ECLI:NL:RBAMS:2026:2312

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
13-337160-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 5 OLWArt. 6 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming overlevering Nederlandse verdachte op grond van Europees aanhoudingsbevel ondanks detentiebezwaar

De rechtbank Amsterdam behandelde op 4 maart 2026 het verzoek tot overlevering van een Nederlandse verdachte aan België op grond van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de onderzoeksrechter in Brugge. De verdachte wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie en grootschalige handel in cannabis. De verdediging voerde onder meer een genoegzaamheidsverweer, een beroep op terugkeergarantie en bezwaren tegen de detentieomstandigheden in België aan.

De rechtbank oordeelde dat het EAB genoegzaam is, met voldoende specificatie van de feiten, plaats en tijd, en dat het specialiteitsbeginsel is gewaarborgd. De verdachte heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de terugkeergarantie, die door de Belgische autoriteiten is bevestigd, zodat de straf in Nederland kan worden uitgezeten. De rechtbank verwierp het verweer dat de overlevering op grond van artikel 13 OLW Pro moest worden geweigerd, omdat het zwaartepunt van het onderzoek in België ligt en het Nederlandse OM geen vervolging inzet.

Ten aanzien van de detentieomstandigheden in België stelde de rechtbank vast dat er een algemeen gevaar bestaat voor onmenselijke behandeling, maar dat de verstrekte garantie inzake detentie in Brugge voldoende is om dat gevaar voor deze verdachte weg te nemen. Het beroep op onevenredigheid van het EAB werd eveneens verworpen, omdat geen bijzondere omstandigheden waren aangevoerd die overlevering onaanvaardbaar maken.

De rechtbank concludeerde dat geen weigeringsgronden aanwezig zijn en stond de overlevering toe. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: De rechtbank staat de overlevering van de verdachte aan België toe onder de gegeven garanties.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-337160-25
Datum uitspraak: 4 maart 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 19 december 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 9 december 2025 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit), en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[de opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 1992,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 februari 2026, in aanwezigheid van mr. G.J.A.M. Rasker, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M. Ketting, advocaat in Amsterdam.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een
aanhoudingsmandaat bij verstek de dato 09/12/2025, afgeleverd
door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een naar Belgisch recht strafbaar feit. Dit feit is omschreven in het EAB. [3]
3.1
Genoegzaamheid
Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB ongenoegzaam is, omdat de concrete rol van de opgeëiste persoon vaag blijft. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is. Op grond van het vertrouwensbeginsel moet van de juistheid van de informatie in het EAB worden uitgegaan.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een genoegzaam EAB. De opgeëiste persoon wordt ervan verdacht dat hij in de periode van 1 juli 2021 tot en met heden in Blankenberge en elders in België deel zou hebben genomen aan een criminele organisatie die zich bezighoudt met grootschalige handel in cannabis. Uit de feitomschrijving volgen de pleegplaatsen, pleegperiode en de rol van de opgeëiste persoon, die wordt gespecificeerd als onder meer het instaan voor de bijna dagelijkse toelevering van cannabis vanuit een loods te Bergen-op-Zoom naar de verdere verdelers toe, alsook dat hij instaat voor het ophalen van het geld inzake de betalingen voor drugs door de Belgische koeriers. Daarbij komt dat sprake is van een vervolgings-EAB, waarbij de overlevering is gevraagd ten behoeve van een nog lopend strafrechtelijk onderzoek. De precieze gang van zaken met betrekking tot het feit waarvan de opgeëiste persoon in België wordt verdacht, zal later in België moeten blijken. Naar het oordeel van de rechtbank is het specialiteitsbeginsel dan ook voldoende gewaarborgd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

4.Strafbaarheid

4.1
Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW
De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst het strafbare feit aan als een zogenoemd lijstfeit, dat in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staat vermeld, te weten:
  • deelneming aan een criminele organisatie;
  • illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.
Uit het EAB volgt dat op dit feit naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van het feit waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [4]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan. De procureur des Konings bij het Parket van de procureur des Konings heeft op 14 januari 2026 de volgende garantie gegeven:
“Overeenkomstig artikel 5 §3 van het kaderbesluit van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel, bied ik u de garantie voor de terugkeer naar Nederland van de door u over te leveren Nederlandse onderdaan of ingezetene, in casu [de opgeëiste persoon] .
Deze garantie houdt in dat, eens betrokkene in België onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel is veroordeeld, deze persoon naar Nederland zal terugkeren om zijn straf of maatregel aldaar te ondergaan. De terugkeer zal gebeuren op basis van het Europees Kaderbesluit inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op de vrijheidsbenemende straffen of maatregelen uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie (2008/909/JBZ).”
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW Pro

Het EAB ziet op een feit dat geacht wordt geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [5]
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren en stelt zich op het standpunt dat het zwaartepunt van het onderzoek en de bewijsvergaring in Nederland ligt, net als de gedragingen die opgeëiste persoon worden verweten.
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe aan dat het onderzoek is aangevangen in België, de bewijsmiddelen zich daar bevinden, de drugs in België zijn ingevoerd, de medeverdachten daar worden vervolgd en het Nederlandse Openbaar Ministerie niet voornemens is de opgeëiste persoon voor dit feit te vervolgen.
De rechtbank stelt voorop dat:
- aan de regeling van het EAB ten grondslag ligt dat overlevering de hoofdregel is en weigering de uitzondering moet zijn;
- de gedachte achter deze facultatieve weigeringsgrond is, te voorkomen dat Nederland zou moeten meewerken aan overlevering voor een zogenoemd lijstfeit dat geheel of ten dele in Nederland is gepleegd en dat hier niet strafbaar is of hier niet pleegt te worden vervolgd.
De rechtbank stelt vast dat in het licht van de door de officier van justitie genoemde omstandigheden het gegeven dat het feit wordt geacht geheel of gedeeltelijk in Nederland te zijn gepleegd onvoldoende aanleiding vormt om de weigeringsgrond toe te passen.

7.Artikel 11 OLW Pro: Belgische detentieomstandigheden

Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank geoordeeld dat er een algemeen gevaar bestaat dat gedetineerden in alle detentie-instellingen in België worden onderworpen aan een onmenselijke behandeling gelet op de detentieomstandigheden in die instellingen. [6]
De rechtbank stelt vast dat er bij brief van 16 januari 2026, afkomstig van het Diensthoofd bij het Directoraat-generaal Wetgeving, Fundamentele Rechten en Vrijheden te Brussel, de volgende algemene detentiegarantie is gegeven:
“1. In welke detentie-instelling zal de opgeëiste persoon gedetineerd worden?
[de opgeëiste persoon] zal worden opgesloten in de gevangenis van Brugge indien na overlevering door de bevoegde gerechtelijke autoriteit wordt beslist dat de persoon in voorlopige hechtenis dient te blijven.
2. Welke waarborgen worden gegarandeerd inzake de detentieomstandigheden in de detentie-instelling?
België garandeert dat de opgeëiste persoon na overlevering zal worden opgesloten in een instelling en op een wijze die in overeenstemming is met de fundamentele rechten en in het bijzonder relevante internationale standaarden (o.a. CPT standaarden) met in begrip van voldoende individuele leefruimte, afgescheiden sanitair en dagactiviteiten buiten de cel.
In deze zaak garandeert België de volgende waarborgen inzake de detentieomstandigheden waar [de opgeëiste persoon] aan zal worden onderworpen na overlevering:
-
De opgeëiste persoon zal niet worden opgesloten in een cel met minder dan 3 m2 individuele levensruimte. Dit geldt zowel indien de opgeëiste persoon in een eenpersoons- als in een meerpersoonscel zou worden opgesloten.
-
De gemiddelde minimum leefruimte van elke cel is 9 m2 inclusief vast meubilair.

De sanitair blokken omvatten een wasbak en een toilet dat is afgescheiden van de rest van de cel door een muur of scherm

Het vast meubilair omvat onder andere een tafel, kast, bed en bureau.
-
De opgeëiste persoon zal een bed ter beschikking hebben en zal bijgevolg niet op grond hoeven te slapen.
-
Er worden verschillende dagactiviteiten buiten de cel voorzien. Deze activiteiten omvatten in ieder geval regelmatige wandelingen in een open koer en familiebezoeken alsook toegang tot gemeenschappelijke ruimtes. Aanvullende activiteiten zoals sport en arbeid zijn onderhevig aan aanzienlijke wachtlijsten.

3.Sanitaire en hygiëne omstandigheden

Als algemene regel, voorziet de Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden in algemene rechten en plichten voor gedetineerden, o.a. het recht op dagelijkse persoonlijke hygiëne, het recht op toegang tot gezondheidszorg en -bescherming evenredig aan dewelke wordt voorzien buiten de gevangenismuren. In dit verband, is een penitentiaire gezondheidsraad opgericht bij wet die adviseert bij het verbeteren van de kwaliteit de gezondheidszorg binnen de gevangenismuren. De medische zorg binnen de gevangenismuren is van gelijke kwaliteit als de medische zorg die wordt verstrekt buiten de gevangenismuren.”

Het standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft zich – onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank van 10 februari 2026 [7] en krantenartikelen – op het standpunt gesteld dat overlevering van de opgeëiste persoon tot een schending van artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) zal leiden. Gelet op de overbevolking, waarvoor de rechtbank een algemeen gevaar van schending van grondrechten heeft aangenomen, zijn er gegronde redenen om te twijfelen of de verstrekte garantie nog wel kan worden nagekomen, zodat hierover vragen moeten worden gesteld aan de Belgische autoriteiten. Volgens de raadsvrouw loopt de opgeëiste persoon als een kwetsbaar persoon wegens familiaire belastbaarheid bovendien extra risico in het Belgische gevangeniswezen. Primair moet de overlevering daarom op grond van artikel 11 OLW Pro worden geweigerd. Subsidiair moeten hierover nadere ragen worden gesteld.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat op grond van het vertrouwensbeginsel moet worden uitgaan van de geboden garantie, die het algemeen gevaar dat door de rechtbank is aangenomen voor de opgeëiste persoon wegneemt. Artikel 11 OLW Pro staat daarom niet aan overlevering in de weg.
Het oordeel van de rechtbank
In zijn arrest van 5 april 2016 (ECLI:EU:C:2016:198, Aranyosi en Căldăraru, punt 78) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voorop gesteld dat het beginsel van wederzijds vertrouwen vereist dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen. Dergelijke uitzonderlijke omstandigheden doen zich voor indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit bewijzen heeft dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld. In dat geval moet zij beoordelen of dit gevaar in geval van overlevering voor de opgeëiste persoon aanwezig is. Bij haar oordeel of sprake is van een reëel gevaar moet zij zich allereerst baseren op objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens over de detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat en die kunnen duiden op gebreken die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken, hetzij bepaalde detentiecentra betreffen. Als de rechtbank heeft vastgesteld dat er in het algemeen een reëel gevaar bestaat dat personen die in de uitvaardigende lidstaat zijn gedetineerd onmenselijk of vernederend worden behandeld, moet de rechtbank beoordelen of de opgeëiste persoon in het geval van overlevering daadwerkelijk zo een gevaar zal lopen.
Kwetsbaar persoon
De rechtbank vat het standpunt van de raadsvrouw zo op dat zij heeft betoogd dat gedetineerden in België die kwetsbaar zijn het risico lopen te worden blootgesteld aan onmenselijke of vernederende omstandigheden, doordat de veiligheid van gedetineerden met een dergelijke kwetsbaarheid niet is gewaarborgd. De raadsvrouw heeft dit standpunt niet met objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens onderbouwd. De rechtbank is ook ambtshalve niet met dergelijke gegevens bekend. De rechtbank kan daarom niet de conclusie trekken dat overgeleverde personen in België in het algemeen een reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling lopen op dit punt.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan de vraag of voor deze opgeëiste persoon na zijn overlevering een reëel gevaar voor onmenselijke behandeling in detentie bestaat op dit punt. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de overlevering te weigeren of hierover vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit. Het verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.
Het eerder aangenomen algemene reële gevaar ten aanzien van de overbevolking
Ten aanzien van het eerder aangenomen algemeen gevaar dat ziet op de overbevolking overweegt de rechtbank als volgt.
De voormelde detentiegarantie is niet afkomstig van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit. In dat geval dient de rechtbank de geboden zekerheid van de garantie te toetsen aan de hand van een globale beoordeling van alle gegevens waarover zij beschikt. [8] De krantenartikelen waarop door de raadsvrouw is gewezen vormen naar het oordeel van de rechtbank een bevestiging van het algemene gevaar. De rechtbank overweegt verder dat deze zaak verschilt van de zaak die door de raadsvrouw is aangehaald. In de door de raadsvrouw aangehaalde zaak beschikte de rechtbank over gegevens waaruit bleek dat in de betreffende detentie-instelling (Mechelen) sprake was van een zeer grote mate van overbevolking door een bezettingsgraad van 185,7%. De zorgen daarover werden bovendien onderschreven door destijds recente uitlatingen van de gevangenisdirecteur van de betreffende detentie-instelling. De rechtbank beschikt niet over dergelijke gegevens ten aanzien van de detentie-instelling in Brugge, waar de opgeëiste persoon naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd. Evenmin beschikt de rechtbank over objectieve gegevens waaruit blijkt dat de bezettingsgraad in Brugge vergelijkbaar is met de bezittingsgraad in Mechelen. Er zijn kortom geen objectieve gegevens op grond waarvan aan de uitvoerbaarheid van de verstrekte garantie kan worden getwijfeld. De rechtbank is, gelet op de toezegging van de Belgische autoriteiten, van oordeel dat er voor de opgeëiste persoon na overlevering geen reëel gevaar bestaat dat hij aan een onmenselijke of vernederende behandeling wordt onderworpen, omdat het gevaar daarvan met deze garantie voor hem is weggenomen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw en ziet geen aanleiding om hierover nadere vragen te stellen.

8.Evenredigheid

De raadsvrouw heeft een beroep gedaan op de evenredigheid van het EAB en daartoe aangevoerd dat met het uitvaardigen van een EAB een zeer ingrijpend dwangmiddel is gebruikt, terwijl de verdenking gebrekkig is onderbouwd en uitvoering van het EAB mogelijk zwaarwegende gevolgen voor de rol van opgeëiste persoon als mantelzorger voor zijn vader in Nederland heeft.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de evenredigheid niet aan overlevering in de weg staat, omdat daarvoor geen zwaarwegende humanitaire gronden zijn aangevoerd.
De rechtbank overweegt in lijn met eerdere uitspraken dat voor de vraag of sprake is van (on)evenredigheid van de overlevering een onderscheid moet worden gemaakt tussen de zogenoemde stelselevenredigheid van de OLW en de evenredigheid in een concreet geval. Het stelsel van de OLW is, op de voet van het daaraan ten grondslag liggende Kaderbesluit, gebaseerd op het uitgangspunt dat het gebruik van de bevoegdheden tot overlevering, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, niet verder gaat dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit te verwezenlijken.
Uit het stelsel van overlevering en een kaderbesluitconforme uitleg volgt dat een evenredigheidsafweging in beginsel is ingebed in de afweging tot uitvaardiging van een EAB. De Belgische rechter heeft in deze zaak de afweging gemaakt om een EAB uit te vaardigen. Hiermee is de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB gegeven. Wat de raadsvrouw heeft aangevoerd maakt dat niet anders. De keuze voor het uitvaardigen van een EAB door de Belgische autoriteiten gaat niet verder dan nodig is om de doelstelling van het Kaderbesluit – het voorkomen van straffeloosheid – te verwezenlijken.
Dat neemt niet weg dat overlevering in een concreet individueel geval onder omstandigheden onevenredig bezwarend kan zijn voor de opgeëiste persoon. Gelet op de stelselevenredigheid kan een beroep op de onevenredigheid van een EAB echter slechts onder bijzondere omstandigheden slagen. Hoewel de rechtbank oog heeft voor de (persoonlijke) belangen van de opgeëiste persoon, is naar het oordeel van de rechtbank van zulke bijzondere omstandigheden in het onderhavige geval niet gebleken. Het verweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

9.Slotsom

De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW Pro. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.

10.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

11.Beslissing

STAAT TOEde overlevering van
[de opgeëiste persoon]aan de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, België, voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. M. Scheeper en E. van den Brink, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 4 maart 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
5.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie, 25 juli 2018, ML, ECLI:EU:C:2018:589.