ECLI:NL:RBAMS:2026:1924

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
AMS 25/3338
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek herziening boete wegens omzetting woonruimte zonder vergunning

Eiseres kreeg op 13 augustus 2019 een boete van €6.000 opgelegd wegens het omzetten van een zelfstandige woonruimte in een onzelfstandige zonder vergunning. Het bezwaar werd door het college afgewezen, waarna de rechtbank op 27 januari 2023 de boete matigde tot €2.000. Eiseres vroeg op 27 augustus 2024 herziening van de boete, maar het college wees dit verzoek af.

Eiseres stelde dat een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) over de onverbindendheid van de boetetabel voor vakantieverhuur een nieuwe omstandigheid vormde die tot herziening moest leiden. De rechtbank stelde vast dat deze uitspraak van 23 oktober 2024 geen nieuw feit is en dat het onverbindend verklaren van de boetetabel niet betekent dat geen boetes meer mogen worden opgelegd.

De rechtbank oordeelde dat de boete van €2.000 niet evident onredelijk is, mede omdat de eerdere matiging was gebaseerd op de financiële draagkracht van eiseres en niet op het boetebedrag zelf. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek tot herziening terecht afgewezen en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot herziening van de boete wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3338

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. C. Lubben),
en

het college van burgemeester en wethouders van gemeente Amsterdam

(gemachtigde: [gemachtigde verweerder] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over eiseres’ verzoek aan het college om het besluit om eiseres een boete op te leggen, te herzien. Het college heeft dit verzoek afgewezen en eiseres is het hier niet mee eens. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het verzoek terecht heeft afgewezen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn en ook geen sprake is van een evidente onredelijkheid
.Eiseres krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 13 augustus 2019 is aan eiseres een boete opgelegd van € 6.000, omdat eiseres een overtreding had begaan door een zelfstandige woonruimte om te zetten in een onzelfstandige woonruimte, zonder dat zij daarvoor een vergunning had. Het bezwaar tegen de boete heeft het college op 11 mei 2020 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 27 januari 2023 [1] geoordeeld dat eiseres inderdaad een overtreding heeft begaan, maar de hoogte van de boete gematigd naar € 2.000. Hiertegen heeft eiseres geen hoger beroep ingesteld.
2.1.
Op 27 augustus 2024 heeft eiseres om herziening van de boete gevraagd. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 21 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 18 april 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven. Volgens het college zijn er geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden waardoor het college verplicht zou zijn om eiseres’ zaak opnieuw te beoordelen.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het college.

Toetsingskader

3. Als het bestuursorgaan toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn.
3.1.
Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat de afwijzing van het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd evenwel tot het oordeel komen dat het besluit op het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.

Beoordeling door de rechtbank

3.2.
Eiseres voert aan dat er wel een nieuwe omstandigheid is die voor het college aanleiding zou moeten zijn om tot herziening over te gaan. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft namelijk in de uitspraak van 21 augustus 2024 [2] de boetetabel voor vakantieverhuur onverbindend verklaard. Dit moet er toe leiden dat de aan eiseres opgelegde boete wordt ingetrokken. Eiseres vindt de opgelegde boete ook evident onredelijk. Op de zitting is tot slot namens eiseres aangevoerd dat als het college in haar besluitvorming al tot een lagere boete was gekomen, de rechtbank de boete ook verder had gematigd en de boete dus lager zou zijn vastgesteld dan op € 2.000.
3.2.1.
De rechtbank stelt eerst vast dat niet in de uitspraak van de Afdeling van 21 augustus 2024 de boetetabel voor vakantieverhuur onverbindend is verklaard, maar in de uitspraak van 23 oktober 2024. [3]
3.2.2.
Een uitspraak van een rechterlijke instantie is geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. [4] De vraag die resteert is daarom of de weigering om terug te komen van het opleggen van de boete evident onredelijk is.
3.2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boete ook niet evident onredelijk is. De rechtbank vindt daarbij eerst van belang dat uit de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024 volgt dat het onverbindend verklaren van de boetetabel, niet betekent dat aan overtreders in het geheel geen boete opgelegd mag worden. Daarbij komt dat de rechtbank in haar uitspraak van 27 januari 2023 de boete ook al gematigd had. Niet aannemelijk is dat de rechtbank het boetebedrag tot een lager bedrag dan € 2.000 had gematigd, als het oorspronkelijke boetebedrag lager was geweest. De matiging was namelijk niet gerelateerd aan het boetebedrag, maar aan de financiële draagkracht van eiseres. Het college heeft ten slotte toegelicht dat de boete op basis van de huidige, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling gewijzigde boetetabellen, ook niet lager zou zijn geweest dan € 2.000. Gelet op voorgaande is de opgelegde boete van € 2.000 niet onmiskenbaar onjuist en is het niet evident onredelijk om niet terug te komen op dat besluit.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college het verzoek om herziening terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Delstra, rechter, in aanwezigheid van mr. M.L. Pijpers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.