ECLI:NL:RBAMS:2026:193

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
C/13/780898 / KG ZA 25-1061 MK/JD
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toegang tot de Lord Shiva Hindu Temple en de rechten van gelovigen

In deze zaak vorderden twee gelovigen, [eiser 1] en [eiser 2], in kort geding toegang tot de Lord Shiva Hindu Temple, nadat hen een toegangsverbod was opgelegd door de Stichting Lord Shiva Hindu Temples. De eisers stelden dat het verbod in strijd was met hun recht op godsdienstvrijheid en hun eer en goede naam aantastte. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat de Stichting niet voldoende zwaarwegende redenen had aangetoond voor het opleggen van het toegangsverbod. De voorzieningenrechter oordeelde dat de vorderingen van de eisers toewijsbaar waren, omdat zij een spoedeisend belang hadden bij toegang tot de tempel, vooral gezien de aankomende nieuwjaarsviering. De rechtbank gebiedde de Stichting en de gedaagde om het toegangsverbod in te trekken en de eisers vanaf 1 januari 2026 toegang te verlenen tot de tempel. Tevens werd een dwangsom opgelegd voor het geval de Stichting en de gedaagde in strijd met dit gebod zouden handelen. De proceskosten werden aan de gedaagde partijen opgelegd, aangezien zij in het ongelijk waren gesteld.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/780898 / KG ZA 25-1061 MK/JD
Uitwerking vonnis in kort geding van 31 december 2025, tevens eindvonnis van 14 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2. [eiser 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen bij dagvaarding op verkorte termijn van 29 december 2025,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] ,
advocaat: mr. [eiser 1] (= [eiser 1] ),
tegen

1.STICHTING LORD SHIVA HINDU TEMPLES,

te Amsterdam,
2.
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: de Stichting en [gedaagde] ,
advocaat: mr. M. Gavami.

1.De procedure

1.1.
Ter zitting van 31 december 2025 hebben [eiser 1] en [eiser 2] de in de dagvaarding omschreven vorderingen toegelicht. De Stichting en [gedaagde] hebben verweer gevoerd. [eiser 1] en [eiser 2] hebben producties en een pleitnota ingediend.
Ter zitting waren [eiser 1] en [eiser 2] aanwezig, alsmede [gedaagde] (tevens in hoedanigheid van bevoegd vertegenwoordiger van de Stichting) met mr. Gavami. Ook waren toehoorders aanwezig, waaronder de ouders van [eiser 1] .
1.2.
In verband met de spoedeisendheid van het gevorderde onder punt I van het petitum is deelvonnis bepaald op 31 december 2025 in de vorm van een ‘kopstaartvonnis’. Dit vonnis is de uitwerking daarvan. In dit vonnis wordt tevens op de overige vorderingen beslist.

2.De feiten

2.1.
[eiser 1] is advocaat in Amsterdam. [eiser 1] en [eiser 2] zijn beiden praktiserend gelovige. Tot en met april 2024 respectievelijk oktober 2023, bezochten [eiser 1] en [eiser 2] regelmatig de Lord Shiva Hindu Temple, aan de [adres] , onder meer voor het uitvoeren van gebedsrituelen.
2.2.
Het pand waarin de tempel is gevestigd, is eigendom van de Stichting. De Stichting heeft drie bestuurders: [gedaagde] (tevens in de tempel actief als priester), zijn echtgenote
[naam echtgenote] , en [naam] . Het doel van de Stichting staat als volgt omschreven in haar statuten.
“(…)
2.1. De stichting heeft ten doel:
- het verlenen van hulp aan en het behartigen van de belangen van Hindoestaanse migranten in Nederland en andere personen die het Hindoeïsme (…) als levensbeschouwing aantoonbaar aanhangen en de daarmee verbandhoudende religie (…);
- het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn, alles op basis van volledige gelijkwaardigheid van alle mensen.
(…)”
2.3.
Op haar website vermeldt de Stichting dat de tempel zeven dagen per week is geopend van 7:30u tot 20:30u voor toegewijden van de Hindoeïstische gemeenschap. Op 1 januari 2025 plaatste de Stichting het volgende bericht op haar Facebook profiel.
“(…) We are delighted to announce that Lord Shiva Hindu Temples, Amsterdam is now open for devotees and will remain open 365 days a year!
Whether you seek peace, blessings, or a place to celebrate your faith, our doors are always open for ýou. Visit us anytime to connect with the divine and be part of our vibrant community.
(…)”
2.4.
Bij brief van 22 oktober 2023 heeft de Stichting [eiser 2] een toegangsverbod opgelegd. Ter motivering van dit besluit heeft de Stichting (voor zover hier van belang) het volgende geschreven.
“(…)
Tijdens uw bezoeken hield u zich weer niet aan de geldende tempel huisregels. U gebruikte hierbij onder meer aan onze medewerkers en aan tempel bezoekers, de volgende bewoordin o.a.;
wie bent u om mij tegen te houden en te zeggen dat ik niet in de keuken mag betreden, en andere ongepaste houding en woorden gebruiken tot andere bezoekers etc.Ook nadat onze medewerker, u op uw gedrag aansprak , paste u uw houding niet aan. De uitspraken waren ook eerder al bekend en u erop aangesproken, maar uw gedrag bleef onveranderd, De uitspraken en houding zijn van dien aard dat wij overwegen nu hiervan aangifte te doen bij de politie.
(…)”
2.5.
Bij brief van 24 april 2025 heeft de Stichting [eiser 1] een toegangsverbod opgelegd. De inhoud van de brief is nagenoeg een exacte kopie van de brief van 22 oktober 2023. Het hierboven weergegeven citaat is identiek in beide brieven.

3.Het geschil

3.1.
[eiser 1] en [eiser 2] vorderen – samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de Stichting en [gedaagde] hoofdelijk:
I te gebieden om het toegangsverbod aan [eiser 1] en [eiser 2] en toegangsverboden aan andere vrouwen, permanent in te trekken door het bestuursbesluit van de Stichting (primair) nietig te verklaren, dan wel (subsidiair) te vernietigen en deze personen vanaf 1 januari 2026 volledig en onvoorwaardelijk toegang te geven tot het gebouw van de Stichting op straffe van een dwangsom;
II te verbieden om [eiser 1] en [eiser 2] een toegangsverbod, contactverbod, straatverbod, locatieverbod of ander verbod op te leggen wanneer zij de tempel betreden, op straffe van een dwangsom;
III te gebieden de brief waarbij aan [eiser 1] en [eiser 2] een toegangsverbod is opgelegd te rectificeren, op de wijze die [eiser 1] en [eiser 2] in de dagvaarding en in de door hun overgelegde productie 31 hebben beschreven;
IV te verbieden om onder eigen naam, een andere naam, anoniem en/of via anderen, over [eiser 1] negatieve, beledigende en/of grievende uitlatingen te doen, op straffe van een dwangsom;
V te veroordelen tot het betalen van een voorschot op schadevergoeding ten bedrage van € 7.500;
VI te veroordelen in de proceskosten, met wettelijke rente.
3.2.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben (samengevat) aangevoerd dat het aan hen opgelegde toegangsverbod in strijd is met hun recht op godsdienstvrijheid en privéleven, hun recht om zich vrijelijk te verplaatsen, en op gelijke behandeling. Daarnaast hebben zij aangevoerd dat het toegangsverbod in strijd is met het hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, in de zin van artikel 6:162 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), en misbruik van bevoegdheid oplevert in de zin van artikel 3:13 BW. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat hun eer en goede naam is aangetast door het handelen van de Stichting en [gedaagde] en eisen rectificatie van de toegangsverbodsbrieven en uitlatingen van [gedaagde] en zijn vriend [naam vriend] , een verbod op het doen van nieuwe grievende uitlatingen, en een voorschot op een schadevergoeding.
3.3.
De Stichting en [gedaagde] voeren verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding: toetsingskader
4.1.
De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn toewijsbaar in kort geding, indien voldoende aannemelijk is dat een bodemrechter dit ook zou doen en indien van hen niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwachten.
Spoedeisend belang?
4.2.
Het aan [eiser 2] opgelegde toegangsverbod is inmiddels meer dan twee jaar oud. In de tussentijd heeft zij zo goed en zo kwaad dat ging thuis gebedsrituelen uitgevoerd. Zij heeft intussen de tempel nog eens bezocht om te kijken of de kou inmiddels uit de lucht was, maar is toen door een jonge priester geweigerd. [eiser 1] heeft de tempel sinds het aan haar gerichte toegangsverbod van april 2025 niet meer bezocht. Zij heeft in de maanden daarna actief geprobeerd om een oplossing te bereiken, onder meer via bemiddeling door de politie, maar dit is niet gelukt.
4.3.
Geoordeeld wordt dat [eiser 1] en [eiser 2] beide spoedeisend belang hebben bij de gevraagde voorzieningen. In de eerste plaats omdat zij door het toegangsverbod worden beperkt in hun mogelijkheden om hun godsdienst te belijden en daarnaast omdat zij stellen dat hun eer en goede naam is aangetast door op deze wijze uit de Hindoeïstische gemeenschap te worden geweerd. Gelet op de ernst van de gestelde voortdurende inbreuk op deze fundamentele rechten kan van [eiser 1] en [eiser 2] niet worden gevergd dat zij voor een beslissing op hun vorderingen de uitkomst van een bodemprocedure afwachten. Dat intussen tijd is verstreken sinds de opgelegde verboden doet niet aan dit spoedeisende belang af. [eiser 2] heeft kennelijk eerst geprobeerd of de situatie met het verstrijken van de tijd zichzelf zou oplossen, [eiser 1] heeft geprobeerd met bemiddeling tot een oplossing te komen. Nu dit niet tot succes heeft geleid, hebben zij spoedeisend belang bij een uitspraak van de voorzieningenrechter.
4.4.
Anders dan de Stichting en [gedaagde] hebben aangevoerd, is het principiële element in dit geschil geen beletsel voor beoordeling in kort geding. De standpunten over en weer zijn niet dermate complex dat niet op een uitspraak van de bodemrechter kan worden vooruitgelopen.
Toegangsverbod: toetsingskader
4.5.
De stichting wordt geheel en uitsluitend door het burgerlijk recht en haar eigen statuten beheerst. Zij is geen kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW. Uitgangspunt is dat de Stichting – als eigenaar van de tempel – bepaalt wie er in de tempel mag komen en wie niet. Het staat haar in beginsel dan ook vrij om een toegangsverbod op te leggen. Deze uitoefening van het eigendomsrecht is niet zonder grenzen: het mag niet in strijd zijn met rechten van anderen, met wettelijke voorschriften en/of met regels van ongeschreven recht (artikel 5:1 lid 2 BW). De vraag die in dit kort geding voorligt is of de opgelegde toegangsverboden in strijd zijn met de rechten van [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel met een (ongeschreven) rechtsregel.
4.6.
[eiser 1] en [eiser 2] doen in de eerste plaats een beroep op in het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens (EVRM) verankerde grondrechten, te weten artikel 9 EVRM (bescherming van godsdienstvrijheid), artikel 2 Vierde Protocol EVRM (bescherming van bewegingsvrijheid) en artikel 14 EVRM (verbod van discriminatie). In beginsel zijn dit afweerrechten tegen de uitoefening van (publiek) gezag door de staat, niet tegen het handelen van private (rechts)personen zoals de Stichting en [gedaagde] . Anders dan [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangevoerd hoeft dan ook niet te worden getoetst of de toegangsverboden een wettelijke grondslag hebben, proportioneel zijn aan een legitiem doel, en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Wél rust op de staat (in dit geval de rechter) een positieve verplichting om in te grijpen indien [eiser 1] en [eiser 2] deze rechten niet effectief kunnen uitoefenen. Verder werken deze rechten
indirectdoor in de Nederlandse rechtsorde, bijvoorbeeld via de open norm van de maatschappelijke betamelijkheid van artikel 6:162 lid 2 BW.
Willekeurig toegangsverbod: onrechtmatige daad
4.7.
Niet in geschil is dat [eiser 1] en [eiser 2] al jaren regelmatig de tempel bezoeken om gebedsrituelen uit te voeren, deel te nemen aan de door de tempel georganiseerde activiteiten, en vrijwilligerswerk te verrichten. Daarmee geven zij invulling aan hun belang om hun godsdienst te belijden, dat valt binnen de reikwijdte van het grondrecht van de godsdienstvrijheid, zoals beschermd onder het hiervoor aangehaalde artikel 9 EVRM, alsook artikel 6 Grondwet. Een drastische inperking van dit fundamentele belang (in de vorm van een toegangsverbod) vereist een zwaarwegende reden (vgl. ECLI:NL:GHSGR:2009:BK4987). Zonder zwaarwegende reden zou de Stichting zich aan willekeur schuldig maken, waarmee het belang van [eiser 1] en [eiser 2] op onbetamelijke en onaanvaardbare wijze zou worden geschaad.
4.8.
Het bestaan van een dergelijke zwaarwegende reden hebben de Stichting en [gedaagde] niet aannemelijk gemaakt. Ter zitting is aangevoerd dat er sinds begin 2025 problemen spelen met [eiser 1] , dat [gedaagde] op enig moment aangifte heeft gedaan van
stalkingbij de politie, en een kort geding aanhangig heeft gemaakt bij de rechtbank Oost-Brabant waarin hij een gebiedsverbod vordert. Bij hem was de maat vol en hij heeft besloten [eiser 1] niet meer te willen zien.
4.9.
Deze reden blijkt niet uit de opzeggingsbrief van 24 april 2025 (zie 2.5) die gaat over een specifieke situatie met betrekking tot toegang tot de keuken. Dat deze brief met dezelfde specifieke inhoud ook eerder is verstuurd aan [eiser 2] (zie 2.4) wekt de indruk dat sprake is van willekeur. Dat de raadsman van [gedaagde] ter zitting heeft toegelicht dat deze brief een ‘standaardformulier’ betreft versterkt deze indruk. Daarbij heeft [gedaagde] het ter zitting ingenomen standpunt dat sprake is van
stalkingdoor [eiser 1] op geen enkele wijze onderbouwd. Tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser 1] houdt deze stelling dan ook geen stand. Dat [gedaagde] een kort geding is gestart bij rechtbank Oost-Brabant maakt niet dat een zwaarwegende reden bestaat voor het opgelegde toegangsverbod. Het is aan de voorzieningenrechter in Den Bosch om te oordelen op basis van de rechtsgronden en onderbouwing die [gedaagde] aldaar heeft aangevoerd voor zijn vordering(en). In dit kort geding geldt dat niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een zwaarwegende reden voor het opgelegde toegangsverbod aan [eiser 1] . Dit geldt ook voor het [eiser 2] : ten aanzien van haar heeft [gedaagde] in het geheel geen reden voor toegangsweigering aangevoerd, anders dan het ‘standaardformulier’.
4.10.
Dit leidt tot de conclusie dat de opgelegde toegangsverboden onrechtmatig zijn jegens [eiser 1] en [eiser 2] . De Stichting en [gedaagde] zullen worden geboden om het toegangsverbod, opgelegd aan [eiser 1] en [eiser 2] bij brieven van (respectievelijk) 24 april 2025 en 22 oktober 2023 in te trekken en om [eiser 1] en [eiser 2] vanaf 1 januari 2026 volledig en onvoorwaardelijk toegang te geven tot het gebouw van de Stichting (de tempel). [eiser 1] en [eiser 2] hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij belang hebben bij een uitspraak op korte termijn, omdat zij op nieuwjaarsdag willen deelnemen aan het Nieuwjaarsgebed in de tempel. De gevorderde nietigverklaring of vernietiging zullen niet worden toegewezen, nu deze neerkomen op een verkapte verklaring voor recht, hetgeen in kort geding niet toewijsbaar is.
4.11.
Als prikkel tot nakoming zal aan het gebod tot intrekking van het toegangsverbod, en tot toelating van [eiser 1] en [eiser 2] tot de tempel een dwangsom worden verbonden zoals gevorderd.
4.12.
Het gebod om toegang te verlenen tot de tempel betekent dat de Stichting niet aanstonds een nieuw toegangsverbod, straatverbod of locatieverbod mag opleggen die feitelijk de toegang onmogelijk maakt. De vordering onder punt II van het petitum ziet verder op een toekomstige situatie die ten tijde van dit kort geding niet kan worden overzien en zal om die reden als onvoldoende bepaald worden afgewezen.
Rectificatie, verbod uitlatingen en schadevergoeding
4.13.
[eiser 1] en [eiser 2] hebben voorts rectificatie gevorderd van ‘de toegangsverbodbrieven’. Zij stellen dat hun eer en goede naam door die brieven is aangetast, hetgeen verder verergerd is doordat [gedaagde] een valse aangifte zou hebben gedaan bij de politie, en de tempel tijdens de religieuze feestdag Krishna Janamashtami zou hebben omgetoverd tot rechtbank, om in aanwezigheid van een Amsterdamse politieagent en een strafrechter aan alle aanwezigen te verklaren dat [eiser 1] verkeerd handelde en dat haar toegangsverbod met een jaar zou worden verlengd.
4.14.
Dat de toegangsverboden schadelijk zijn voor de eer en goede naam van [eiser 1] en [eiser 2] is aannemelijk. Ook is aannemelijk dat dit verergerd is door de aandacht die [gedaagde] hieraan heeft besteed tijdens Krishna Janamashtami. Uit een vertaald transcript van die speech, die [eiser 1] en [eiser 2] in dit kort geding hebben ingediend, blijkt dat naar de voorzieningenrechter begrijpt de Amsterdamse politieagent het volgende heeft gezegd:
“(…) Een meisje heeft een verbod gekregen. Zij heeft voor een (1) jaar een verbod gekregen, maar gezien haar gedrag kan haar verbod na een jaar worden verlengd. Want de mensen die hier komen: gedraag je makkelijk. Je komt naar een huis van God. Beschouw de tempel als je eigen huis. Beschouw het als je eigen God. Kom hiernaar toe. Kom hier rustig zitten, eten. Je kan je eigen dingen doen welke je wil doen. Maar maak geen problemen. (…)”
4.15.
Dat [eiser 1] en [eiser 2] weer tot de tempel zullen moeten worden toegelaten maakt duidelijk dat het verbod onterecht was en het gebod om ‘de toegangsverbodbrieven’ in te trekken maakt duidelijk dat deze brieven niet rechtmatig zijn. Met dit vonnis worden [eiser 1] en [eiser 2] dan ook geacht voorlopig voldoende in handen te hebben voor herstel van hun eer en goede naam. In dit kort geding is onvoldoende aannemelijk geworden dat een bodemrechter tot het oordeel zou komen dat sprake is van verdergaande onrechtmatige uitlatingen die – naast de toegewezen intrekking van de toegangsverboden – rectificatie, dan wel een voorschot op schadevergoeding rechtvaardigen. Het gevorderde onder punt III en V zal om die reden worden afgewezen.
4.16.
Het gevorderde verbod om geen beledigende en/of grievende uitlatingen te doen in de toekomst is te onbepaald waardoor het risico op executiegeschillen groot is. Het gevorderde onder punt IV van het petitum zal om die reden eveneens worden afgewezen.
Hoe verder?
4.17.
In dit kort geding is verder aan de orde gekomen dat tussen partijen een breder conflict speelt. [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat het opgelegde toegangsverbod een gevolg is van hun weigering om toe te geven aan seksuele intimidatie door [gedaagde] . Zij stellen dat nog 38 andere vrouwen een toegangsverbod opgelegd hebben gekregen om dezelfde reden en hebben de brieven aan die vrouwen (die inhoudelijk identiek zijn aan de brieven aan [eiser 1] en [eiser 2] ) in dit kort geding ingediend als productie 11. [gedaagde] betwist dat dit waar is en stelt dat hij die mensen in die brieven helemaal niet kent. Hij heeft ter zitting aangevoerd dat zijn positie hem kwetsbaar maakt ten opzichte van degenen die hij spiritueel ondersteunt. Dit alles maakt dat de verhouding tussen partijen op dit moment verstoord is. Gelet op deze situatie, en gelet op het belang van beide partijen bij het bewaren van orde in de tempel, doen zij er goed aan om in de tempel geen contact met elkaar te zoeken. Nu zij allen vastberaden zijn om hun geloof te belijden in dezelfde tempel wordt partijen in overweging gegeven om (buiten de tempel) bemiddeling te zoeken om te kijken hoe zij zich in betere harmonie tot elkaar kunnen verhouden.
Proceskosten
4.18.
Als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij zullen de Stichting en [gedaagde] worden veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] begroot op:
  • € 144,47 dagvaarding
  • € 1.107,00 salaris advocaat
  • € 178,00nakosten (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
€ 1.429,47
vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Stichting en [gedaagde] deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving hebben voldaan.
4.19.
De proceskostenveroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt de Stichting en [gedaagde] om het toegangsverbod, opgelegd aan [eiser 1] en [eiser 2] bij brieven van (respectievelijk) 24 april 2025 en 22 oktober 2023 in te trekken en om [eiser 1] en [eiser 2] vanaf 1 januari 2026 volledig en onvoorwaardelijk toegang te geven tot het gebouw van de Stichting (de tempel),
5.2.
veroordeelt de Stichting en [gedaagde] hoofdelijk om aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom van € 2.000 te betalen voor iedere dag dat zij in strijd handelen met het gebod onder 5.1, totdat een maximum van € 25.000 is bereikt,
5.3.
veroordeelt de Stichting en [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.429,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als de Stichting en [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt de Stichting en [gedaagde] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente (als bedoeld in artikel 6:119 BW) over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gedeeltelijk gewezen als ‘kopstaart’ vonnis en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025, en gedeeltelijk gewezen als eindvonnis door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. J. Dekker, griffier. Bij afwezigheid van mr. Kalff is dit vonnis ondertekend door mr. T.H. van Voorst Vader, voorzieningenrechter, die dit vonnis op 14 januari 2026 heeft uitgesproken.
Coll: MA