AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak medeplegen invoer en handel cocaïne en gewoontewitwassen wegens onvoldoende bewijs gebruiker Sky-ID’s
De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van het invoeren en verhandelen van in totaal 495 kilogram cocaïne en het medeplegen van gewoontewitwassen van bijna 8 miljoen euro. De tenlastelegging was gebaseerd op het gebruik van meerdere Sky-ID’s die via cryptocommunicatie werden gebruikt voor de drugshandel.
Het bewijs berustte onder meer op PNR-gegevens, APN-gegevens en zendmastgegevens die de gebruiker van de Sky-ID’s aan verdachte zouden koppelen. De verdediging voerde aan dat deze gegevens onbetrouwbaar waren en dat verdachte niet de enige gebruiker van de Sky-ID’s kon zijn. Daarnaast werd aangevoerd dat de PNR-gegevens onrechtmatig waren verkregen omdat de bewaartermijn was overschreden en dat de toetsing van de gegevens niet door een onafhankelijke officier van justitie was gedaan.
De rechtbank oordeelde dat de PNR-gegevens van de luchtvaartmaatschappij Emirates rechtmatig waren verkregen, maar dat de PNR-gegevens die via PI-NL waren gevorderd onrechtmatig waren verkregen vanwege het ontbreken van toetsing door een onafhankelijke officier van justitie. Dit vormverzuim leidde echter niet tot bewijsuitsluiting, maar tot een constatering van beperkte ernst.
Uiteindelijk kon de rechtbank niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte de enige gebruiker was van de Sky-ID’s, mede omdat reisbewegingen van de telefoons niet overeenkwamen met die van verdachte. Daarom werd verdachte vrijgesproken van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet kan worden bewezen dat hij de enige gebruiker was van de Sky-ID’s en de belastende feiten heeft gepleegd.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling Publiekrecht
Team Strafrecht
Parketnummer: 13/190431-22
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1983 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland.
1.Onderzoek op de zitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 13 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. A.M. Ruijs, en van wat de raadslieden van verdachte, mrs. R.D.A. van Boom en C.C. Polat, naar voren hebben gebracht.
2.Beschuldiging
Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 13 februari 2026 – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
het medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van ongeveer 295 kilogram cocaïne in de periode van 24 januari 2020 tot en met 21 juli 2020;
het medeplegen van het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, althans aanwezig hebben, van 200 kilogram cocaïne in de periode van 2 december 2020 tot en met 4 december 2020;
het medeplegen van (gewoonte)witwassen van € 7.962.000,- in de periode van 20 november 2020 tot en met 14 december 2020.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlagevan dit vonnis. De inhoud daarvan geldt als hier ingevoegd.
3.Beoordeling van het tenlastegelegde
3.1.
Inleiding
Vanuit een strafrechtelijk onderzoek (WERL) naar de cryptocommunicatie aanbieder SkyECC is informatie gedeeld met het strafrechtelijk onderzoek Argus. Het onderzoek Argus heeft onder meer tot doel om de criminele samenwerkingsverbanden die gebruikmaken van cryptotelefoons van Sky-ECC in beeld te brengen en te analyseren door het identificeren van de gebruikers van Sky-accounts. Uit dit onderzoek zijn berichten van de SkyID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] in beeld gekomen, waaruit blijkt dat deze Sky-ID’s deelnamen aan chatgesprekken die betrekking hebben op de handel in verdovende middelen. Op basis van de manier van communiceren in de chats, in combinatie met Access Point Name-gegevens (hierna: APN-gegevens) en Passenger Name Record-gegevens (hierna: PNR-gegevens), en de periode waarin de verschillende accounts elkaar hebben opgevolgd, is het vermoeden ontstaan dat de Sky-ID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] in gebruik waren bij verdachte.
3.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde kan worden bewezen, omdat verdachte als gebruiker van de Sky-ID’s kan worden geïdentificeerd. De PNR-gegevens, waarop de identificatie van verdachte als gebruiker van de Sky-ID’s mede is gebaseerd, kunnen voor het bewijs worden gebruikt. De PNR-richtlijn is niet geschonden, omdat is voldaan aan de wettelijke bewaartermijn.
3.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte de (enige) gebruiker is van Sky-ID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] . De zendmastgegevens en de PNR-gegevens, op basis waarvan verdachte als enige gebruiker is geïdentificeerd van deze Sky-ID’s, zijn daartoe niet geschikt. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde.
De PNR-gegevens zijn gevorderd en verkregen over een bepaalde periode, maar op het moment dat die gegevens werden gevorderd en verstrekt was de bewaartermijn van zes maanden als bedoeld in artikel 12 vanPro Richtlijn (EU) 2016/681 (hierna: de Richtlijn), verstreken. Daardoor zijn de gegevens onrechtmatig verkregen. De onrechtmatig verkregen PNR-gegevens moeten dan ook worden uitgesloten van het bewijs. Voor het geval dat niet tot bewijsuitsluiting wordt overgegaan, is aangevoerd dat de PNR-gegevens niet redengevend kunnen zijn voor het bewijs, omdat ze niet zijn gevalideerd en er geen (controleerbaar) zicht bestaat op alle mogelijk relevante vluchten. Daarnaast zijn de PNR-gegevens onjuist en onverenigbaar met vluchten die verdachte heeft gemaakt.
De verdediging heeft daarnaast voorwaardelijke verzoeken gedaan voor het geval dat de zendmastgegevens en de PNR-gegevens wel geschikt en redengevend worden geacht voor de identificatie van verdachte als (enige) gebruiker van de aan hem toegeschreven Sky-ID’s.
3.4.
Oordeel van de rechtbank: vrijspraak
3.4.1.
Verkrijging PNR-gegevens onrechtmatig?
Op basis van onder meer de PNR-gegevens, in combinatie met de APN-gegevens en de zendmastgegevens, heeft de politie verdachte als enige gebruiker van de Sky-ID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] geïdentificeerd. Voordat kan worden ingegaan op de vraag, of kan worden bewezen dat verdachte als enige gebruiker van deze Sky-ID’s kan worden geïdentificeerd, ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of de PNR-gegevens onrechtmatig zijn verkregen en, zo ja, welk rechtsgevolg daaraan moet worden verbonden.
i. PNR-gegevens via luchtvaartmaatschappij Emirates
De PNR-gegevens van de vluchten met Sky-ID [ID 6] van Brussel naar Dubai in 2020 en van Dubai naar Brussel in 2021 betreffen gegevens uit België en zijn rechtstreeks door het openbaar ministerie bij de luchtvaartmaatschappij Emirates, die de vlucht uitvoerde, gevorderd. Die gegevens zijn op 17 mei 2022 verkregen. Hieraan lag geen Europees Onderzoeksbevel, een rechtshulpverzoek of een JIT-overeenkomst ten grondslag. In dat geval moet het verzoek zijn gegrond op de Nederlandse strafwetgeving. De officier van justitie heeft de gegevens gevorderd op basis van artikel 126ud van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Op grond van artikel 126ud Sv mogen gegevens worden gevorderd in gevallen die worden genoemd in artikel 126o Sv. Van zo’n geval is sprake wanneer een redelijk vermoeden bestaat dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv worden beraamd of gepleegd, die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven, die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd, een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Niet is gesteld of gebleken dat niet aan de voorwaarden van bovengenoemd artikel is voldaan.
Het verweer van de raadsman, dat de Belgische PNR-gegevens moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat de bewaartermijn van zes maanden als bedoeld in artikel 12 lid 2 vanPro de Richtlijn was overschreden, wordt verworpen. De rechtbank is van oordeel dat de Richtlijn en de daarin genoemde waarborgen niet van toepassing zijn op het door de officier van justitie rechtstreeks bij een luchtvaartmaatschappij vorderen van specifieke PNR-gegevens. De Richtlijn regelt de verplichting van luchtvaartmaatschappijen om allePNR-gegevens die zij verzamelen aan lidstaten door te geven en voorziet in voorschriften en waarborgen ten aanzien van de opslag van deze gegevens in een databank bij de lidstaten. Een luchtvaartmaatschappij is daarmee niet belast.
De rechtbank concludeert daarom dat de vordering en verstrekking van de Belgische PNRgegevens rechtmatig is geweest, zodat deze gegevens niet om deze reden van het bewijs worden uitgesloten.
PNR-gegevens PI-NL
De PNR-gegevens van de vluchten van Amsterdam naar Alicante, van Alicante naar Amsterdam en van Malaga naar Amsterdam in 2020, waarop een persoon met het Sky-ID [ID 3] zou meereizen, zijn op 21 februari 2022 door een zaaksofficier van justitie van onderzoek Argus op basis van artikel 126nd en 126ud Sv bij PI-NL gevorderd. PI-NL is de instantie die in Nederland de PNR-gegevens, die zij van luchtvaartmaatschappijen ontvangt, verwerkt en analyseert. Anders dan bij de vordering van de PNR-gegevens bij Emirates is de Richtlijn nu wel van toepassing, omdat de gegevens worden gevorderd bij PI-NL.
Uit de Richtlijn en de implementatie daarvan in de Wet gebruik van passagiersgegevens voor de bestrijding van terroristische en ernstige misdrijven (hierna: PNR-wet) volgt dat PNRgegevens vijf jaar mogen worden bewaard en daarna moeten worden gewist. Wanneer een termijn van zes maanden is verstreken nadat de PNR-gegevens zijn doorgegeven door de luchtvaartmaatschappijen, worden de PNR-gegevens gedepersonaliseerd door afscherming van de gegevenselementen waaruit de identiteit van de passagier op wie de PNR-gegevens betrekking hebben rechtstreeks zou kunnen worden afgeleid. Na deze periode van zes maanden mogen niet-gedepersonaliseerde gegevens uitsluitend worden doorgegeven, als dit redelijkerwijs noodzakelijk is voor bijvoorbeeld een vordering van gegevens op grond van het Wetboek van Strafvordering in een onderzoek naar een ernstig misdrijf. Volgens bijlage II bij de Richtlijn en de PNR-wet kunnen de illegale handel in verdovende middelen en witwassen onder andere worden aangemerkt als zo’n ernstig misdrijf. In de vordering aan PINL is nader toegelicht dat sprake is van een redelijk vermoeden ten aanzien van misdrijven die een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren en uit het dossier blijkt dit ook, zodat de vordering in zoverre voldoet om niet-gedepersonaliseerde gegevens te ontvangen buiten de termijn van zes maanden.
Omdat de vordering is ingediend binnen de periode van vijf jaar, faalt het verweer van de verdediging dat de gegevens om deze reden onrechtmatig zijn verkregen.
Uit artikel 12, derde lid, onder b, van de Richtlijn volgt daarnaast dat het verstrekken van nietgedepersonaliseerde gegevens na het verstrijken van de termijn van zes maanden moet worden goedgekeurd door een gerechtelijke instantie of een andere nationale instantie die volgens het nationale recht bevoegd is. In artikel 9, eerste lid, onder a, van de PNR-wet is het openbaar ministerie aangewezen als één van de bevoegde instanties die van PI-NL PNRgegevens of het verwerkingsresultaat van die gegevens kan verzoeken en ontvangen.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie EU) heeft in antwoord op Belgische prejudiciële vragen in zijn uitspraak van 21 juni 2022 (ECLI:EU:C:2022:491, Ligue des droit humains t. Ministerraad) over de bevoegde instantie het volgende geoordeeld:
“225. In het specifieke geval van een strafrechtelijk onderzoek vereist een dergelijke toetsing dat die instantie in staat is een juist evenwicht te verzekeren tussen, enerzijds, de legitieme belangen die verband houden met de behoeften van het onderzoek in het kader van de bestrijding van criminaliteit, en, anderzijds, de fundamentele rechten op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en op bescherming van de persoonsgegevens van de personen op wier gegevens de toegang betrekking heeft (arrest van 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a., C140/20, EU:C:2022:258, punt 107 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
226. Daartoe moet die instantie een zodanige status hebben dat zij bij de uitoefening van haar taken objectief en onpartijdig kan handelen, en moet zij vrij zijn van elke invloed van buitenaf. Dit vereiste van onafhankelijkheid impliceert dat zij de hoedanigheid van derde moet hebben ten opzichte van de instantie die om toegang tot de gegevens verzoekt, zodat zij de toetsing zonder beïnvloeding van buitenaf kan verrichten. In het bijzonder impliceert het vereiste van onafhankelijkheid op strafrechtelijk gebied dat die instantie enerzijds niet betrokken mag zijn bij de uitvoering van het betrokken strafrechtelijk onderzoek en anderzijds neutraal moet zijn ten opzichte van de partijen in de strafprocedure (zie in die zin arrest van 5 april 2022, Commissioner of An Garda Síochána e.a., C140/20, EU:C:2022:258, punt 108 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”
Naar aanleiding van deze uitspraak is door het openbaar ministerie een onafhankelijke PNRofficier van justitie aangewezen die alle vorderingen van zaaksofficieren van justitie toetst. De vordering van de PNR-gegevens bij PI-NL van eerdergenoemde vluchten, waarop een persoon met een telefoon met Sky-ID [ID 3] zou meereizen, is echter van 21 februari 2022 en daarmee vóór deze uitspraak ingediend. De officier van justitie heeft op de zitting van 13 februari 2026 toegelicht dat deze vordering nog is gedaan op basis van het oude beleid, te weten door een zaaksofficier van justitie van onderzoek Argus zonder toetsing door een onafhankelijke officier van justitie.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet een zaaksofficier van justitie van onderzoek Argus niet aan het vereiste van onafhankelijkheid van de goedkeurende instantie dat het Hof van Justitie EU in een strafrechtelijk onderzoek hanteert bij zijn uitleg van de Richtlijn, zoals blijkt uit voornoemde uitspraak. De zaaksofficier van justitie is namelijk – evident – wel betrokken bij de uitvoering van het strafrechtelijk onderzoek. De zaaksofficier van justitie valt samen met de instantie die om toegang tot de PNR-gegevens verzoekt, zodat geen sprake is van een instantie met de hoedanigheid van derde. Bovendien is een zaaksofficier van justitie niet neutraal ten opzichte van de partijen in de strafprocedure. De zaaksofficier van justitie mocht daarom naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet optreden als goedkeurende instantie. Dat maakt dat de niet-gedepersonaliseerde versie van de PNR-gegevens in deze zaak onrechtmatig zijn verkregen, zodat sprake is van een vormverzuim.
De volgende vraag is welk rechtsgevolg hieraan moet worden verbonden en welk toetsingskader hierbij moet worden gehanteerd. De Hoge Raad heeft naar aanleiding van het Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie EU [1] beslist dat bij vormverzuimen, die verband houden met de toepassing van de bevoegdheden die ertoe strekken verkeers- en locatiegegevens te verkrijgen, de regeling van artikel 359a Sv moet worden toegepast. De Hoge Raad heeft verder overwogen dat een vordering tot verstrekking van verkeersgegevens zonder de vereiste machtiging van de rechter-commissaris als zodanig geen grond oplevert voor bewijsuitsluiting. Wel kan dit vormverzuim tot strafvermindering leiden, als bewijs is verkregen ten laste van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij medebepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. [2]
De rechtbank leidt uit bovenstaand arrest van de Hoge Raad af dat de toepassing van het kader van artikel 359a Sv, en de daarin genoemde rechtsgevolgen bij vormverzuimen ten aanzien van het vorderen van verkeers- en locatiegegevens, voldoende recht doet aan het doeltreffendheidsbeginsel op basis waarvan de verdediging de mogelijkheid zou moeten hebben om doeltreffend commentaar te kunnen leveren op de onrechtmatig verkregen gegevens. [3] De rechtbank is van oordeel dat daarom ook bij onrechtmatig verkregen PNRgegevens aan de hand van artikel 359a Sv moet worden bepaald welk rechtsgevolg aan het vormverzuim moet worden verbonden. Bij de doorgifte van niet-gedepersonaliseerde PNR-gegevens zonder de vereiste goedkeuring van een onafhankelijke instantie zijn immers dezelfde (privacy)belangen in het geding als bij het zonder machtiging van de rechtercommissaris vorderen van verkeers- en locatiegegevens. Het gaat in beide gevallen om (schending van) het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Ook de overeenkomende aard van de gegevens (gegevens die – direct of indirect – zicht bieden op de locatie van een persoon op een bepaald moment) geeft hiertoe aanleiding.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding over te gaan tot bewijsuitsluiting van de PNR-gegevens. De rechtbank overweegt hiertoe dat het vormverzuim betrekking heeft op de bevoegdheid om de gegevens te verstrekken. Deze enkele omstandigheid, gelijksoortig aan de situatie waarin de vereiste machtiging van de rechter-commissaris ontbreekt, acht de rechtbank onvoldoende om tot bewijsuitsluiting te komen. Niet is komen vast te staan dat door het vormverzuim geen doeltreffend commentaar op de gegevens kan worden geleverd. Bovendien is bewijsuitsluiting, door het gewijzigde beleid van het openbaar ministerie bij de toetsing van vorderingen tot het verstrekken van PNR-gegevens, niet noodzakelijk als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. Bij deze stand van zaken wordt het verweer strekkende tot bewijsuitsluiting van de PNRgegevens verworpen.
Gelet op de aard van de gegevens en dat sprake is van verstrekking van PNR-gegevens van slechts drie vluchten, is de ernst van het verzuim naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige zaak beperkt. Daarnaast is door de raadslieden weliswaar in zijn algemeenheid gesteld dat verdachte is benadeeld, maar zij hebben dit niet voldoende geconcretiseerd. De rechtbank zal daarom volstaan met de enkele constatering van het vormverzuim.
3.4.2.
Kan verdachte als enige gebruiker van de Sky-ID’s worden geïdentificeerd?
De rechtbank moet vervolgens vaststellen of verdachte op basis van bovengenoemde PNRgegevens en de zendmastgegevens kan worden geïdentificeerd als gebruiker van Sky-ID’s [ID 1] , [ID 2] , [ID 3] , [ID 4] , [ID 5] , [ID 6] en [ID 7] en of hij degene is geweest die de berichten over de handel in cocaïne en witwassen heeft verzonden. De rechtbank zal deze gegevens in onderlinge samenhang beschouwen. De rechtbank merkt daarbij (anders dan de officier van justitie) alleen de PNR- en zendmastgegevens als identificerend ten opzichte van verdachte aan. Het overeenkomende onjuiste Engelse taalgebruik, namelijk 'I'm' en 'Am' in chats, die zijn verstuurd via een aantal Sky-ID’s, kan wel worden gebruikt voor de beoordeling of deze Sky-ID’s in gebruik waren bij dezelfde persoon, maar zijn bij gebrek aan informatie over het Engelse taalgebruik door verdachte onvoldoende om vast te stellen dat verdachte deze persoon moet zijn geweest.
Uit het dossier blijkt dat de gebruiker van Sky-ID [ID 3] tussen 15 juli 2020 en 13 augustus 2020 heen en weer is gereisd tussen Nederland en Spanje. Verdachte en zijn destijds 6-jarige zoon stonden als enige personen op al deze drie vluchten als passagiers vermeld. De gebruiker van Sky-ID [ID 6] is op 9 december 2020 van Brussel naar Dubai gevlogen en op 20 januari 2021 weer teruggevlogen. Verdachte en één andere passagier stonden als enige passagiers vermeld op deze twee vluchten. De woonplaats van de andere persoon op de vlucht komt niet overeen met de door Sky-ID [ID 6] meest gebruikte CellID. Uit de APN-gegevens blijkt verder dat bovengenoemde Sky-ID's in de nachtelijke uren veelal gebruik hebben gemaakt van dezelfde Cell-ID op [adres] in Amsterdam. Deze Cell-ID ligt op ongeveer 1.080 meter van het inschrijfadres van verdachte.
Er zijn daarmee sterke aanwijzingen dat verdachte eengebruiker is van de Sky-ID’s. Daartegenover staan verschillende gegevens uit het dossier, waaruit volgt dat er reisbewegingen zijn gemaakt door de telefoon met Sky-ID [ID 3] , terwijl verdachte zich op dat moment niet in hetzelfde land bevond.
Uit de APN-gegevens van Sky-ID [ID 3] volgt bijvoorbeeld dat de telefoon op 12 juli 2020 gedurende de dag actief is, waarbij verschillende Cell-ID’s in Amsterdam zijn aangestraald. De verdediging heeft stukken overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat verdachte op 12 juli 2020 naar Turkije is gevlogen en om 01.15 uur daar is aangekomen. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid van die gegevens. Dat er geen stempels in het paspoort van verdachte staan die met deze inreis overeenkomen, zoals de officier van justitie heeft betoogd, maakt dat niet anders. De verdediging heeft immers naar voren gebracht dat verdachte ook met zijn identiteitskaart naar Turkije heeft kunnen reizen. Deze reis naar Turkije valt in een periode waarin de gebruiker van Sky-ID [ID 3] belangrijke berichten over de invoer van 295 kilo cocaïne heeft verstuurd. Het openbaar ministerie heeft niet uitgezocht of nader toegelicht hoe de reisbewegingen van Sky-ID [ID 3] op die dag te verenigen zijn met de reis van verdachte naar Turkije, terwijl de verdediging dit scenario al tijdens de regiezitting van 28 februari 2025 naar voren heeft gebracht.
Datzelfde geldt voor de reis van verdachte van Amsterdam naar Dubai op 27 augustus 2020. Sky-ID [ID 3] straalt op 27 en 28 augustus 2020 gedurende de dag verschillende ver uit elkaar liggende Cell-ID’s in Nederland aan. Daaruit volgt dat er op die dagen reisbewegingen zijn gemaakt met de telefoon, terwijl verdachte – gelet op de PNR-gegevens – in de middag van 27 augustus 2020 naar Dubai zou zijn gereisd.
Tot slot zijn Sky-ID’s [ID 7] en [ID 6] (het account waarmee in de periode van 20 november 2020 tot en met 14 december 2020 berichten zijn gestuurd over kort gezegd het witwassen van geldbedragen) op 28 januari 2021 beide actief. Sky-ID [ID 7] straalt op 28 januari 2021 om 12.52 uur een Cell-ID op de [straatnaam 1] aan, terwijl Sky-ID [ID 6] op 28 januari 2021 om 13.01 uur een Cell-ID op de [straatnaam 2] aanstraalt. Deze Cell-ID’s liggen op 25 minuten rijden van elkaar. Het is mogelijk dat de gebruiker van de accounts één telefoon met account [ID 6] op één plek heeft laten liggen en een andere telefoon heeft meegenomen, aangenomen dat beide accounts dezelfde gebruiker hebben, maar het is eveneens mogelijk dat deze accounts niet (steeds) dezelfde gebruiker hebben. De rechtbank kan op grond hiervan, en mede ook gelet op wat hiervoor is overwogen, niet concluderen dat één persoon gebruik heeft gemaakt van deze Sky-ID’s.
Dat de Sky-ID's in de nachtelijke uren veelal gebruik hebben gemaakt van een Cell-ID op ongeveer 1.080 meter van het inschrijfadres van verdachte, is mede gelet op de drukbevolkte buurt waarin dit adres ligt op zichzelf onvoldoende om verdachte als enige gebruiker van deze Sky-ID’s te identificeren.
De rechtbank kan gelet op het voorgaande niet buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte de enigegebruiker van genoemde Sky-ID’s is geweest. De rechtbank kan evenmin buiten redelijke twijfel vaststellen dat verdachte in de tenlastegelegde periode de gebruiker is geweest van de Sky-ID’s en dat hij de belastende berichten heeft verzonden en ontvangen. Daarom kan niet worden bewezen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan, zodat verdachte wordt vrijgesproken.
3.4.3.
Voorwaardelijke verzoeken
Omdat verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde en de PNR-gegevens aldus niet zijn gebruikt voor het bewijs, treedt de voorwaarde waaronder de verschillende voorwaardelijke verzoeken zijn gedaan niet in. De rechtbank zal deze verzoeken daarom onbesproken laten.
4.Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.R.J. van Wel, voorzitter,
mrs. M. Nieuwenhuijs en M. Bijleveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2026.
[(...)]
Voetnoten
1.HvJ EU 2 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur-arrest).