ECLI:NL:RBAMS:2026:1935

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
11892430 \ CV FORM 25-13029
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 861/2007Verordening (EU) nr. 1215/2012Art. 4 lid 1 Verordening Brussel I bisArt. 7 lid 1 Verordening Brussel I bisArt. 17 lid 3 Verordening Brussel I bis
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nederlandse rechter niet bevoegd bij geschil over vervoersovereenkomst met Italiaanse vervoerder

In deze zaak vordert verzoeker betaling van €11,30 wegens een vermeende te hoge afschrijving bij het inchecken voor een treinreis met Trenitalia van Porta Nuova naar Avigliana op 12 augustus 2025. Verzoeker baseert zijn vordering op een vervoersovereenkomst met Trenitalia, gevestigd in Italië.

Trenitalia heeft niet gereageerd op de vordering ondanks meerdere aanmaningen. De rechtbank beoordeelt haar bevoegdheid aan de hand van de Verordening Brussel I bis (EU nr. 1215/2012). Verzoeker heeft geen schriftelijke overeenkomst of forumkeuze overgelegd.

De rechtbank stelt vast dat de vervoersovereenkomst niet in Nederland is uitgevoerd, maar in Italië. Artikel 17 lid 3 van Pro de Verordening Brussel I bis sluit de toepassing van consumentenregels uit voor vervoersovereenkomsten. Daarom geldt de hoofdregel dat de rechter van de lidstaat waar de vervoerder is gevestigd bevoegd is.

De kantonrechter verklaart zich daarom onbevoegd om van de vordering kennis te nemen en wijst de zaak af wegens onbevoegdheid van de Nederlandse rechter.

Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd en wijst de vordering af wegens gebrek aan Nederlandse bevoegdheid.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11892430 \ CV FORM 25-13029
Beschikking van 17 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
procederend in persoon,
tegen
TRENITALIA S,P.A.,
gevestigd te 00161 Rome (Italië),
verwerende partij,
hierna te noemen: Trenitalia.

1.De procedure

1.1.
Op grond van de Verordening (EG) nr. 861/2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen (hierna: de EPGV-Verordening) heeft [verzoeker] door middel van het vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 van Pro de EPGV-Verordening een vordering ingesteld, ontvangen op 23 september 2025.
1.2.
Trenitalia is bij brief van 15 oktober 2025 in de gelegenheid gesteld op de vordering te reageren door formulier C in te vullen en met eventuele bewijsstukken binnen 30 dagen na ontvangst van deze brief te retourneren. Trenitalia heeft de via DHL verzonden brief op 21 oktober 2025 niet geaccepteerd.
1.3.
Trenitalia is bij brief van 31 oktober 2025 nogmaals in de gelegenheid gesteld op de vordering te reageren. De door PostNL verzonden brief is op 10 november 2025 bezorgd bij Trenitalia.
1.4.
Bij brieven van 14 januari 2026 is aan partijen bericht dat van Trenitalia geen reactie is ontvangen en dat de rechtbank binnen 30 dagen uitspraak zal doen.

2.Het verzoek

2.1.
[verzoeker] vordert – samengevat – veroordeling van Trenitalia tot betaling van
€ 11,30 aan hoofdsom, vermeerderd met de proceskosten.
2.2.
[verzoeker] legt aan de vordering ten grondslag dat bij een reis met de door Trenitailia geëxploiteerde regionale trein vanaf station Porta Nuova in Turijn naar Avigliana bij het inchecken op 12 augustus 2025 ten onrechte een bedrag van € 11,30 teveel is afgeschreven.
2.3.
Trenitalia heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het vorderingsformulier te reageren.

3.De beoordeling

Bevoegdheid
3.1.
De bevoegdheid van de kantonrechter in deze zaak moet worden beoordeeld aan de hand van de Verordening (EU) nr. 1215/2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (hierna: de Verordening Brussel I bis).
3.2.
[verzoeker] heeft geen schriftelijke overeenkomst tussen partijen in het geding gebracht. Ook is niet gebleken dat sprake is van een forumkeuze in de zin van artikel 25 van Pro de Verordening Brussel I bis. [verzoeker] acht de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam bevoegd, omdat [verzoeker] , als consument, woonplaats heeft in [woonplaats] .
3.3.
De verbintenis die aan de vordering van [verzoeker] ten grondslag ligt, moet worden geïdentificeerd als een vervoersovereenkomst. In artikel 17 lid 3 van Pro de Verordening Brussel I bis is bepaald dat de regels over de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten niet van toepassing is op vervoerovereenkomsten. Dat betekent dat de bevoegdheid in deze zaak bepaald moet worden volgens de algemene bevoegdheidsregels.
3.4.
De Nederlandse rechter kan bevoegd zijn als de overeenkomst – kort gezegd – in Nederland is uitgevoerd. Dat volgt uit artikel 7 lid 1 van Pro de Verordening Brussel I bis. Dat is hier niet het geval, want de plaats waar deze vervoersovereenkomst is uitgevoerd, ligt in Italië. Het gevolg is dat de bevoegdheid moet worden bepaald aan de hand van de hoofdregel van artikel 4 lid 1 van Pro de Verordening Brussel I bis, zodat de rechter van de lidstaat waar Trenitalia gevestigd is – Italië – bevoegd is.
3.5.
De conclusie is dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. De kantonrechter zal zich daarom onbevoegd verklaren.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
de kantonrechter verklaart zich onbevoegd om van de vordering kennis te nemen.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.
33806