Eiseres kreeg op 13 augustus 2019 een boete van €6.000 opgelegd wegens het omzetten van een zelfstandige woonruimte in een onzelfstandige zonder vergunning. Het bezwaar werd door het college afgewezen, waarna de rechtbank op 27 januari 2023 de boete matigde tot €2.000. Eiseres vroeg op 27 augustus 2024 herziening van de boete, maar het college wees dit verzoek af.
Eiseres stelde dat een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) over de onverbindendheid van de boetetabel voor vakantieverhuur een nieuwe omstandigheid vormde die tot herziening moest leiden. De rechtbank stelde vast dat deze uitspraak van 23 oktober 2024 geen nieuw feit is en dat het onverbindend verklaren van de boetetabel niet betekent dat geen boetes meer mogen worden opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de boete van €2.000 niet evident onredelijk is, mede omdat de eerdere matiging was gebaseerd op de financiële draagkracht van eiseres en niet op het boetebedrag zelf. Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek tot herziening terecht afgewezen en eiseres kreeg geen proceskostenvergoeding of griffierecht terug.