naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet om nader onderzoek te doen naar mogelijke grondrechtenschendingen met betrekking tot de uitoefening van verdedigingsrechten van gedetineerden in België. Niet duidelijk is bijvoorbeeld hoe vaak het voorkomt dat iemand tegen zijn wil niet naar zitting wordt gebracht en of het voorkomt dat in dergelijke gevallen de inhoudelijke behandeling van de strafzaak buiten aanwezigheid van de verdachte plaatsvindt. De rechtbank is ook ambtshalve niet met zulke gegevens bekend.
De rechtbank kan daarom niet de conclusie trekken dat overgeleverde personen in België op dit punt in het algemeen een reëel gevaar lopen van een schending van artikel 48, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de EU.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar bestaat in detentie op dit punt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Het eerder aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van de overbevolking
Ten aanzien van het eerder aangenomen algemeen gevaar dat ziet op de overbevolking overweegt de rechtbank als volgt.
De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. In dat geval dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [6] De krantenartikelen waarop door de raadsman is gewezen vormen naar het oordeel van de rechtbank een bevestiging van het algemene gevaar. De rechtbank overweegt verder dat deze zaak verschilt van de zaak die door de raadsman is aangehaald. In de door de raadsman aangehaalde zaak beschikte de rechtbank over gegevens waaruit bleek dat in de betreffende detentie-instelling (Mechelen) sprake was van een zeer grote mate van overbevolking door een bezettingsgraad van 185,7%. De zorgen daarover werden bovendien onderschreven door destijds recente uitlatingen van de gevangenisdirecteur van de betreffende detentie-instelling. Weliswaar beschikt de rechtbank ook ten aanzien van de detentie-instelling in Haren over een interview waarin de directeur van de detentie-instelling zijn zorgen uit over de gevolgen van de overbevolking, maar de rechtbank beschikt niet over objectieve gegevens waaruit blijkt dat de bezettingsgraad in Haren vergelijkbaar is met de bezittingsgraad in Mechelen. Er zijn kortom niet voldoende objectieve gegevens op grond waarvan aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie kan worden getwijfeld. De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.
Ten aanzien van de suggestie van de raadsman om een garantie te vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit of de opgeëiste persoon de voorlopige hechtenis middels de modaliteit van een enkelband kan ondergaan, overweegt de rechtbank dat dit niet tot haar bevoegdheid in het kader van de overleveringsprocedure behoort.

7.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

8.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5 en 7 OLW.

9.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
6.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.