ECLI:NL:RBAMS:2026:2197

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
24/2854
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.1 WooArt. 5.3 WooArt. 8:51a AwbArt. 8:51b AwbArt. 8:80a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over motiveringsgebrek en zoekslag bij Woo-verzoek inzake separatorvlees

Eiseres heeft een Woo-verzoek ingediend voor informatie over separatorvleesbedrijven bij de NVWA. De minister heeft een deel van de documenten openbaar gemaakt, maar niet alle informatie verstrekt. Eiseres betwist de zoekslag en de weigeringsgronden, en beroept zich op artikel 10 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelt dat de minister de zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en dat het beroep op artikel 10 EVRM Pro niet leidt tot een ruimere zoekslag. Er is geen sprake van milieu-informatie over emissies in het milieu in de documenten. De minister heeft terecht vertrouwelijke en concurrentiegevoelige informatie geweigerd, maar heeft de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 Woo niet toegepast op informatie ouder dan vijf jaar, wat een motiveringsgebrek oplevert.

De rechtbank geeft de minister de gelegenheid dit gebrek binnen zes weken te herstellen en houdt verdere beslissingen aan. Tegen deze tussenuitspraak staat geen hoger beroep open, maar wel tegen de einduitspraak.

Uitkomst: De rechtbank constateert een motiveringsgebrek in het bestreden besluit en geeft de minister zes weken om dit te herstellen, waarna de procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/2854

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 25 februari 2026 in de zaak tussen

[stichting] , te [plaats 1] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.T. Blom),
en
de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. C. Vooijs)
Als derde-partijen nemen aan de procedure deel: [bedrijf 1] , te [plaats 2] , [bedrijf 2] , te [plaats 3] , [bedrijf 3] , te [plaats 4] , [bedrijf 4] , te [plaats 3] , [bedrijf 5] , te [plaats 5] , [bedrijf 6] , te [plaats 6] , [bedrijf 7] , te [plaats 7] , [bedrijf 8] , te [plaats 8] , [bedrijf 9] , te [plaats 9] en [bedrijf 10] , te [plaats 10] , (tezamen belanghebbenden 1)
(gemachtigde: mr. V. Simsek).
Daarnaast nemen [bedrijf 11] , te [plaats 11] , belanghebbende 2, en [bedrijf 12] , te [plaats 12] , belanghebbende 3 (gemachtigde: mr. S. Slijpen) als derde-partijen aan de procedure deel.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een verzoek om informatie op grond van de Wet open overheid (Woo). Eiseres heeft gevraagd om alle informatie die zich onder de NVWA [1] bevindt en die gaat over separatorvleesbedrijven, -verwerkers en -distributeurs en overige partijen die onderdeel zijn van de productie- en verwerkingsketen van separatorvlees. Met het bestreden besluit heeft de minister het primaire besluit herroepen in de zin dat zij meer documenten openbaar heeft gemaakt, maar bleef zij voor het overige erbij dat zij niet alle informatie openbaar maakt. Eiseres is het niet eens met door de minister verrichte zoekslag en gebruikte weigeringsgronden. Zij beroept zich als
social watchdogop artikel 10 van Pro het EVRM [2] en stelt dat het bestreden besluit niet volledig is, onzorgvuldig tot stand is gekomen en onduidelijk is gemotiveerd. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister op de juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van eiseres.
2. De rechtbank constateert in deze tussenuitspraak dat sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit. De minister heeft ten onrechte de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo, niet toegepast op delen van documenten die zijn geweigerd op grond van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f, van de Woo en dateren van vóór 12 april 2019. De rechtbank biedt de minister de mogelijkheid om dit gebrek te herstellen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.

Procesverloop

3. Op 22 juli 2022 heeft eiseres een Woo-verzoek ingediend bij de NVWA tot openbaarmaking van alle informatie die zich onder de NVWA bevindt ten aanzien van separatorvleesproducenten, -verwerkers en -distributeurs en overige partijen die onderdeel zijn van de productie- en verwerkingsketen van separatorvlees over de afgelopen vijf jaar (2017-2022). Op 29 november 2022 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het Woo-verzoek. [3] De rechtbank heeft dit beroep op 12 februari 2023 gegrond verklaard en de minister op straffe van verbeurte van een dwangsom opgedragen binnen twee weken na verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak.
3.1.
Op 28 augustus 2023 heeft de minister het primaire besluit genomen en eiseres geïnformeerd dat er ten aanzien van dit Woo-verzoek bij de NVWA 221 documenten zijn aangetroffen, waarvan een deel (gedeeltelijk) openbaar wordt gemaakt. Eiseres is hiertegen in bezwaar gegaan.
3.2.
Op 9 augustus 2023 heeft eiseres opnieuw een beroep ingediend bij deze rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Deze rechtbank heeft op 19 december 2023 ook dit tweede beroep gegrond verklaard en de minister opnieuw op straffe van verbeurte van een dwangsom opgedragen binnen twee weken na verzending van die uitspraak een besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraak. [4]
3.3.
Met het bestreden besluit van 12 april 2024 heeft de minister aan eiseres laten weten dat zij het primaire besluit gedeeltelijk herroept. Openbaarmaking van informatie in een aantal documenten wordt niet langer geweigerd op grond van artikel 5.2, eerste lid, van de Woo, waardoor een deel van deze informatie alsnog openbaar wordt gemaakt.
3.4.
Eiseres heeft vervolgens beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Belanghebbenden 1 en 3 hebben ook schriftelijk op het beroep gereageerd. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
3.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigden hebben zich afgemeld voor de zitting. Namens de minister zijn mr. C. Vooijs en mr. P. van der Werf verschenen. Namens de verschillende derde-belanghebbenden zijn verschenen: mr. V. Simsek, [persoon 1] , mr. S. Slijpen, [persoon 2] en [persoon 3] .
3.6.
Deze zaak is gelijktijdig op zitting behandeld met de zaken AMS 24/1563, AMS 24/1704 en AMS 24/1654, maar de zaken zijn na de behandeling ter zitting weer gesplitst.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of de minister op de juiste wijze heeft beslist op het Woo-verzoek van eiseres. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
5. Zoals besproken ter zitting heeft de rechtbank de documenten gelet op het grote aantal steekproefsgewijs beoordeeld. Daarbij heeft de rechtbank per weigeringsgrond een aantal documenten van enige omvang gekozen om te beoordelen. De rechtbank zal per beroepsgrond bespreken wat haar oordeel is.
Artikel 10 van Pro het EVRM en social watchdog
6. Eiseres doet een beroep op artikel 10 van Pro het EVRM en stelt dat haar in het licht van dat artikel als
social watchdog [5] een bijzonder beschermd recht toekomt om door de overheid geïnformeerd te worden. Eiseres stelt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die maken dat de uitoefening van het specifieke recht om op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM inlichtingen te ontvangen, wordt belemmerd. Zo heeft de minister door het lange procesverloop, de gang van zaken rondom de voorlopige voorzieningen en de opgeknipte werkwijze eiseres gefrustreerd en gehinderd in het verkrijgen van de gevraagde informatie. Ook moet het beroep op artikel 10 EVRM Pro leiden tot een nieuwe ruimere zoekslag door de minister.
6.1.
Voor zover eiseres met deze beroepsgrond beoogt te stellen dat een ander - voor haar gunstiger - toetsingskader dan de Woo op haar verzoek moet worden toegepast, overweegt de rechtbank het volgende. Ongeacht of eiseres een
public watchdogis, geldt dat het regime van de Woo van toepassing is. Dat betekent dat het Woo-verzoek het uitgangspunt vormt voor de zoekslag die de minister moet uitvoeren. [6] De rechtbank volgt eiseres dan ook niet in haar standpunt dat de minister gelet op artikel 10 van Pro het EVRM het verzoek te beperkt heeft opgevat en een ruimere zoekslag had moeten verrichten. De minister heeft uitgebreid toegelicht hoe de zoekslag is uitgevoerd. Eiseres heeft niet aangevoerd dat de uitgevoerde zoekslag als zodanig onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Dat is de rechtbank ook niet gebleken.
6.2.
Onder verwijzing naar vaste rechtspraak [7] van de Afdeling is de rechtbank van oordeel dat er in het algemeen van uit mag worden gegaan dat de wetgever bij het formuleren van de weigeringsgronden in de Woo heeft voorzien in beperkingen die noodzakelijk zijn in een democratische samenleving met het oog op de in artikel 10, tweede lid, van het EVRM genoemde belangen. De weigeringsgronden van de Woo strekken ter bescherming van één of meer van deze belangen. Er moet sprake zijn van bijzondere omstandigheden om van dit uitgangpunt af te wijken.
6.3.
Zulke bijzondere omstandigheden zijn niet gesteld of gebleken. Eiseres heeft ook niet toegelicht hoe de Woo haar minder bescherming biedt dan een rechtstreeks beroep op artikel 10 van Pro het EVRM. De door eiseres gestelde hindernissen: de lengte van de procedure, de door eiseres genoemde ‘opgeknipte werkwijze’ en de verlening van schorsende werking aan het bestreden besluit waardoor de openbaarmaking verder is verlaat, kwalificeren niet als bijzondere omstandigheden waardoor de Woo en haar weigeringsgronden toepassing zouden moeten missen. De minister heeft zich bij de beoordeling terecht beperkt tot het Woo-verzoek zoals dit is ingediend op 22 juli 2022. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Gemaakte zoekslag en reikwijdte van het verzoek
7. Eiseres voert aan dat het ongeloofwaardig is dat er slechts 221 documenten zijn gevonden met betrekking tot dit Woo-verzoek. Het Woo-verzoek gaat volgens eiseres om één van de belangrijkste aspecten van handhaving door de minister, wat zelfs in een apart project traceerbaarheid tot uitvoering is gebracht. Met het bestreden besluit zijn slechts gegevens geopenbaard van 25 bedrijven. Het is volgens eiseres niet geloofwaardig dat er slechts dossiers zijn bijgehouden van 25 bedrijven.
7.1.
Op de zitting heeft de minister meegedeeld dat de deels openbaar gemaakte documenten informatie bevatten over 21 bedrijven. Daarbij is opgemerkt dat alleen bedrijven die separatorvlees
producerenhiervoor zijn erkend en dat dus alleen deze bedrijven in beeld zijn bij de NVWA. Bedrijven die separatorvlees
verwerkenhoeven hiervoor niet erkend te zijn. Verder heeft de minister toegelicht dat het permanente toezicht van de NVWA alleen betrekking heeft op de slachtactiviteiten van de bedrijven en niet (ook) op de productie van separatorvlees. De controles bij de afdelingen die separatorvlees produceren zijn minder frequent omdat de risico's van separatorvlees relatief beperkt zijn gezien het beoogd gebruik (verwerking in verhitte producten). Het specifieke project 'traceerbaarheid van separatorvlees' is eenmalig uitgevoerd. De minister verwijst verder met betrekking tot deze beroepsgrond naar de door haar uitgevoerde uitgebreide zoekslag, zoals deze is beschreven in het bestreden besluit. De minister stelt zich daarom op het standpunt dat er niet meer informatie is en dat het aan eiseres is om aannemelijk te maken dat er meer informatie is. [8] Ook wijst de minister op het feit dat er in het kader van de Woo sprake moet zijn van informatie die specifiek is neergelegd in documenten. Meer dan de 221 documenten die op grond van dit Woo-verzoek zijn gevonden, zijn er niet.
7.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [9] , moet een bestuursorgaan voldoende inzichtelijk maken hoe het de zoekslag heeft verricht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld specifiek te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd voor het zoeken naar documenten in die systemen, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de door die personen aangedragen documenten vervolgens is gemaakt.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat de zoekslag in het bestreden besluit voldoende inzichtelijk is gemaakt en eiseres heeft daartegen ook geen concrete gronden aangevoerd. Eiseres heeft evenmin concreet toegelicht op welke grond de zoekslag te beperkt zou zijn uitgevoerd.
7.4.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [10] volgt ook dat wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
7.5.
Het enkele feit dat slechts 221 documenten zijn aangetroffen die betrekking hebben op een beperkt aantal bedrijven is onvoldoende voor het oordeel dat de zoekslag te beperkt is uitgevoerd. De minister heeft ook voldoende duidelijk en overtuigend toegelicht waarom de documenten slechts op een beperkt aantal bedrijven zien en eiseres heeft daar niets tegenover gesteld.
7.6.
Daarbij overweegt de rechtbank nog het volgende. Het Woo-verzoek, gedaan door eiseres op 22 juli 2022 (zie 3.), vormt het uitgangspunt voor de zoekslag die de minister moet uitvoeren. Wat eiseres wenst - zoals ook bij de hoorzitting naar voren is gekomen - is, een overzicht waaruit kan worden afgeleid of de traceerbaarheidsbepalingen uit het Unierecht juist worden toegepast en nageleefd. Daar is in het Woo-verzoek van 22 juli 2022 echter niet om verzocht. De Woo verplicht de minister bovendien niet tot het opstellen van nieuwe documenten of overzichten. Als eiseres had willen weten of en hoe de traceerbaarheidsbepalingen door de minister worden toegepast en nageleefd, dan had eiseres hier expliciet in haar Woo-verzoek om moeten verzoeken, maar dit heeft zij niet gedaan. Aangezien de minister haar zoekslag voldoende inzichtelijk heeft gemaakt en eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er meer informatie zou moeten zijn, is de rechtbank van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt.
Emissies in het milieu?8. Eiseres beroept zich op artikel 5.1, zevende lid, van de Woo en stelt dat de door de minister gehanteerde weigeringsgronden in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woo (de c-grond) en de artikelen 5.1, tweede lid, aanhef en onder f en i van de Woo (respectievelijk de f- en i-grond) niet van toepassing zijn op de informatie waar dit Woo-verzoek op ziet. Er is hier volgens eiseres namelijk sprake van milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. De minister heeft dit betwist.
8.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres niet concreet heeft onderbouwd uit welke documenten kan worden afgeleid dat daarin sprake is van milieu-informatie over emissies in het milieu, noch is duidelijk op welke gegevens zij doelt. De rechtbank volgt eiseres ook niet dat het Woo-verzoek gelet op het onderwerp en de inhoud ervan, gaat over milieu-informatie die betrekking heeft op emissies in het milieu. Het is de rechtbank ook tijdens het raadplegen van de documenten in de raadkamer niet gebleken dat in de documenten sprake is van informatie over emissies in het milieu, te weten informatie over stoffen, trillingen, warmte of geluiden die direct of indirect vanuit een bron in de lucht, het water of de bodem worden gebracht [11] . Deze beroepsgrond slaagt niet.
Bedrijfs- en fabricagegegevens die in vertrouwen zijn gegeven
9. Eiseres is het niet eens met de toepassing door de minister van de c-grond. Volgens haar is deze geweigerde informatie niet vertrouwelijk aan de overheid meegedeeld en mochten de verstrekkers enige vertrouwelijkheid niet redelijkerwijs aannemen. De minister heeft volgens eiseres onvoldoende gemotiveerd en getoetst of sprake is van in vertrouwen gegeven informatie of dat de verstrekker hiervan redelijkerwijs mocht uitgaan.
9.1.
De minister heeft op de zitting nader toegelicht dat zij de c-grond heeft toegepast op informatie die rechtstreeks van de (onder toezicht staande) bedrijven is gekomen. Deze bedrijven zijn verplicht om deze informatie aan de minister te verstrekken. In deze context en in deze verhouding mogen deze bedrijven er volgens de minister vanuit gaan dat zij de informatie vertrouwelijk aan de overheid verstrekken en dat de minister deze informatie in een beslissing op een Woo-verzoek weigert op de c-grond. De rechtbank vindt deze uitleg van de minister navolgbaar. De rechtbank heeft tijdens haar steekproefsgewijze controle in de raadkamer geconstateerd dat de minister documenten 96, 97, 218 en 219 terecht heeft geweigerd op de c-grond. De rechtbank heeft ook document 169 beoordeeld, maar daarin heeft zij geen geweigerde informatie aangetroffen, het document is integraal openbaar gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Anders dan vertrouwelijk aan de overheid verstrekte concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens
10. Eiseres is het niet eens met de toepassing door de minister van de f-grond. Zij voert hiertoe aan dat er meer informatie is geweigerd dan alleen de namen van leveranciers. Volgens eiseres moet het belang van openbaarheid zwaarder wegen dan het belang van bescherming van concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens, zodat zij kan controleren of wordt voldaan aan de traceerbaarheidsbepalingen uit het Unierecht. Ook is volgens eiseres van belang dat mogelijk sprake is van verouderde informatie omdat wellicht een deel van de ondernemingen in dit marktsegment inmiddels gebruik maakt van mogelijk andere leveranciers. De minister heeft toegelicht dat de f-grond voornamelijk is toegepast op de namen van leveranciers, maar niet uitsluitend. Volgens de minister is niet ten onrechte meer informatie geweigerd dan noodzakelijk.
10.1.
Op de zitting zijn het belang en de invulling van de f-grond nader besproken. Duidelijk is geworden dat er in de praktijk sprake is van een kleine kring ketenpartners (waar ook leveranciers en afnemers onder vallen) voor dit specifieke marktsegment. In dat kader zijn de geweigerde gegevens waardevolle informatie voor concurrenten en is het volgens de minister gerechtvaardigd om de namen van leveranciers en afnemers te weigeren op de f-grond. Daarnaast is de kans reëel dat deze gegevens nog actueel zijn, omdat sprake is van een streng gereguleerde markt. Wisseling van leveranciers is niet eenvoudig, omdat een bedrijf dan helemaal opnieuw moet beginnen met het proces van verificatie, kwalificatie en controle. Dat heeft veel voeten in de aarde. Veel bedrijven blijven daarom gebruikmaken van hun vaste leveranciers en dat maakt dat de informatie actueel is gebleven, zo stelt de minister.
10.2.
De rechtbank kan deze uitleg goed volgen en acht deze toelichting met betrekking tot het weigeren op de f-grond van namen van leveranciers, afnemers en andere ketenpartners aanvaardbaar. De rechtbank heeft in de raadkamer vastgesteld dat de minister informatie in de documenten 5 en 6 op de f-grond heeft mogen weigeren. De rechtbank heeft ook de weigering van informatie in de documenten 87 en 105 beoordeeld, maar in deze documenten heeft zij geen op de f-grond geweigerde passages aangetroffen. Deze documenten zijn enkel deels geweigerd vanwege eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer [12] . Deze beroepsgrond slaagt niet.
Verzwaarde motiveringsplicht
11. Eiseres beroept zich in het verlengde van de f-grond ook op de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo. Deze verzwaarde motiveringsplicht geldt voor de toepassing van relatieve uitzonderingsgronden, zoals de f-grond, op informatie die ouder is dan vijf jaar. Voor zulke informatie moet worden gemotiveerd waarom het in artikel 5.1 eerste lid aanhef en onder f genoemde belang ondanks het tijdsverloop zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. Volgens eiseres heeft de minister niet voldaan aan deze verzwaarde motiveringsplicht. De minister merkt in verband met deze grond op dat eiseres in haar Woo-verzoek expliciet heeft verzocht om informatie over de afgelopen vijf jaar (2017-2022). Het is volgens de minister dan ook niet aannemelijk dat het bestreden besluit informatie behelst die ouder is dan die vijf jaar. Daarnaast wijst de minister erop dat eiseres op geen enkele wijze concreet heeft gemaakt op welke informatie de verzwaarde motiveringsplicht van toepassing is.
11.1.
Vooropgesteld wordt dat als uitgangspunt voor de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo geldt dat wordt gerekend vanaf de datum van het bestreden besluit. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling van 30 april 2025 [13] en 19 november 2025 [14] . De minister heeft voor de documenten 13, 153 en 174 met haar nadere motivering ter zitting (zoals weergegeven in 10.1) voldaan aan de verzwaarde motiveringsplicht. De rechtbank is van oordeel dat in het licht van wat er in deze documenten is geweigerd op de f-grond de minister het belang van bescherming van de concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens ondanks het tijdsverloop nog steeds zwaarder mocht laten wegen dan het belang van openbaarmaking. De rechtbank stelt echter vast dat een groot aantal documenten is gedateerd van vóór 12 april 2019. De minister heeft de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo daarmee niet toegepast op alle informatie die ouder is dan vijf jaar teruggerekend vanaf de datum van het bestreden besluit, behalve voor zover dit ziet op informatie over toeleveranciers en afnemers. Hier constateert de rechtbank dus een motiveringsgebrek.
11.2.
De rechtbank geeft de minister de mogelijkheid om dit gebrek te herstellen. Zo moet de minister het tijdsverloop alsnog betrekken bij alle geweigerde informatie op de f-grond, voor zover het niet gaat om informatie als bedoeld in 10.1; de namen van ketenpartners zoals leveranciers en afnemers. De minister moet daarom alle documenten die ouder zijn dan vijf jaar (gerekend vanaf het bestreden besluit, dus documenten van
vóór12 april 2019) en die zijn geweigerd op de f-grond,
niet zijndenamen van ketenpartners (leveranciers en afnemers) opnieuw bekijken en de verzwaarde motiveringsplicht van artikel 5.3 van de Woo in acht nemen. De minister zal deze op de f-grond geweigerde passages alsnog openbaar moeten maken of nader motiveren waarom het belang van bescherming van de concurrentiegevoelige bedrijfs- en fabricagegegevens na een tijdsverloop van meer dan vijf jaar zwaarder weegt dan het belang van openbaarmaking indienen.
Het goed functioneren van de Staat
12. Eiseres stelt zich ten slotte op het standpunt dat de minister de interne e-mailadressen in de documenten niet op de i-grond had mogen weigeren. Eiseres heeft toegelicht dat zij met het Woo-verzoek niet heeft beoogd dat interne e-mailadressen openbaar zouden worden gemaakt. Tegelijkertijd kan zij niet controleren of de minister met het gebruik van deze weigeringsgrond ook daadwerkelijk alleen interne e-mailadressen niet heeft geopenbaard. De minister stelt dat eiseres heeft nagelaten om aan te geven om welke documenten dit precies gaat en dat eiseres dit makkelijk had kunnen doen aan de hand van de inventarislijst. Daarnaast is de i-grond volgens de minister correct toegepast.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat het voor eiseres eenvoudig was om aan de hand van de inventarislijst specifieke documenten en/of aanknopingspunten te noemen waaruit volgt dat de minister (mogelijk) onterecht de i-grond heeft toegepast. Het betreft immers e-mailadressen die steeds als volgt uitzien: ‘[e-mailadres]’, waarbij xxxx staan voor de weggelakte namen van personen en/of interne mailgroepen. Dit heeft zij niet gedaan. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juiste toepassing van de i-grond met betrekking tot de interne e-mailadressen en de daarbij gegeven motivering van de minister te twijfelen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het bestreden besluit niet deugdelijk gemotiveerd.
14. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) (bestuurlijke lus) kan de rechtbank de minister in de gelegenheid stellen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om de minister in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen.
15. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen de minister het gebrek dient te herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak. De minister dient daarbij te voegen: een nieuwe inventarislijst ten aanzien van de documenten die worden geweigerd op de f-grond. De bijbehorende gelakte en ongelakte stukken moeten op volgorde worden ingediend en zijn voorzien van een nummering die overeenkomt met de inventarislijst. In de ongelakte stukken dient duidelijk te zijn welke informatie/passage op de f-grond is geweigerd.
16. De minister moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of zij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als de minister gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiseres in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van de minister. In beginsel, ook in de situatie dat de minister de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.
17. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in deze tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. [15]
18. In afwachting van de uitkomst van de bestuurlijke lus houdt de rechtbank alle verdere beslissingen aan. Dit betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
19. De rechtbank wijst er nog op dat tegen deze tussenuitspraak geen hoger beroep open staat, maar pas tegelijk met de – nog te nemen – einduitspraak. Tot die tijd staat tegen deze tussenuitspraak geen rechtsmiddel open.

Beslissing

De rechtbank:
  • draagt de minister op om binnen twee weken de rechtbank mee te delen of zij gebruik maakt van de gelegenheid om het gebrek te herstellen;
  • stelt de minister in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
  • houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, voorzitter, mr. T.L. Fernig-Rocour en mr. E.M. Hansen-Löve, leden, in aanwezigheid van mr. F. van der Maas, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit.
2.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.AMS 22/5777.
4.AMS 23/4805.
5.Uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 november 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD001803011 (Magyar Helsinki Bizottság v. Hongarije) (MHB-arrest). In het MHB-arrest wordt de term
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:98.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1150.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:367, r.o. 5.1.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3091, r.o. 4.
11.Zie de definitie in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet Milieubeheer.
12.Zie artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder f van de Woo.
13.Zie: ECLI:NL:RVS:2025:1913, r.o. 8- 8.2.
15.Zie hieromtrent de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.