ECLI:NL:RBAMS:2026:1826

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
81.182462.25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzettelijk niet doen van belastingaangiften en feitelijk leidinggeven

De rechtbank Amsterdam heeft verdachte veroordeeld voor het opzettelijk niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting over 2020 en het feitelijk leidinggeven aan het niet (tijdig) doen van vennootschaps- en omzetbelastingaangiften door twee vennootschappen in de periode 2019-2025.

Procesafspraken tussen het Openbaar Ministerie en verdachte leidden tot een voorstel voor een taakstraf van 300 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een voorwaardelijk bestuursverbod van 3 jaar. De rechtbank matigde de taakstraf tot 240 uur, met aftrek van voorarrest, en volgde de overige straffen zoals overeengekomen.

De rechtbank oordeelde dat verdachte vrijwillig en bewust instemde met de procesafspraken, ondanks de korte beslistermijn. De bewezenverklaring is gebaseerd op het dossier en de verklaringen tijdens de terechtzitting. Verdachte erkende zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid en voerde geen verweer.

De opgelegde straffen zijn passend geacht gezien de ernst van de feiten, de omstandigheden en de persoon van verdachte. De taakstraf is onvoorwaardelijk met vervangende hechtenis bij niet-nakoming, de gevangenisstraf en het bestuursverbod zijn voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar.

De rechtbank verklaarde verdachte strafbaar en veroordeelde hem overeenkomstig de procesafspraken, met een lichte matiging van de taakstraf, en sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf van 240 uur, voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en voorwaardelijk bestuursverbod van 3 jaar wegens belastingfraude.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81.182462.25
Datum uitspraak: 19 februari 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
wonende op het adres [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit (verkort) vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M. Lambregts, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. van der Vlies, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
het in de periode van 1 januari 2020 tot en met 8 april 2025 niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2020;
het in de periode van 6 juni 2019 tot en met 8 april 2025 feitelijke leiding geven aan
[bedrijf 1] B.V. bij het niet (tijdig) doen van aangiften vennootschapsbelasting (2022 en 2023) en aangiften omzetbelasting (Q2 2022 tot en met Q3 2023), en
[bedrijf 2] B.V. bij het niet (tijdig) doen van aangiften vennootschapsbelasting (2020 tot en met 2022) en aangiften omzetbelasting (Q1 2021 tot en met november 2022).
De volledige tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.

3.Procesafspraken

3.1.
Inhoud procesafspraken
In deze zaak zijn het Openbaar Ministerie en verdachte procesafspraken overeen gekomen die op 17 en 18 december 2025 zijn ondertekend en die zij aan de rechtbank hebben voorgelegd. Het afdoeningsvoorstel houdt in:
Op basis van onderzoek Buronga (74198/6074198) wordt verdachte verdacht van - kort gezegd- het opzettelijk niet (tijdig) doen van aangifte inkomstenbelasting in de periode 2020-2025 (feit 1) en het feitelijk leiding geven aan het door [bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. opzettelijk niet (tijdig) doen van aangiften vennootschaps- en omzetbelasting in de jaren 2019-2024 (feit 2).
Ondergetekenden komen tegen de achtergrond van de op internet gepubliceerde Aanwijzing procesafspraken in strafzaken (2023A002) het volgende overeen, bewust beperkt tot één pagina (want: hoe meer tekst, hoe meer twist). Daarbij stellen zij heel nadrukkelijk voorop dat dit afdoeningsvoorstel op géén enkele manier afbreuk doet of ooit zou kunnen doen aan de zelfstandige positie van de rechter.
1. De verdediging voert t.a.v. van bovengenoemde tenlastelegging géén verweren.
2. Alle eventueel openstaande onderzoekswensen komen te vervallen.
3. Het OM eist ter terechtzitting een onvoorwaardelijke taakstraf van 300 (driehonderd) uur te vervangen door 150 (honderdvijftig) dagen hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van 3 jr. en een voorwaardelijke ontzetting van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 jr. met een proeftijd van 3 jr. ('bestuursverbod'). Zonder procesafspraken zou het OM, afhankelijk van het verhandelde ter terechtzitting, wellicht een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf eisen. De Hoge Raad verlangt in ECLI:NL:HR:2022:1252 evenwel niet dat een in een afdoeningsvoorstel opgenomen eis lager dan anders is. De voorgenomen strafeis is met name ingegeven door het maatschappelijke belang de twee tenlastegelegde fiscale omissiedelicten in één rechterlijke instantie onherroepelijk af te doen. Zodat op korte(re) termijn dan ingeval van een volledige procedure in een of meer instanties, een disciplinerend effect uitgaat van het strafrecht gericht op het - in dit geval - stipt naleven van de belastingwetgeving.
4. De verdediging voert géén verweer tegen voornoemde strafeis.
5. Middels ondertekening van dit afdoeningsvoorstel - en in lijn met de FIOD-verhoren van november 2025 - erkent verdachte zijn verantwoordelijkheid voor de aan hem tenlastegelegde niet tijdig nagekomen fiscale verplichten en aanvaardt hij daarvoor strafrechtelijke aansprakelijkheid.
6. De verdachte is ter terechtzitting aanwezig zodat de totstandkoming van dit afdoeningsvoorstel door de meervoudige strafkamer kan worden getoetst. Middels ondertekening van dit afdoeningsvoorstel kiest verdachte domicilie ten kantore van zijn raadsvrouw.
7. Bij vonnis overeenkomstig deze procesafspraak doen de verdachte en het OM afstand van hoger beroep.
8. Deze procesafspraak vervalt indien en voor zover die niet gevolgd wordt door de rechtbank.
Deze afspraken zijn door het Openbaar Ministerie en verdachte ondertekend.
Uit het dossier volgt dat aan verdachte tijdens zijn derde verhoor namens de officier van justitie een voorstel is gedaan voor het maken van procesafspraken. Dit voorstel hield in:
Tot slot een vraag op nadrukkelijk verzoek van de zaaksofficier van justitie, mr. M. Lambregts. Volledige afronding van dit strafrechtelijk onderzoek, op de gebruikelijke manier, kan zomaar een half tot anderhalf jaar duren. Pas daarna zou het strafproces zelf bij de rechtbank kunnen starten. Zou u in plaats daarvan bereid zijn om de fiscale zaak sneller of te wikkelen door u (in de vorm van zogenoemde procesafspraken) nu of in de komende twee weken neer te leggen bij een taakstraf van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis als die taakstraf niet zou worden verricht en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar?
Wij willen nog wel benadrukken dat dit aanbod van officier is opgesteld voordat het wapen is aangetroffen en dus slechts ziet op het fiscale feit zoals hiervoor benoemd en niet op het aantreffen van het vermoedelijke vuurwapen.
Opmerking advocaat:
Die twee weken zijn te kort. We zouden wel eerst het dossier willen zien. lk heb met mijn cliënt overlegd. Wij staan wel open voor een snellere afwikkeling.
3.2.
Beoordeling procesafspraken
De rechtbank heeft op de zitting van 5 februari 2026 de procesafspraken besproken met verdachte, terwijl verdachte werd bijgestaan door zijn raadsvrouw. Verdachte heeft verklaard dat hij de procesafspraken en de consequenties daarvan begrijpt.
De rechtbank heeft geconstateerd dat verdachte, gedurende de tijd dat hij in verzekering was gesteld een aanbod heeft gekregen voor procesafspraken, met een korte beslistermijn en waarbij hem voorgehouden is dat de procedure anders (veel) langer kan gaan duren. Ten tijde van het aanbod beschikte de verdediging nog niet over het dossier. De officier van justitie heeft op zitting toegelicht dat dit de eerste keer was dat hij geprobeerd heeft op deze wijze procesafspraken te maken en dat hij soms ook zoekende is hoe dit proces het best vormgegeven kan worden. Hoewel uit de toelichting op zitting bleek dat de raadsvrouw van verdachte voorafgaand aan het verhoor erover was geïnformeerd dat procesafspraken aan de orde zouden worden gesteld en zij en de verdachte zich niet ‘overvallen’ voelde, is naar het oordeel van de rechtbank met deze handelwijze wel de grens opgezocht.
Het voorgaande staat echter niet aan het volgen van de gemaakte afspraken in de weg. De rechtbank is namelijk van oordeel - gelet op de behandeling ter zitting – dat verdachte vrijwillig, op basis van voor hem voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel. Hij was ook op de hoogte van de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten, ook waar het gaat om de door verdachte te aanvaarden straffen. De rechtbank heeft zich er in het bijzonder van verzekerd dat de hiervoor weergegeven mededelingen tijdens het verhoor niet hebben gemaakt dat verdachte zich onder druk gezet voelde om aan procesafspraken mee te werken.
De rechtbank zal de procesafspraken wat betreft de bewezenverklaring volgen. Wat betreft de op te leggen straffen zal de rechtbank in het voordeel van verdachte enigszins afwijken van de overeengekomen straffen. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert deze afwijking niet als een (wezenlijk) ander oordeel dan in de procesafspraken is overeengekomen. Daarbij betrekt de rechtbank ook de inhoud van het aanvankelijk aan verdachte gedane voorstel. De rechtbank legt dat hieronder verder uit.

4.Waardering van het bewijs

De rechtbank acht bewezen dat
Feit 1
verdachte in de periode van 1 januari 2020 tot en met 4 april 2025 in Nederland,
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte inkomstenbelasting 2020, niet heeft gedaan,
terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven;
Feit 2
[bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 2] B.V. in de periode van 6 juni 2019 tot en met 8 april 2025 in [plaats], Sittard en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland,
opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten
ten name van [bedrijf 1] B.V.:
a. aangiften vennootschapsbelasting 2022 en 2023 en
b. aangiften omzetbelasting over Q2 2022 tot en met Q3 2023
en
ten name van [bedrijf 2] B.V.:
a. aangiften vennootschapsbelasting 2020 tot en met 2022, en
b. aangiften omzetbelasting over Q1 2021 tot en met november 2022,
niet hebben gedaan,
terwijl die feiten ertoe strekken dat te weinig belasting wordt geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straffen

De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot:
  • een taakstraf van 300 uren;
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van 3 jaar; en
  • een voorwaardelijk bestuursverbod van 3 jaar, met een proeftijd van 3 jaar.
De verdediging heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen verweer gevoerd tegen de gevorderde strafeis.
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door de aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2020 niet in te dienen en door als feitelijke leidinggever van twee vennootschappen structureel geen aangiften omzet- en vennootschapsbelasting in te dienen. Door het handelen van verdachte kan de Belastingdienst niet vaststellen hoeveel belasting verdachte en de vennootschappen hadden moeten betalen, waardoor de Belastingdienst inkomsten is misgelopen. De rechtbank stelt daarbij vast dat verdachte de onder 2 bewezen feiten heeft gepleegd in de uitoefening van zijn beroep als bestuurder van een rechtspersoon.
Bij het bepalen van de straffen kijkt de rechtbank naar de gemaakte procesafspraken en de straffen die doorgaans voor soortgelijke feiten worden opgelegd. In zaken zoals deze, waarbij ook geen sprake is van een relevant strafblad, wordt naar het oordeel van de rechtbank geregeld volstaan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke taakstraf, gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf. Wat de hoogte van de taakstraf is naar het oordeel van de rechtbank de aanvankelijk aangeboden taakstraf van 240 uur een straf die passender is voor de bewezen feiten dan de uiteindelijke overeengekomen taakstraf van 300 uur. Bovendien is de rechtbank, ook na een toelichting op dit punt van de officier van justitie op de zitting, niet duidelijk geworden waarom het aantal te werken uren is verhoogd, terwijl de verdenking dezelfde is gebleven. Gelet daarop zal de rechtbank de op te leggen taakstraf beperken tot 240 uren, met aftrek van voorarrest, en het afdoeningsvoorstel wat betreft de voorwaardelijke gevangenisstraf en het voorwaardelijk bestuursverbod volgen. De voorwaardelijke straffen dienen ervoor verdachte in de toekomst ervan te weerhouden zich opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Omdat de rechtbank een taakstraf oplegt die niet lager is dan de aanvankelijk aangeboden taakstraf en de overige onderdelen van de overeengekomen straf worden overgenomen, is de rechtbank oordeel dat het uiteindelijk op te leggen totaalpakket niet wezenlijk afwijkt van de overeengekomen straffen. De rechtbank kan dan ook tot een eindbeslissing komen.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven
Feit 2
feitelijke leiding geven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
- Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.
- Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
6 (zes) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
- Ontzet verdachte uit het beroep van het zijn van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 (drie) jaar.
Bepaalt dat deze (bijkomende) straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M.R. Vastenburg, voorzitter,
mrs. M. Smit en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C. Wolswinkel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 februari 2026.
[…]