ECLI:NL:RBAMS:2026:1832

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 februari 2026
Zaaknummer
11566727 \ EA VERZ 25-209
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:230a BWArt. 7:290 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ontruimingstermijn wegens huur overige bedrijfsruimte zonder 290-bedrijfsruimte status

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of huurder [verzoeker 4] een 290-bedrijfsruimte huurt, wat bepalend is voor de toepasselijke huurovereenkomst en ontruimingstermijn. De kantonrechter stelde vast dat hoewel [verzoeker 4] een ambachtsbedrijf uitoefent en klanten ontvangt, niet is komen vast te staan dat de ruimte publiek toegankelijk is voor rechtstreekse levering van roerende zaken of dienstverlening zoals vereist onder artikel 7:290 BW Pro.

De bewijslevering bestond uit getuigenverklaringen, foto’s en schriftelijke stukken. De kantonrechter concludeerde dat de ruimte niet als verkooppunt fungeert en dat afspraken met klanten vooral betrekking hadden op overleg over lopende of toekomstige opdrachten, wat niet gelijkstaat aan publieke dienstverlening.

Daarom werd geoordeeld dat [verzoeker 4] overige bedrijfsruimte huurt en niet een 290-bedrijfsruimte. Het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn werd toegewezen tot 1 januari 2026, omdat het belang van de huurder bij verlenging zwaarder woog dan dat van de verhuurder, mede vanwege investeringen in de loods en de geplande sloopdatum.

Tijdens de verlengde termijn moet [verzoeker 4] een gebruikersvergoeding betalen gelijk aan de laatstelijk geldende huurprijs. De proceskosten werden verdeeld waarbij [verweerder] de kosten van [verzoeker 2], [verzoeker 3] en [verzoeker 4] moet betalen, terwijl de kosten tussen [verzoeker 1] en [verweerder] werden gecompenseerd.

Uitkomst: De ontruimingstermijn wordt verlengd tot 1 januari 2026 met een maandelijkse gebruikersvergoeding voor de huurder.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11566727 \ EA VERZ 25-209
Beschikking van 17 februari 2026
in de zaak van

1.[verzoeker 1] (h.o.d.n. [handelsnaam 1] )

wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 1] ,
2.
[verzoeker 2] B.V.,
gevestigd te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 2] ,
3.
[verzoeker 3] (h.o.d.n. [handelsnaam 2] ),
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [verzoeker 3] ,
4.
[verzoeker 4] (h.o.d.n. [handelsnaam 3] ),
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen, [verzoeker 4] ,
verzoekende partijen,
hierna samen te noemen: huurders,
gemachtigde: mr. D.J.B. Bosscher,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [locatie 1] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. H.J. Hagemans.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure bestaat uit de volgende stukken:
  • de tussenbeschikking van 2 september 2025,
  • de akte voorafgaand aan getuigenverhoor, met producties, van [verzoeker 4] ,
  • de akte aanvullende productie, met productie, van [verweerder] .
1.2.
Op 15 december 2025 heeft de kantonrechter getuigen gehoord. De getuigen hebben ook vragen van de gemachtigde van [verzoeker 4] beantwoord. Van dit getuigenverhoor is een proces-verbaal opgemaakt.
1.3.
Na het getuigenverhoor heeft [verzoeker 4] zich bij akte van 4 januari 2026 uitgelaten over het getuigenverhoor en de aanvullende productie van [verweerder] . [verweerder] heeft zich bij akte van 5 januari 2026 uitgelaten over het getuigenverhoor en het schriftelijk bewijsstuk aan de kant van [verzoeker 4] . Beide partijen hebben vervolgens bij aktes van 15 januari 2026 op elkaar gereageerd.
1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De verdere beoordeling

Ten aanzien van [verzoeker 4]
2.1.
De kantonrechter blijft bij wat hij in de eerdere tussenbeschikkingen heeft geoordeeld. In de laatste tussenbeschikking, van 2 september 2025, heeft de kantonrechter vastgesteld dat [verzoeker 4] de loods met nummer [nummer] van [verweerder] huurt en dat de huurovereenkomst op 1 februari 2022 is aangegaan. Verder staat weliswaar in die overeenkomst vermeld dat er opslagruimte wordt gehuurd, maar geoordeeld is dat ondanks de bewoording partijen een huurovereenkomst aan zijn gegaan die zowel op bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW (hierna: overige bedrijfsruimte) als bedrijfsruimte als bedoeld in artikel 7:290 BW Pro (hierna: 290-bedrijfsruimte) kan slaan. De kantonrechter heeft [verzoeker 4] vervolgens in de gelegenheid gesteld om zijn stelling dat hij een 290-bedrijfsruimte huurt te bewijzen, kort gezegd door [verzoeker 4] de gelegenheid te geven te bewijzen dat hij publiek ontvangt in de loods.
2.2.
[verzoeker 4] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt door nadere producties met verklaringen en foto’s over te leggen en door de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] als getuigen te horen. [verweerder] heeft afgezien van het horen van getuigen in contra-enquête.
Komt vast te staan dat [verzoeker 4] een 290-bedrijfsruimte huurt?
2.3.
In rechtsoverweging 3.4. van de tussenbeschikking van 15 juli 2025 is overwogen dat een 290bedrijfsruimte gedefinieerd is als – voor zover hier nog relevant – een bedrijfsruimte die volgens de huurovereenkomst bestemd is voor de uitoefening van een ambachtsbedrijf als in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is.
2.4.
Allereerst wordt vastgesteld dat [verzoeker 4] in de ruimte een ambachtsbedrijf uitoefent. Hij vervaardigt namelijk kunstwerken in de ruimte en de Van Dale definieert het begrip “ambacht” als: “een vak waarbij je iets met de hand maakt”. Daarmee valt het onder het begrip bedrijfsruimte van artikel 7:290 BW Pro, mits die voor het publiek toegankelijk is.
2.5.
[verweerder] heeft terecht aangevoerd dat ook voor de publieke toegankelijkheid van het “lokaal” in de gehuurde bedrijfsruimte beslissend is wat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst daaromtrent voor ogen heeft gestaan. De inrichting van het gehuurde kan daarbij ook in aanmerking worden genomen. Maar als het gehuurde uiteindelijk anders wordt gebruikt dan oorspronkelijk was bedoeld, kan toch een ander regime gelden. Dit geldt alleen als wordt vastgesteld dat de verhuurder het afwijkende gebruik door huurder heeft aanvaard, waardoor de overeenkomst stilzwijgend is gewijzigd.
2.6.
Met de bewijslevering is weliswaar vast komen staan dat [verzoeker 4] klanten ontving in de ruimte, maar niet dat hij een 290-bedrijfsruimte huurt.
2.7.
Artikel 7:290 BW Pro vereist namelijk dat de toegang voor het publiek bedoeld is (i) voor rechtstreekse levering van roerende zaken of (ii) voor dienstverlening.
2.8.
Rechtstreekse levering van roerende zaken aan publiek betekent – kort gezegd – dat er een verkooppunt in de ruimte is. Dat is hier niet gesteld en ook niet vast komen te staan. Weliswaar heeft de getuige [naam 2] op de vraag of daar kunst gekocht kon worden verklaard: “
als ik had gewild, wel denk ik. Maar dit heb ik niet gevraagd. Ik denk dat een kunstenaar altijd zijn kunst wel zou willen verkopen”. Maar dat is nog niet het hebben van een verkooppunt.
2.9.
Toegankelijkheid voor dienstverlening in de zin van artikel 7:290 BW Pro betekent dat het publiek langskomt om daar een dienst af te nemen. Uit alle getuigenverklaringen en schriftelijke verklaringen blijkt dat [verzoeker 4] op afspraak klanten in de ruimte ontving voor overleg over al een gegeven of nog te geven opdracht. Daarbij ging het om het maken van een kunstwerk. Soms voor een tijdelijke tentoonstelling, waarbij het niet zeker is dat het betreffende museum dat werk na de expositie ook op zal nemen in hun collectie. De beiden getuigen verklaarden dat de afspraken als doel hadden om de werken van [verzoeker 4] , in het bijzonder de door hem gebruikte materialen, te bekijken en om te overleggen over het ontwikkelen van nieuwe kunstwerken. Dat is niet gelijk te stellen met publiek dat in de ruimte langskomt voor het afnemen van een daar te leveren dienst. Hier gaat het namelijk over nadere afstemming over een al lopende dienst – de gegeven opdracht – of een acquisitiegesprek over een mogelijk te leveren dienst.
2.10.
Dat betekent dat niet komt vast te staan dat [verzoeker 4] een 290-bedrijfsruimte huurt.
[verzoeker 4] is ontvankelijk in zijn verzoek: hij huurt overige bedrijfsruimte
2.11.
Het gevolg hiervan is dat [verzoeker 4] dus overige bedrijfsruimte heeft gehuurd.
Het verzoek van [verzoeker 4] om hem niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot verlening van de ontruimingstermijn wordt daarom afgewezen.
De kantonrechter verlengt de ontruimingstermijn tot 1 januari 2026
2.12.
Het verzoekschrift is ontvangen op 26 februari 2025, terwijl de ontruiming is aangezegd tegen 1 januari 2025. [verzoeker 4] heeft zijn verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn dus binnen de daarvoor geldende termijn ingesteld.
2.13.
Een verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn kan alleen toegewezen worden als de belangen van de huurder door de ontruiming ernstiger worden geschaad dan die van de verhuurder bij voortzetting van het gebruik door de huurder. [1] Alle mogelijke belangen mogen daartoe worden aangevoerd.
2.14.
De kantonrechter is van oordeel dat het belang van [verzoeker 4] bij verlenging van de ontruimingstermijn op dit moment groter is dan het belang van [verweerder] bij de ontruiming. De kantonrechter heeft daarbij meegewogen dat [verzoeker 4] geïnvesteerd heeft in de loods (onder andere door de vliering te verbouwen) waarvan hij nog relatief kort profijt heeft gehad, terwijl [verweerder] tijdens de zitting heeft verklaard dat de loods naar verwachting pas in juli 2026 gesloopt zal worden. Omdat de sloop niet binnen één jaar gerealiseerd zal worden, wijst de kantonrechter het verzoek om verlenging van de ontruimingstermijn daarom toe voor de maximum termijn van één jaar.
2.15.
Uit de brief die [verweerder] op 16 september 2024 aan [verzoeker 4] heeft gestuurd blijkt dat [verweerder] de ontruimingstermijn heeft aangezegd per 1 januari 2025. De kantonrechter verlengt de ontruimingstermijn daarom tot 1 januari 2026.
2.16.
[verzoeker 4] heeft het tegenverzoek van [verweerder] om dan een gebruikersvergoeding verschuldigd te zijn niet weersproken. Daarom wordt bepaald dat [verzoeker 4] tijdens de verlengde ontruimingstermijn maandelijks een gebruikersvergoeding verschuldigd is ter hoogte van de laatstelijk geldende huurprijs per maand.
Ten aanzien van de huurders
De proceskosten
2.17.
[verweerder] is ten aanzien van [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] worden begroot op: € 876,50, bestaande uit het griffierecht (3/6 x € 90,- ), het salaris van de gemachtigde (3,5 punten x € 217,- ) en de nakosten (€ 72,-).
2.18.
[verzoeker 1] in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [verweerder] betalen. Gelet op het geringe aandeel van [verzoeker 1] in deze procedure en de samenhang met de procedure van [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] zullen de proceskosten tussen [verzoeker 1] en [verweerder] gecompenseerd worden, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De kantonrechter
Ten aanzien van [verzoeker 4]
3.1.
verlengt de termijn waarbinnen ontruiming van unit [nummer] aan het [locatie 2] te [woonplaats] moet plaatsvinden tot 1 januari 2026,
3.2.
stelt de gebruikersvergoeding voor de verlengde ontruimingstermijn vast op de laatstelijk geldende huurprijs per maand en bepaalt dat [verzoeker 4] deze maandelijks verschuldigd is tot het moment van ontruiming.
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af,
Ten aanzien van [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4]
3.4.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten aan de zijde van [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] , begroot op een bedrag van € 876,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als niet tijdig aan de veroordeling wordt voldaan en de beschikking daarna wordt betekend,
3.5.
verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
Ten aanzien van [verzoeker 1]
3.6.
compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gewezen door mr. E.J. Otten, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. M.E. Zwart da Silva Palma, griffier, op 17 februari 2026.
64183

Voetnoten

1.Artikel 7:230a BW.