Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:2159

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12078586 \ KK EXPL 26-71
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:653 BWArt. 6:119 BWArt. 611b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Handhaving concurrentiebeding na overstap audicien naar concurrent binnen gemeentegrens

Beter Horen vordert in kort geding dat werknemer [gedaagde 1] zijn werkzaamheden bij concurrent [gedaagde 2] binnen de gemeentegrens van [gemeente] gedurende één jaar staakt wegens overtreding van een concurrentiebeding. Werknemer was jarenlang audicien bij Beter Horen en trad na ontslag direct in dienst bij de concurrent, binnen het geografisch toepassingsgebied van het beding.

De kantonrechter oordeelt dat het concurrentiebeding formeel geldig is en dat werknemer willens en wetens in strijd met dit beding heeft gehandeld. Beter Horen heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrijfsdebiet wordt aangetast door het risico op klantverlies, mede door de korte afstand tussen de vestigingen en de vertrouwelijke kennis van werknemer over klanten en producten.

De belangenafweging leidt tot de conclusie dat werknemer niet onbillijk wordt benadeeld door handhaving van het beding binnen de gemeentegrens, waarbij hij elders bij de concurrent kan werken. De gevorderde boetes worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisendheid en disproportionaliteit. De tegenvorderingen van werknemer en concurrent tot schorsing van het beding en vergoeding worden eveneens afgewezen.

De kantonrechter veroordeelt werknemer en concurrent hoofdelijk in de proceskosten en legt een dwangsom op voor overtreding van het verbod. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Werknemer moet werkzaamheden bij concurrent binnen gemeentegrens een jaar staken; boetebedingen en tegenvorderingen afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12078586 \ KK EXPL 26-71
Vonnis in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
BETER HOREN B.V.,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij in conventie, verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Beter Horen,
gemachtigde: mr. H.W. van Osch,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partijen in conventie, eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,
gemachtigde: mr. I.H.W. van der Ven.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 4 februari 2026, met producties,
- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 februari 2026. Namens Beter Horen zijn [naam 1] ( [naam functie 1] ), [naam 2] ( [naam functie 2] ), [naam 3] ( [naam functie 3] ) en [naam 4] ( [naam functie 4] ) verschenen, bijgestaan door de gemachtigde en mr. B. Willemsen. [gedaagde 1] is verschenen en namens [gedaagde 2] is [naam 5] ( [naam functie 5] ) verschenen, beiden bijgestaan door de gemachtigde en mr. O.A.C.H.M. Spijkers.
1.3.
De gemachtigden hebben tijdens de zitting spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Deze spreekaantekeningen zijn in het dossier gevoegd. Partijen zijn daarna gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van hetgeen tijdens de mondelinge behandeling is besproken, die eveneens in het dossier zijn gevoegd. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Beter Horen is een landelijke keten, onderdeel van de Amplifon groep en marktleider op het gebied van hooroplossingen in Nederland. Beter Horen heeft in Nederland meer dan 200 winkels en servicepunten.
2.2.
[gedaagde 1] , geboren in 1990, is op 14 maart 2016 in dienst getreden bij Beter Horen als audicien in opleiding. Per 14 maart 2018 is [gedaagde 1] de functie van audicien gaan vervullen en is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd omgezet in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. [gedaagde 1] is vanaf september 2020 tijdelijk werkzaam geweest als shopmanager. Sinds maart 2022 was [gedaagde 1] weer als audicien werkzaam bij de Beter Horen vestiging aan de [locatie 1] . Het laatst verdiende salaris van [gedaagde 1] bedroeg € [salaris 1] ,- bruto per maand exclusief 8% vakantiegeld, bonussen en commissies op basis van een 40-urige werkweek.
2.3.
[gedaagde 2] is een familiebedrijf, gespecialiseerd in op maat gemaakte hooroplossingen. [gedaagde 2] heeft 23 vestigingen verspreid over Noord-Holland, Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland.
2.4.
In de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd staat het volgende non-concurrentiebeding:
‘6.1. Het is werknemer verbonden om binnen een tijdvak van 2 jaar na beëindiging van de dienstbetrekking in enigerlei vorm, hetzij direct, hetzij indirect, betrokken of werkzaam te zijn bij een bedrijf gelijk, gelijksoortig of aanverwant aan dat van werkgever en/of aangesloten ondernemingen.
6.2
Dit concurrentieverbod geldt voor alle regio’s waarbinnen werknemer gedurende de vijf jaar, voorafgaande aan het einde van de dienstbetrekking en voor het gebied, gelegen in een kring met een straal van 25 km met als middelpunt die vestiging(en), waar werknemer gedurende de hierbij vermelde termijn van 5 jaar voor werkgever, respectievelijk zijn rechtsvoorgangers/-opvolgers, werkzaam is geweest.’Ook in de aanbiedingsbrief bij de arbeidsovereenkomst wordt op het concurrentiebeding gewezen en staat het beding uitgeschreven.
2.5.
Artikel 9 bevat Pro een boetebeding op grond waarvan [gedaagde 1] bij overtreding van het concurrentiebeding een onmiddellijk opeisbare boete verbeurt van € 50.000,-, alsmede een boete van € 1.000,- per dat dat de overtreding voortduurt.
2.6.
In de arbeidsovereenkomst is tevens een geheimhoudingsbeding opgenomen.
2.7.
Bij brief van 23 mei 2025 heeft Beter Horen [gedaagde 1] een bruto retentiebonus in het vooruitzicht gesteld van in het totaal [bonusbedrag 1] ,- te betalen in een termijn van € [bonusdeel 1] ,- bruto bij de salarisbetaling van juni 2025 en een termijn van € [bonusdeel 2] ,- bruto bij de salarisbetaling van juni 2026. [gedaagde 1] heeft de bonus geaccepteerd.
2.8.
Bij e-mail van 12 september 2025 heeft [gedaagde 1] Beter Horen laten weten dat hij Beter Horen gaat verlaten. [gedaagde 1] heeft Beter Horen aangeboden langer in dienst te blijven en alles netjes af te ronden in ruil voor het laten vervallen van het concurrentiebeding.
2.9.
Bij e-mail van 19 september 2025 heeft Beter Horen aangeboden om een uitzondering te maken op het concurrentiebeding zodat [gedaagde 1] van 1 januari 2026 tot 1 januari 2027 mag werken bij [gedaagde 2] in [plaats 1] , en vanaf 1 januari 2027 bij de [gedaagde 2] winkel in [plaats 2] . Het verzoek van [gedaagde 1] om direct na uitdiensttreding bij Beter Horen in dienst te treden bij [gedaagde 2] in [plaats 2] heeft Beter Horen geweigerd.
2.10.
[gedaagde 1] heeft op 22 september 2025 zijn arbeidsovereenkomst met Beter Horen met ingang van 1 november 2025 opgezegd. Beter Horen heeft de opzegging bij brief van 22 september 2025 bevestigd en gewezen op het concurrentiebeding en het boetebeding.
2.11.
Op 3 november 2025 is [gedaagde 1] als audicien voor onbepaalde tijd in dienst getreden bij [gedaagde 2] . [gedaagde 1] heeft vanaf dat moment steeds in de vestiging in [plaats 2] gewerkt. Zijn salaris bedraagt € [salaris 2] ,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld en overige emolumenten, waaronder een bonusregeling op basis van een 40-urige werkweek. In januari 2026 heeft [gedaagde 1] € [bonusbedrag 2] ,- bruto aan bonus ontvangen.
2.12.
Op 19 november 2025 hebben de [naam functie 1] en de CEO van Beter Horen de vestiging van [gedaagde 2] in [plaats 2] aan de [locatie 2] , waar [gedaagde 1] op dat moment werkzaam was, bezocht.
2.13.
Bij brief van 1 december 2025 heeft Beter Horen [gedaagde 1] samengevat gesommeerd zijn werkzaamheden bij [gedaagde 2] [plaats 2] te staken en heeft zij boetes van op dat moment in totaal € 52.000,- aangezegd. Nadere gesprekken en correspondentie tussen de CEO’s en (de gemachtigden van) partijen, waaronder het voorstel van [gedaagde 2] om de kwestie via een artikel 96 Rv Pro procedure aan de kantonrechter voor te leggen, hebben niet tot een oplossing geleid.
2.2.
Op 27 december 2025 heeft [gedaagde 1] aan de gemachtigde van [gedaagde 2] laten weten dat hij niet voornemens is zijn werkzaamheden bij [gedaagde 2] in [plaats 2] te staken. [gedaagde 2] betaalt de kosten van rechtsbijstand voor [gedaagde 1] en heeft verklaard garant te staan voor eventueel aan [gedaagde 1] op te leggen boetes.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
Beter Horen vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 1] te veroordelen zijn werkzaamheden voor [gedaagde 2] binnen de gemeentegrens van [gemeente] gedurende een periode van 1 jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis met onmiddellijke ingang te staken, op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag dat de overtreding voortduurt;
II. [gedaagde 2] met onmiddellijke ingang te verbieden gebruik te maken direct of indirect van de werkzaamheden van [gedaagde 1] bij de vestiging van [gedaagde 2] in [plaats 2] en alle overige vestigingen die gelegen zijn binnen de gemeentegrens van [gemeente] , op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500, per dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt;
III. [gedaagde 2] te veroordelen tot medewerking aan de plaatsing van [gedaagde 1] op een locatie buiten de gemeentegrens van [gemeente] , waarbij naar het oordeel van Beter Horen haar belangen voldoende worden gerespecteerd;
IV. [gedaagde 1] te veroordelen bij wijze van voorschot tot betaling aan Beter Horen van een bedrag aan boetes, berekend per 26 januari 2026 € 99.000,-, dan wel een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente;
V. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (hoofdelijk) te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten;
3.2.
Beter Horen legt samengevat aan haar vorderingen ten grondslag dat met [gedaagde 1] rechtsgeldig een concurrentiebeding is overeengekomen, welk concurrentiebeding [gedaagde 1] overtreedt door in dienst te treden bij de vestiging van [gedaagde 2] in [plaats 2] . Beter Horen heeft [gedaagde 1] tegemoet willen komen door het concurrentiebeding in duur te beperken tot één jaar (in plaats van twee) en de straal van 25 km te beperken tot de gemeentegrenzen van [gemeente] , maar [gedaagde 1] (en [gedaagde 2] ) zijn niet op dat voorstel ingegaan. Volgens Beter Horen handelt [gedaagde 2] jegens haar onrechtmatig omdat [gedaagde 2] profiteert van de overtreding van het concurrentiebeding door [gedaagde 1] . [gedaagde 2] is verzocht om [gedaagde 1] elders in haar organisatie, buiten de gemeentegrenzen van [gemeente] te plaatsen, maar daaraan heeft [gedaagde 2] niet willen meewerken. Door overtreding van het concurrentiebeding wordt afbreuk gedaan aan duurzaam bedrijfsdebiet van Beter Horen en is [gedaagde 1] boetes verschuldigd. De casus van [gedaagde 1] staat bovendien niet op zichzelf. [gedaagde 2] benadert gericht werknemers van Beter Horen om bij haar in dienst te treden.
3.3.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Primair concluderen zij tot afwijzing van alle vorderingen van Beter Horen. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] stellen zich daarbij op het standpunt dat een concurrentiebeding in de audiciensbranche (ongeacht de belangen van de werknemer) in beginsel geen stand kan houden nu niet aannemelijk is dat de overstap van een audicien in een uitvoerende functie leidt tot aantasting van het bedrijfsdebiet. Subsidiair stellen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dat een belangenafweging in het kader van 7:653 lid 3 sub b BW in het voordeel van [gedaagde 1] moet uitvallen, omdat Beter Horen geen zwaarwegend en concreet bedrijfsbelang heeft, waartegenover aanzienlijke persoonlijke en financiële belangen van [gedaagde 1] staan. Subsidiair verzoeken zij de door Beter Horen opgelegde boetes te matigen tot nihil, althans een bedrag/percentage in goede justitie te bepalen. De door Beter Horen gevorderde boetes zijn evident buitensporig en staan in geen enkele verhouding tot het salaris en de financiële draagkracht van [gedaagde 1] . Tot slot vragen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] Beter Horen in de kosten te veroordelen.
in reconventie
3.4.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] vorderen - samengevat -
primair: schorsing van het concurrentiebeding van [gedaagde 1] , althans een zodanige maatregel te treffen die [gedaagde 1] in staat stelt zijn werkzaamheden bij [gedaagde 2] in [plaats 2] voort te zetten,
subsidiair:te bepalen dat Beter Horen gehouden is aan [gedaagde 1] voor de duur van het concurrentiebeding maandelijks een vergoeding te voldoen van € [bedrag 1] bruto, althans een bedrag dat de kantonrechter gerechtvaardigd acht, teneinde in zijn levensonderhoud te voorzien, nu hij in dat geval voor de duur van zijn concurrentiebeding ernstig wordt belemmerd in zijn arbeidsmogelijkheden, en
primair en subsidiairBeter Horen te veroordelen in de kosten van het geding, alsmede in de nakosten te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf veertien dagen na de uitspraak.
3.5.
[gedaagde 2] betwist dat zij onrechtmatig handelt door [gedaagde 1] in dienst te nemen in haar vestiging in [plaats 2] . Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ontbreekt een toereikende rechtvaardiging voor het concurrentiebeding, omdat een concurrentiebeding in de audiciensbranche (ongeacht de belangen van de werknemer) in beginsel geen stand kan houden nu het niet aannemelijk is dat de overstap van een audicien in een uitvoerende functie leidt tot aantasting van het bedrijfsdebiet. Als wordt geoordeeld dat er wel sprake is van aantasting van het bedrijfsdebiet door de indiensttreding van [gedaagde 1] bij [gedaagde 2] , stelt [gedaagde 1] zich op het standpunt dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen. [gedaagde 1] geniet bij [gedaagde 2] aanzienlijk betere arbeidsvoorwaarden. Zijn vaste maandsalaris ligt € [bedrag 2] ,- bruto hoger en de bonusregeling is aanzienlijk gunstiger. Daarnaast biedt [gedaagde 2] hem een betere werk-privébalans en past de werkwijze van [gedaagde 2] beter bij zijn professionele overtuiging. [gedaagde 1] heeft het aanbod van Beter Horen om in dienst te treden bij [gedaagde 2] [plaats 1] van de hand gewezen omdat de reistijd van zijn huis ( [woonplaats] ) naar [gedaagde 2] [plaats 1] per dag in totaal twee uur bedraagt en hij vanwege een traumatische ervaring in 2017 aanzienlijke spanning ervaart bij deelname aan het verkeer.
3.6.
Beter Horen heeft verweer gevoerd. Beter Horen concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure. Zij heeft samengevat aangevoerd dat [gedaagde 1] haar bedrijfsdebiet schaadt door indiensttreding bij [gedaagde 2] [plaats 2] . Door de korte afstand tussen de werklocaties van Beter Horen [locatie 1] en [gedaagde 2] [plaats 2] is de kans aanzienlijk dat de klanten al dan niet na actieve benadering zullen overstappen. Als audicien beschikt [gedaagde 1] over directe en relevante kennis van klanten die in handen van [gedaagde 2] een concurrentievoordeel opleveren. Naast de klantgegevens bestaat het bedrijfsdebiet van Beter Horen ook uit de kennis van de markt, de werkwijzen en diensten en achterliggende commerciële informatie.

4.De beoordeling

4.1.
In deze procedure vraagt Beter Horen niet om nakoming van het concurrentiebeding zoals vastgelegd in de arbeidsovereenkomst uit 2018 (met een geografisch bereik van 25 kilometer en een duur van twee jaar); zij vraagt in conventie (naast andere vorderingen) dat [gedaagde 1] zijn werkzaamheden voor [gedaagde 2] binnen de gemeentegrens van [gemeente] gedurende 1 jaar staakt en dat het [gedaagde 2] kort gezegd verboden wordt gebruik te maken van de wanprestatie van [gedaagde 1] . In reconventie vragen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] samengevat om schorsing van het concurrentiebeding. De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
4.2.
Ter beoordeling ligt onder meer voor of de kantonrechter het voorshands voldoende aannemelijk acht dat de bodemrechter het door Beter Horen gevorderde zal afwijzen, omdat [gedaagde 1] in verhouding tot het te beschermen belang van Beter Horen, bij toewijzing van het door Beter Horen gevorderde onbillijk wordt benadeeld.
4.3.
Vorderingen in kort geding alleen kunnen worden toegewezen als partijen daarbij een spoedeisend belang hebben. Het spoedeisend belang moet voor ieder afzonderlijk gedeelte van de vordering worden gesteld en bij betwisting aannemelijk worden gemaakt. Gelet op de aard van deze vorderingen is de spoedeisendheid gegeven, met uitzondering van de sub IV door Beter Horen gevorderde boetes, waarop hieronder wordt teruggekomen.
4.4.
Verder is voor toewijzing van vorderingen in kort geding vereist dat de feiten en omstandigheden die aan de vorderingen ten grondslag zijn gelegd, voldoende aannemelijk zijn. Ook moet in voldoende mate waarschijnlijk zijn dat de vorderingen in een nog te voeren bodemprocedure zullen worden toegewezen. Voor nader onderzoek naar bepaalde feiten en omstandigheden of voor bewijslevering door bijvoorbeeld getuigen is in een kort geding geen plaats. Dat moet gebeuren in een eventuele gewone procedure. De beoordeling in dit kort geding is dus slechts een voorlopig oordeel over het geschil.
4.5.
Vaststaat dat het concurrentiebeding voldoet aan de formele vereisten van artikel 7:653 lid 1 BW Pro; het concurrentiebeding in de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van 4 juni 2018 is schriftelijk aangegaan en [gedaagde 1] was bij het aangaan van het beding meerderjarig. In beginsel is [gedaagde 1] dus aan het beding gebonden. Vaststaat ook dat [gedaagde 2] een concurrent is van Beter Horen en dat de vestiging van [gedaagde 2] in [plaats 2] binnen de geografische reikwijdte van het concurrentiebeding valt (en ook binnen de grenzen van het door Beter Horen sub I en II gevorderde). [gedaagde 1] heeft aldus gehandeld in strijd met het concurrentiebeding door, aansluitend aan zijn arbeidsovereenkomst bij Beter Horen [locatie 1] , per 1 november 2025 bij [gedaagde 2] [plaats 2] in dienst te treden. [gedaagde 1] heeft dat willens en wetens gedaan en doet dat nog steeds. Beter Horen heeft namelijk zowel [gedaagde 1] als [gedaagde 2] meerdere keren uitdrukkelijk op het concurrentiebeding gewezen. Zij heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] alternatieven aan de hand gedaan, maar daarvan hebben [gedaagde 1] noch [gedaagde 2] willen weten.
4.6.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] voeren als meest verstrekkende verweer dat [gedaagde 1] niet aan het concurrentiebeding is gebonden omdat een toereikende rechtvaardiging voor het concurrentiebeding ontbreekt. Het is de stellige overtuiging van [gedaagde 2] dat een concurrentiebeding in de audiciensbranche (ongeacht de belangen van de werknemer) in beginsel geen stand kan houden nu het niet aannemelijk is dat de overstap van een audicien in een uitvoerende functie leidt tot aantasting van het bedrijfsdebiet. [gedaagde 2] heeft deze opvatting in een artikel 96 Rv Pro procedure willen voorleggen aan de kantonrechter, maar daar heeft Beter Horen niet mee ingestemd. Ook heeft [gedaagde 2] ter onderbouwing van haar standpunt mede verwezen naar het Wetsvoorstel modernisering concurrentiebeding.
4.7.
Ten aanzien van het Wetsvoorstel modernisering concurrentiebeding wordt overwogen dat dit wetsvoorstel zich nog in de voorbereidende fase bevindt, zodat daarop in deze voorlopige voorziening niet wordt vooruitgelopen. Voor zover [gedaagde 2] van de kantonrechter een algemene uitspraak wil over de geldigheid van concurrentiebedingen in de audicienbranche wordt overwogen dat een voorlopige voorziening als de onderhavige daarvoor niet geschikt is. Wel is de kantonrechter het met [gedaagde 2] eens dat een concurrentiebeding een werknemer beperkt in zijn recht op vrije arbeidskeuze en dat een concurrentiebeding niet is bedoeld om werknemers te binden. Aan een concurrentiebeding komt slechts betekenis toe voor zover het strekt ter bescherming van het bedrijfsdebiet van de werkgever.
De vorderingen I en II in conventie en de vorderingen in reconventie; het bedrijfsdebiet van Beter Horen
4.8.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Beter Horen voldoende aannemelijk gemaakt dat dat zij een voldoende zwaarwegend belang heeft bij toewijzing van het sub I en II in conventie gevorderde, omdat dit nodig is om haar bedrijfsdebiet te beschermen. Ter toelichting dient het volgende. Het is een gegeven dat de markt waarin partijen opereren zeer competitief is. Voldoende aannemelijk is geworden dat voor klanten de persoon van de audicien ertoe doet en dat klanten (met name ouderen) door een vertrouwd gezicht geholpen willen worden. Dat blijkt niet alleen uit de antwoorden van een door Beter Horen afgenomen vragenlijst onder haar klanten en uit verklaringen van [naam functie 1] van Beter Horen; deze stelling vindt ook steun in de omstandigheid dat op de website van [gedaagde 2] de audiciens met hun volledige naam per vestiging staan vermeld.
4.9.
Verder is voldoende aannemelijk geworden dat de functie van audicien meer inhoudt dan alleen het adviseren over en verkopen van hooroplossingen. Niet betwist is dat de audicien de fysieke ongemakken, de medische achtergrond, de voorkeuren en voortgang van de client en de geboden oplossing aan een klant kent. Ook kan de audicien verwijzen naar een KNO-arts. Klanten kopen weliswaar ‘maar’ één keer in de vijf jaar een hoortoestel, maar in de tussentijd is er klantencontact over reparaties en service gerelateerde vragen. Uit de door Beter Horen overgelegde stukken blijkt dat [gedaagde 1] , die bijna tien jaar werkzaam is geweest bij Beter Horen, een groot aantal terugkerende klanten had en dat 94% van zijn klanten uit het postcodegebied [gemeente] afkomstig was. Uit productie 34 van Beter Horen blijkt dat een aantal klanten van [gedaagde 1] gevestigd zijn in de directe omgeving van de winkel van [gedaagde 2] in [plaats 2] (de kaart met de donker- en lichtblauwe bolletjes).
4.10.
Beter Horen heeft hiermee in het kader van deze voorlopige voorziening voldoende aannemelijk gemaakt dat zij het risico loopt dat zij klanten verliest door de korte afstand (3,8 kilometer) tussen de locaties van Beter Horen in [locatie 1] en die van [gedaagde 2] in [plaats 2] . De klanten bij [gedaagde 2] [plaats 2] zijn immers afkomstig uit dezelfde markt als de klanten van Beter Horen in [locatie 1] . [gedaagde 1] vist in zijn functie bij [gedaagde 2] [plaats 2] in dezelfde vijver als hij deed toen hij nog werkzaam was bij Beter Horen [locatie 1] . Voldoende aannemelijk is geworden dat het risico bestaat dat [gedaagde 1] met vertrouwelijke kennis van klanten en producten die hij bij Beter Horen [locatie 1] in hetzelfde toeloopgebied op 3.8 km afstand heeft opgedaan, klanten van Beter Horen [locatie 1] kan (doen) bewegen naar [gedaagde 2] [plaats 2] over te stappen. Verder is voldoende aannemelijk geworden dat hij deze kennis van klanten ten behoeve van [gedaagde 2] [plaats 2] kan aanwenden om [gedaagde 2] [plaats 2] daarmee een concurrentievoordeel te geven dat zij zonder [gedaagde 1] niet zou hebben gehad. Hierdoor is de aantasting van het bedrijfsdebiet van Beter Horen gegeven. De kantonrechter kan ook volgen dat een geheimhoudingsbeding dit risico niet voldoende kan wegnemen.
4.11.
De omstandigheid dat 72% van de (weliswaar maar 133) respondenten uit (hetzelfde) onderzoek van Beter Horen ‘nee’ heeft geantwoord op de vraag of er bereidheid zou bestaan om mee te verhuizen met de audicien naar een andere hoorzorgaanbieder dan Beter Horen, maakt dit niet anders; 28% heeft immers aangegeven daartoe (afhankelijk van de afstand) wel bereid te zijn en daarmee kan het gaan om aanzienlijke aantallen klanten. Ter zitting heeft Beter Horen met twee voorbeelden geïllustreerd dat de persoon van [gedaagde 1] doorslaggevend is geweest om hem naar de [gedaagde 2] [plaats 2] te volgen, één klant met een reparatie en de dochter van een klant voor een gehoortest. Dat de één is teruggestuurd naar Beter Horen en de ander niet tot een verkoop heeft geleid maakt niet dat van aantasting van het bedrijfsdebiet geen sprake is. Ook heeft Beter Horen onweersproken gesteld dat een klant van [gedaagde 1] bij Beter Horen [plaats 3] [gedaagde 1] is gevolgd naar Beter Horen [locatie 1] omdat alleen hij in staat was een bepaald onderdeel te repareren. Ook dit voorbeeld maakt voldoende aannemelijk dat het door Beter Horen aangegeven risico (klant volgt audicien) bestaat.
4.12.
De door Beter Horen aangevoerde omstandigheid dat [gedaagde 1] specifieke kennis heeft van de producten, prijsstellingen en kortingen is van minder belang nu onweersproken is gebleven dat [gedaagde 2] geen kortingen hanteert.
De belangen van [gedaagde 1]
4.13.
Anders dan [gedaagde 1] is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde 1] bij toewijzing van het sub I in conventie gevorderde niet onbillijk wordt benadeeld. In dat geval kan [gedaagde 1] immers wel als audicien bij [gedaagde 2] werken, alleen niet binnen de gemeentegrenzen van [gemeente] gedurende een periode van één jaar. Ter zitting heeft [gedaagde 2] aangegeven dat de functie bij [gedaagde 2] [plaats 1] nog vacant is. Bij toewijzing van het gevorderde sub I in conventie wordt aan het merendeel van de door [gedaagde 1] aangevoerde belangen tegemoetgekomen. Hij behoudt de door hem gestelde betere arbeidsvoorwaarden van [gedaagde 2] , de door hem gestelde (maar niet nader onderbouwde) betere werk-privébalans en de werkwijze van [gedaagde 2] waarvan [gedaagde 1] heeft gesteld dat deze beter past bij zijn professionele overtuiging.
4.14.
Het enige belang waaraan minder tegemoet wordt gekomen bij een plaatsing van [gedaagde 1] bij [gedaagde 2] [plaats 1] is dat hij in dat geval (volgens Google Maps) 22 minuten langer moet fietsen dan hij nu onderweg is naar [gedaagde 2] in [plaats 2] . Overwogen wordt dat Google Maps fietstijdsduur wordt gemeten op een ‘gewone’ fiets door een gemiddelde fietser. [gedaagde 1] (35 jaar jong) heeft ter zitting verklaard dat hij naar zijn werk gaat op een elektrische fiets, dus de extra reistijd zal zeker korter zijn dan 22 minuten. De kantonrechter gaat ervan uit dat deze extra reistijd voor [gedaagde 1] ondanks zijn traumatische ervaring in 2017 overkomelijk zal zijn. Daartoe is redengevend dat de fietstijd van [gedaagde 1] ook is verdubbeld toen hij op 1 november 2025 bij [gedaagde 2] [plaats 2] in dienst trad en dat niet is gesteld of gebleken dat dit toen tot onoverkomelijke problemen heeft geleid. De kantonrechter kan zich overigens nog voorstellen dat [gedaagde 2] voor [gedaagde 1] tijdelijk alternatief vervoer biedt in de vorm van een auto of een Biro.
4.15.
Er bestaat ook geen aanleiding om de duur van het door Beter Horen gevorderde verbod te beperken. Beter Horen heeft het beding al ingeperkt, zowel qua tijdsduur van 2 jaar naar één jaar als qua geografische reikwijdte (van 25 naar ongeveer 10 km). Daarbij speelt mede een rol dat [gedaagde 1] (samen met [gedaagde 2] ) willens en wetens in strijd met het concurrentiebeding heeft gehandeld en inmiddels meer dan 4 maanden werkzaam is bij [gedaagde 2] [plaats 2] .
4.16.
De conclusie is dat het onder I gevorderde gebod en het onder II gevorderde verbod zal worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld zijn werkzaamheden voor [gedaagde 2] binnen de gemeentegrens van [gemeente] gedurende een periode van één jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis met onmiddellijke ingang te staken en het [gedaagde 2] zal worden verboden met onmiddellijke ingang gebruik te maken direct of indirect van de werkzaamheden van [gedaagde 1] bij de vestiging van [gedaagde 2] in [plaats 2] en alle overige vestigingen die gelegen zijn binnen de gemeentegrens van [gemeente] ; de tegenvorderingen van [gedaagde 1] om het concurrentiebeding (geheel dan wel gedeeltelijk) te schorsen, zullen worden afgewezen.
De vergoeding ax artikel 7:653 lid 5 BW Pro
4.17.
De vordering van [gedaagde 1] om Beter Horen op grond van artikel 7:653 lid 5 BW Pro te veroordelen voor de duur van het concurrentiebeding een vergoeding aan [gedaagde 1] te betalen, zal worden afgewezen. Zoals hiervoor is overwogen, is niet aannemelijk dat de toe te wijzen vordering sub I in conventie [gedaagde 1] in belangrijke mate belemmert om als audicien werkzaam te zijn.
Dwangsom
4.18.
Gelet op de eerdere gedragingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (het willens en wetens in strijd handelen met het concurrentiebeding en de bereidheid van [gedaagde 2] om de proceskosten en de eventuele boetes van [gedaagde 1] te voldoen) zal de kantonrechter aan het verbod sub I in conventie en het gebod sub II in conventie een dwangsom verbinden van € 500,- voor elke dag dat de overtreding blijft voortduren. De kantonrechter zal de dwangsom op grond van artikel 611b Rv maximeren op een bedrag van € 50.000,-.
Het gevorderde sub III in conventie
4.19.
De vordering [gedaagde 2] te veroordelen tot medewerking aan de plaatsing van [gedaagde 1] op een locatie buiten de gemeentegrens van [gemeente] , waarbij naar het oordeel van Beter Horen haar belangen voldoende worden gerespecteerd zal worden afgewezen, omdat deze vordering te onbepaald is en bovendien indruist tegen de contractsvrijheid van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] .
De boetes
4.20.
De door Beter Horen gevorderde contractuele boete van € 99.000,- zal worden afgewezen. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats en er moeten bovendien voldoende feiten en omstandigheden worden aangevoerd die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed geboden is. Beter Horen heeft dergelijke feiten en omstandigheden niet gesteld. Dat zij wil voorkomen dat [gedaagde 1] het overeengekomen beding overtreedt en [gedaagde 2] daarvan misbruik maakt, is daarvoor – mede met het oog op dwangsom die aan de veroordelingen wordt verbonden – niet voldoende.
De proceskosten
4.21.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn zowel in conventie als in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Beter Horen worden begroot op: € 1.205,54, bestaande uit de kosten van de dagvaarding (€ 129,54), het griffierecht (€ 139,-), het salaris van de gemachtigde (€ 865,-) en de nakosten (€ 72,-). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. De proceskosten van Beter Horen in reconventie worden gelet op de samenhang met de conventie begroot op nihil.
4.22.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dit betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] beiden kunnen worden gedwongen om het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer aan Beter Horen te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] zijn werkzaamheden voor [gedaagde 2] binnen de gemeentegrens van [gemeente] gedurende een periode van één jaar te rekenen vanaf de datum van het vonnis met onmiddellijke ingang te staken, op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 50.000,-;
5.2.
verbiedt [gedaagde 2] met onmiddellijke ingang gebruik te maken direct of indirect van de werkzaamheden van [gedaagde 1] bij de vestiging van [gedaagde 2] in [plaats 2] en alle overige vestigingen die gelegen zijn binnen de gemeentegrens van [gemeente] , op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 500,- per dag of gedeelte van een dag dat de overtreding voortduurt met een maximum van € 50.000,-;
5.3.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van Beter Horen begroot op € 1.205,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
in reconventie
5.6.
wijst de vorderingen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] af,
5.7.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van Beter Horen begroot op nihil;
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 24 februari 2026.