De rechtbank Amsterdam heeft op 19 februari 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor het opzettelijk gebruik van valse geschriften in het kader van visfraude. De zaak betreft het gebruik van valse visdocumenten om gevangen zeebaars als vangst van een ander vaartuig te verkopen, terwijl dat vaartuig niet kon varen.
De officier van justitie vorderde een betalingsverplichting van €83.474,51, gebaseerd op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De verdediging voerde aan dat er geen sprake was van wederrechtelijk voordeel of dat dit beperkt moest worden tot bepaalde kostenbesparingen, maar deze verweren werden door de rechtbank verworpen.
De rechtbank stelde vast dat de gehele opbrengst van de verkochte zeebaars als wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden aangemerkt, verminderd met de veilingkosten. De financiële draagkracht van de maatschap werd niet meegenomen in de betalingsverplichting, omdat dit in de executiefase aan de orde moet komen.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op om het bedrag van €83.474,51 aan de Staat te betalen, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.