ECLI:NL:RBAMS:2026:2132

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
24/7787
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 ParticipatiewetArt. 54 lid 3 ParticipatiewetArt. 58 lid 1 ParticipatiewetArt. 58 lid 8 Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet gemelde kluswerkzaamheden

Eiser ontving vanaf 2010 een bijstandsuitkering en was verplicht alle relevante informatie omtrent zijn recht op bijstand te melden. Na een anonieme melding startte verweerder een onderzoek naar niet gemelde kluswerkzaamheden die eiser tegen betaling verrichtte. Diverse gesprekken, een huisbezoek en het opvragen van bankgegevens bevestigden dat eiser structureel kluswerkzaamheden verrichtte en inkomsten ontving zonder dit te melden.

Verweerder trok de bijstandsuitkering per 19 juli 2024 terecht in, herzag het recht op bijstand over de periode van 11 maart 2021 tot 13 maart 2024 en vorderde een bedrag van € 10.601,72 terug. Eiser voerde aan dat de werkzaamheden incidenteel en van geringe waarde waren, maar de rechtbank oordeelde dat het om op geld waardeerbare, structurele activiteiten ging. De schending van de inlichtingenplicht vormde een rechtsgrond voor intrekking en terugvordering.

Eiser stelde dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen zou hebben vanwege zijn gezondheid en financiële situatie, maar de rechtbank vond geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. De medische verklaringen en financiële omstandigheden boden onvoldoende grond om de terugvordering te matigen. Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de intrekking, herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering wegens schending van de inlichtingenplicht.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/7787

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigden: mr. R. Meinen en mr. M.M. Janssens),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mulders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking, herziening en terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) vanwege op geld waardeerbare werkzaamheden zonder dat aan verweerder te melden. Eiser is het hier niet mee eens en hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de bijstandsuitkering van eiser terecht heeft ingetrokken, herzien en deels teruggevorderd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 23 december 2024 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is verweerder bij de intrekking van de bijstandsuitkering per 19 juli 2024 gebleven. De herziening van het recht op bijstand over de periode van 11 maart 2021 tot en met 13 maart 2024 en de terugvordering van de bijstandsuitkering over dezelfde periode blijft tot een bedrag van € 10.601,72 (na aftrek vakantiegeld) gehandhaafd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigden en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Met het besluit van 1 juni 2010 is aan eiser vanaf 12 mei 2010 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande. In dit besluit is onder andere aan eiser meegedeeld dat hij – gevraagd en ongevraagd – de informatie die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen aan verweerder moet doorgeven.
4. Verweerder is na een anonieme schriftelijke melding van 8 september 2022, dat eiser tegen betaling (zwart) klusjes bij mensen thuis verricht, een rechtmatigheidsonderzoek gestart. De handhavingsmedewerker van verweerder heeft eerst een administratief vooronderzoek gedaan en het dossier bestudeerd.
4.1.
Met een brief van 9 november 2023 is eiser voor de eerste keer opgeroepen voor een gesprek op kantoor. De door eiser naar het gesprek meegenomen stukken zijn bestudeerd. Op basis van het administratief vooronderzoek en het dossieronderzoek is geconstateerd dat eiser onder andere zeer regelmatig uitgaven heeft bij bouwmarkten/bedrijven en bijschrijvingen krijgt van personen, contante geldstortingen plaatsvinden en hoge tank- en parkeerkosten heeft. Verweerder is niet op de hoogte van werk en/of inkomsten uit op loon waardeerbare activiteiten. Verweerder twijfelt daarom aan de juistheid en de volledigheid van de door eiser verstrekte gegevens. Volgens verweerder is het daarom noodzakelijk om waarnemingen ter plaatse te doen en informatie op te vragen bij Marktplaats .
4.2.
Met een brief van 25 april 2024 is eiser opgeroepen voor een gesprek op kantoor op 3 mei 2024. Eiser is verzocht om zijn legitimatie mee te nemen en de bankafschriften van al zijn rekeningen over de periode van 1 oktober 2023 tot en met heden. De bevindingen van dit gesprek staan vermeld in het rapport van bevindingen van 31 juli 2024.
4.3.
Hierna is eiser uitgenodigd voor een gesprek op het kantoor van verweerder op 21 mei 2024. In de brief staat vermeld welke gegevens eiser moet meenemen. Eiser is niet verschenen op dit gesprek wegens ziekte.
4.4.
Met een brief van 21 mei 2024 is eiser opgeroepen voor een gesprek op kantoor op 28 mei 2024. In de brief staat vermeld welke gegevens eiser moet meenemen. De bevindingen van dit gesprek staan vermeld in het rapport van bevindingen.
4.5.
Tijdens het gesprek op 28 mei 2024 is afgesproken dat eiser per e-mail nog een oproep ontvangt voor een gesprek op 31 mei 2024. Eiser is onder andere gevraagd om actuele inloggegevens van zijn bankrekeningen mee te nemen. De bevindingen van dit gesprek staan vermeld in het rapport van bevindingen. Hierna heeft met toestemming van eiser op 31 mei 2024 een huisbezoek plaatsgevonden. De bevindingen van het huisbezoek staan vermeld in dit rapport inclusief foto’s. Tijdens het bezoek is aan eiser een brief overhandigd voor een gesprek op 3 juni 2024. De bevindingen van dit gesprek staan vermeld in het rapport.
4.6.
Eiser is door verweerder in de gelegenheid gesteld een deugdelijke administratie te overleggen van zijn werkzaamheden en inkomsten over de periode van 1 juli 2019 tot en met 1 juli 2024. Eiser heeft om uitstel verzocht. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens uiterlijk 18 juli 2024 digitaal aan te leveren dan wel op 19 juli 2024 mee te nemen naar het gesprek.
4.7.
Eiser is verschenen op het gesprek, maar heeft niet alle gevraagde gegevens aangeleverd. Verweerder heeft eiser nogmaals uitstel verleend tot uiterlijk 24 juli 2024. Verweerder heeft de bijstandsuitkering van eiser per 19 juli 2024 opgeschort. In het opschortingsbesluit van 19 juli 2024 staat vermeld dat eiser op 24 juli 2024 moet verschijnen op kantoor voor een gesprek. Eiser heeft op 24 juli 2024 een Excel-overzicht aan verweerder gestuurd.
4.8.
Verweerder heeft op basis van de verkregen gegevens vastgesteld dat eiser (klus)werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Op basis van de aangeleverde gegevens gaat verweerder ervan uit dat de op loon waardeerbare werkzaamheden zijn verricht over de periode van 11 maart 2021 tot en met 13 maart 2024. Door dit te verzwijgen heeft eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden.
5. Met het besluit van 28 augustus 2024 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser vanaf 19 juli 2024 ingetrokken na opschorting. Volgens verweerder is het niet mogelijk om het recht op bijstand vast te stellen. Eiser heeft niet alle informatie daarvoor gegeven.
6. Met het besluit van 25 september 2024 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiser geïnformeerd dat zijn uitkering vanaf 19 juli 2024 is gestopt omdat hij niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht. Eiser heeft hierdoor over de periode van 11 maart 2021 tot en met 13 maart 2024 te veel bijstandsuitkering ontvangen. Verweerder herziet het recht op bijstand over deze periode en eiser moet daarom over deze periode een bedrag van € 10.601,72 (na aftrek vakantiegeld) aan verweerder terugbetalen.
7. Met het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de primaire besluiten 1 en 2 gehandhaafd. Volgens verweerder staat vast en bestrijdt eiser niet dat hij klusjes bij familie en vrienden heeft verricht. Eiser bestrijdt dat het om bedrijfsmatige activiteiten ging. Zijn gezondheid laat dit ook niet toe. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser, los van de omvang en de regelmaat van de klussen, dit van tevoren had moeten melden. Gelet op het toekenningsbesluit had eiser dit ook redelijkerwijs moeten begrijpen. Verweerder vindt dat het intrekkingsbesluit kan steunen op een deugdelijke motivering. Door de inkomsten niet te melden is sprake van een duidelijke schending van de inlichtingenplicht. Eiser heeft de contante stortingen in het overzicht van de op geld waardeerbare activiteiten niet inzichtelijk gemaakt. En hij heeft geen plausibele verklaring gegeven voor de contante stortingen van € 7.550,-. De verkoop van spullen op Marktplaats vertegenwoordigt niet een dergelijke waarde. Dat eiser geen volledig overzicht heeft bijgehouden van de verrichtte werkzaamheden en de ontvangen inkomsten versterkt het vermoeden van fraude en onrechtmatige bijstandsverstrekking. Verweerder was in dat licht bevoegd om met ingang van 19 juli 2024 de bijstand (tijdelijk) stop te zetten. Verweerder wijst ook op de wisselende en tegenstrijdige verklaringen die door eiser zijn afgelegd. Dat verweerder geen burgergerichte houding heeft aangenomen tijdens het rechtmatigheidsonderzoek, onderschrijft verweerder niet. Op grond van de Pw en gelet op vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) levert het schenden van de inlichtingenplicht een rechtsgrond op voor het herzien of intrekken van de bijstand. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat als hij wel aan de inlichtingenplicht zou hebben voldaan, hij over de betreffende periode recht op bijstand had. Eiser heeft dat niet of onvoldoende gedaan. Verweerder heeft een huisbezoek afgelegd om te onderzoeken of de feitelijke woonsituatie van eiser als steunbewijs kon dienen voor zijn stelling dat hij veel thuis kluste en daarom veel in bouwmarkten kwam. Eiser is ook in de gelegenheid gesteld om een deugdelijke boekhouding te verstrekken. Eiser heeft gebruik gemaakt van de geboden hersteltermijn maar hij heeft op 24 juli 2024 geen volledige boekhouding overgelegd. Eiser heeft niet met objectieve en controleerbare stukken aannemelijk gemaakt dat de kluswerkzaamheden op 19 juli 2024 zijn gestopt. Het recht op bijstand staat vanaf die datum niet langer vast. De verklaring van de huisarts en de psychiater maakt een en ander niet anders. De gezondheidsklachten ontslaan eiser niet van zijn informatieplicht.
Volgens verweerder is hij verplicht om de ten onrechte genoten bijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht, terug te vorderen. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat het signaal ook niet onredelijk laat is opgepakt. Verweerder overweegt verder dat het benadelingsbedrag eigenlijk hoger ligt (eerder is ten onrechte rekening gehouden met de onkosten die eiser heeft gemaakt). Vanwege rechtszekerheid en omdat eiser niet in een slechtere positie mag komen door zijn bezwaar, wordt het benadelingsbedrag gehandhaafd op € 10.703,90 netto. Verder staat volgens verweerder niet vast dat de terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de gezondheid van eiser. Volgens verweerder komen aan de verklaringen van de huisarts en de psychiater dan ook niet het gewicht toe die eiser daaraan geeft. Er is geen reden om op grond van dringende redenen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. De financiële omstandigheden van eiser zijn ook geen dringende reden. Verweerder houdt rekening met de beslagvrije voet. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt evenmin.
Het oordeel van de rechtbank
8. Eiser voert aan dat verweerder de intrekking van zijn bijstandsuitkering uitsluitend heeft gebaseerd op de schending van de medewerkingsplicht. Eiser heeft deze grond op de zitting ingetrokken, zodat de rechtbank dit verder onbesproken laat.
Op geld waardeerbare werkzaamheden
9. Eiser voert in beroep aan dat hij incidenteel kleine klusjes voor familieleden en vrienden heeft verricht. De kleinigheidjes die hij hiervoor kreeg waren van dusdanige aard, dat niet kan worden gesproken van op geld waardeerbare werkzaamheden.
10. Verweerder heeft in dit verband gewezen op de verklaringen die door eiser zijn afgelegd. De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van 31 mei 2024 en 1 juni 2024 duidelijk volgt dat de kluswerkzaamheden voor familie, vrienden en kennissen een structureel karakter hadden. Eiser werd om advies gevraagd, deed regelmatig aankopen in bouwmarkten en hij hielp bij het uitvoeren van diverse klussen in woningen. Daarnaast volgt uit zijn bankafschriften dat er meerdere bijschrijvingen op zijn rekening hebben plaatsgevonden die kunnen worden gelinkt aan de (klus)werkzaamheden die hij uitvoerde.
11. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser verrichte kluswerkzaamheden activiteiten zijn waarvoor in het economisch verkeer normaal gesproken een beloning wordt ontvangen of kan worden bedongen. Dat eiser voor deze werkzaamheden niet altijd geld heeft ontvangen maar bijvoorbeeld mocht mee-eten of dat het soms ging om kleinere bedragen en dat de kluswerkzaamheden voor familie, vrienden en kennissen zijn verricht, leidt niet tot een ander oordeel.
Schending inlichtingenverplichting
12. Een betrokkene is op grond van artikel 17 van Pro de Pw gehouden om verweerder op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. [1] Bij schending van deze inlichtingenverplichting trekt verweerder op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw, de bijstand in indien als gevolg van de schending niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstand behoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, als hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige, dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. [2]
13. Gelet op hetgeen staat vermeld in het rapport van bevindingen en de door eiser gegeven verklaringen staat voor de rechtbank voldoende vast dat eiser kluswerkzaamheden heeft verricht en daarvoor geld heeft ontvangen van derden. Door dit niet aan verweerder mee te delen heeft hij de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Eiser voert in dit verband aan dat hij het werk deed om uit te proberen of zijn gezondheid dit zou toelaten. Omdat het om geringe inkomsten ging en de werkzaamheden niet structureel waren, was hij zich niet bewust van het feit dat hij dit had moeten melden. Er is sprake van verminderde verwijtbaarheid.
14. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij wist dat werkzaamheden en inkomsten daaruit moeten worden gemeld bij verweerder. Dat hij ziek was en naar eigen zeggen niet kon werken maar dit af en toe wel wilde uitproberen, had eiser aan verweerder moeten doorgeven omdat het hem redelijkerwijs duidelijk moest zijn, dat dit van invloed kan zijn op het recht op bijstand. Voor zover hij daarover twijfelde, had hij contact kunnen opnemen met verweerder om hierover duidelijkheid te verkrijgen. Overigens is de inlichtingenverplichting objectief geformuleerd en speelt verwijtbaarheid daarbij geen rol. [3]
15. Gelet op de voorgaande overwegingen heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser terecht vanaf 19 juli 2024 ingetrokken.
Herziening en terugvordering
16. Gelet op het bepaalde in artikel 54, derde lid, van de Pw was verweerder verplicht de bijstandsuitkering van eiser over de periode in geding te herzien. Voorts is verweerder verplicht om de kosten van bijstand terug te vorderen voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is ontvangen als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting. Dit uitgangspunt staat in artikel 58, eerste lid, van de Pw. Verweerder is dan ook terecht overgegaan tot terugvordering van de verleende bijstand aan eiser.
17. Verweerder heeft na de vaststelling dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden beoordeeld of het recht op bijstand kan worden vastgesteld. Verweerder heeft het recht op bijstand over de periode van 11 maart 2021 tot en met 13 maart 2024 herzien. Verweerder heeft het benadelingsbedrag na aftrek van het vakantiegeld vastgesteld op € 10.601,72. Daarmee is de bijstandsuitkering van eiser niet integraal teruggevorderd. Daarnaast is in het bestreden besluit toegelicht dat verweerder (ten onrechte) rekening heeft gehouden met de onkosten die eiser heeft gemaakt maar dat hij dat niet ten nadele van eiser zal aanpassen.
18. Eiser voert aan de terugvorderingsperiode onjuist is. Hij heeft tot 30 oktober 2023 klusjes verricht. Verweerder wijst in dit verband op de transacties die in 2024 bij de bouwmarkten hebben plaatsgevonden en de contante geldstorting van € 800,- van 13 maart 2024. De rechtbank oordeelt dat verweerder bij het bepalen van de terugvorderingsperiode terecht is uitgegaan van de laatste contante geldstorting op 13 maart 2024. De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde producties 7 en 8 onvoldoende steun voor de stelling dat hij eerder is gestopt en dat daarom de terugvorderingsperiode moet worden aangepast.
19. Eiser voert aan dat hij de contante stortingen weldegelijk inzichtelijk heeft gemaakt. Eiser heeft onder andere spullen verkocht uit de boedel van zijn overleden vader. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte geen rekening gehouden met de giften die hij heeft ontvangen. Het terugvorderingsbedrag moet daarom op een lager bedrag worden vastgesteld.
20. Deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank inzichtelijk gemotiveerd waarom de contante stortingen van in totaal € 7.550,- op de bankrekening van eiser uit de verkoop van spullen op Marktplaats niet een dergelijke waarde vertegenwoordigt. Dat verweerder niet uitgaat van giften is ook navolgbaar omdat de contante stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening moeten worden gerelateerd aan de kluswerkzaamheden die eiser deed. Wat eiser in dit verband voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel van de rechtbank.
Dringende redenen?
21. Verweerder kan besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Dat volgt uit artikel 58, achtste lid, van de Pw. Zoals de Raad in vier uitspraken van 10 december 2024 tot uitdrukking heeft gebracht, moet een besluit om al dan niet van deze mogelijkheid gebruik te maken zijn gebaseerd op een belangenafweging. Daarbij geldt het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald en verder dat met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval rekening wordt gehouden. Die feiten en omstandigheden kunnen zien op de gevolgen van de terugvordering, maar ook op de oorzaak daarvan. De afweging zal een toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel, moeten kunnen doorstaan. [4]
22. Het standpunt van verweerder en zijn toelichting op de zitting om niet van terugvordering af te zien dan wel om de terugvordering niet (verder) te verlagen, getuigt naar het oordeel van de rechtbank niet van een onevenwichtige belangenafweging. De rechtbank licht dat hierna toe.
23. Op de zitting is besproken dat na ontvangst van de anonieme melding, verweerder niet meteen is gestart met het rechtmatigheidsonderzoek. Verweerder heeft toegelicht dat de melding onder andere is blijven liggen vanwege een hoge werkvoorraad en dat een onderzoek naar de vraag of er moet worden teruggevorderd tijd kost. De rechtbank vindt dat de terugvordering niet is ontstaan of opgelopen door een fout van verweerder of dat daadwerkelijk sprake is geweest van te trage besluitvorming. De terugvordering is ontstaan doordat eiser zo lang geen melding heeft gemaakt van zijn kluswerkzaamheden.
24. Ook in het door eiser overgelegde stuk van zijn psychiater van 27 september 2024 en zijn huisarts van 29 september 2024, heeft verweerder terecht geen dringende redenen gezien om af te zien van de terugvordering dan wel deze te matigen. Eiser heeft met deze medische stukken niet onderbouwd of aannemelijk gemaakt dat zijn psychische gezondheidsklachten het gevolg zijn van de terugvordering van de bijstand. Uit de stukken blijkt dat eiser de psychische gezondheidsklachten al langer heeft. Ook volgt uit de verklaring van de psychiater niet dat de terugvordering, waarbij rekening wordt gehouden met de beslagvrije voet, heeft geleid tot existentiële stress. Bovendien is in dezelfde maand als de verklaringen van de psychiater en huisarts weer een bijstandsuitkering aan eiser toegekend.
25. Ook leiden de door eiser gestelde financiële gevolgen van de terugvordering niet tot de conclusie dat verweerder tot een andere afweging van de betrokken belangen had moeten komen. Ten tijde van het onderzoek is door verweerder gevraagd naar zijn schulden. Eiser heeft nog een schuld bij een vriendin van minder dan € 1.000,-, maar daarover heeft hij gezegd dat hij zelf mag beslissen wanneer en hoeveel hij aflost. Op de zitting is naar voren gebracht dat eiser schulden heeft bij het CJIB en Vattenfall, maar deze zijn van na het terugvorderingsbesluit. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de terugvordering voor hem onevenredig nadelige gevolgen heeft opgeleverd.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.E. Berghout, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 23 juni 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1460.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 16 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2295.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192.
4.Zie de uitspraken van de Raad van 10 december 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:2192, 2193, 2194 en 2195.