ECLI:NL:RBAMS:2026:1810

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
11965899 EA VERZ 25-1329
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:681 lid 1 onderdeel a BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:673 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig wegens gespannen werksfeer en onvoldoende de-escalatie

De werknemer werd op 8 oktober 2025 op staande voet ontslagen omdat hij de echtgenoot van de werkgever zou hebben bedreigd met een schaar. De kantonrechter oordeelt echter dat dit ontslag niet rechtsgeldig is, omdat de werkgever zelf heeft bijgedragen aan een gespannen werksfeer en onvoldoende heeft ingegrepen om de situatie te de-escaleren.

De feiten tonen aan dat er een woordenwisseling was waarbij de werknemer een schaar vasthield, maar dat de echtgenoot van de werkgever geen formele functie binnen de onderneming vervult en zich bemoeide met de bedrijfsvoering. De kantonrechter weegt mee dat de werkgever en zijn echtgenoot de gespannen situatie hebben veroorzaakt en onvoldoende hebben gehandeld om escalatie te voorkomen.

Als gevolg hiervan wordt het ontslag op staande voet niet geaccepteerd als dringende reden. De werknemer krijgt daarom een billijke vergoeding van €10.000, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van €5.736,54 en een transitievergoeding van €4.682,92 toegewezen. Tevens moet de werkgever een eindafrekening en specificaties verstrekken en kan geen beroep worden gedaan op het concurrentiebeding. De werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Ontslag op staande voet niet rechtsgeldig verklaard; werkgever veroordeeld tot betaling van billijke vergoeding, transitievergoeding, vergoeding onregelmatige opzegging en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11965899 \ EA VERZ 25-1329
Beschikking van 12 februari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. P.Chr. Snijders,
tegen
[verweerder] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
vertegenwoordigd door: [naam 1] (eigenaar).
De zaak in het kort
In deze zaak is de werknemer op staande voet ontslagen, omdat hij de echtgenoot van werkgever zou hebben bedreigd met een schaar. Dit voorval rechtvaardigt naar het oordeel van de kantonrechter niet een ontslag op staande voet. Daarvoor is van belang dat de werkgever voorafgaand aan het voorval zelf heeft bijgedragen aan het creëren van een gespannen werksfeer en niet heeft ingegrepen om de situatie te de-escaleren. De werkgever moet een billijke vergoeding, een transitievergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging aan de werknemer betalen. Ook moet de werkgever een eindafrekening verstrekken. De werknemer krijgt dus (grotendeels) gelijk.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 12 november 2025 een verzoekschrift met producties ingediend dat strekt – voor zover nog relevant – tot een billijke vergoeding wegens onterecht gegeven ontslag op staande voet, met nevenverzoeken.
1.2.
[verweerder] heeft op 9 januari 2026 een verweerschrift met producties ingediend.
1.3.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 januari 2026. Daarbij was [verzoeker] aanwezig, bijgestaan door de gemachtigde. Voor [verweerder] waren [naam 1] en [naam 2] aanwezig. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten naar voren hebben gebracht.
1.4.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. De feiten
2.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1979, is per 1 september 2021 in dienst getreden bij [verweerder] in de functie van medewerker 1 met een loon van € 3.166,54 bruto per maand.
2.2.
[verweerder] exploiteert een horeca-onderneming.
2.3.
Op 8 oktober 2025 is [verzoeker] op staande voet ontslagen. Het ontslag is per brief van 9 oktober 2025 aan [verzoeker] bevestigd. In de ontslagbrief is vermeld dat de dringende reden is gelegen in het bedreigen van de echtgenoot van [naam 1] (hierna: [naam 2] ) met een schaar. [naam 2] heeft na het voorval bij de politie aangifte gedaan van bedreiging.
2.4.
Bij brief van 28 oktober 2025 heeft [verzoeker] [verweerder] bericht dat hij van mening is dat het ontslag niet rechtsgeldig is.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt betaling van een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. [verzoeker] verzoekt ook veroordeling tot afgifte van deugdelijke netto/bruto specificaties en een eindafrekening, op straffe van een dwangsom, te vermeerderen met rente en kosten. Tot slot verzoekt [verzoeker] dat de kantonrechter bepaalt dat [verweerder] geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding in artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst.
3.2.
Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet geldig, omdat een dringende reden ontbreekt. Op 8 oktober 2025 ontstond er in de lunchroom een discussie tussen [naam 2] en de werknemers van [verweerder] , waaronder [verzoeker] , over een camera die [verweerder] in de werkruimte had geplaatst. Toen bleek dat een collega deze camera had verwijderd, is [naam 2] in woede ontstoken en heeft zij tegen de werknemers geschreeuwd. [verzoeker] heeft [naam 2] herhaaldelijk verzocht om hiermee te stoppen, maar dat deed zij niet. [verzoeker] heeft [naam 2] niet bedreigd en [verzoeker] is niet agressief geweest. [verzoeker] erkent dat hij een schaar in zijn hand had toen hij in gesprek was met [naam 2] , maar deze had hij vast omdat hij hiermee aan het werk was en niet omdat hij de intentie had om [naam 2] te bedreigen. Verder meent [verzoeker] dat [verweerder] zich niet als goed werkgever heeft gedragen, omdat [naam 1] niets heeft ondernomen om de zaak te de-escaleren.
3.3.
[verweerder] vindt – samengevat – dat het ontslag terecht is gegeven. [verzoeker] heeft [naam 2] ernstig bedreigd met een schaar. [naam 1] heeft de schaar uit de hand van [verzoeker] gepakt om de zaak te de-escaleren.

4.De beoordeling

4.1.
[verzoeker] berust in het gegeven ontslag. Dat betekent dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd met ingang van 8 oktober 2025. Wel is [verzoeker] van mening dat het ontslag onterecht is gegeven. Daarom maakt [verzoeker] aanspraak op een aantal vergoedingen. Om te kunnen beoordelen of die vergoedingen kunnen worden toegewezen, moet eerst beoordeeld worden of [verweerder] rechtsgeldig tot ontslag op staande voet kon overgaan.
Beoordeling ontslag op staande voet
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.3.
Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Als een dringende reden kunnen worden aangemerkt zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De kantonrechter moet bij de beoordeling van de dringende reden alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. De werkgever moet voldoende feiten en omstandigheden stellen – en zo nodig bewijzen – die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat sprake is van een dringende reden.
4.4.
Partijen zijn het in grote lijnen eens over wat plaats heeft gevonden op 8 oktober 2025. Waar partijen van elkaar afwijken is met name de bejegening over en weer. [verweerder] heeft in de ontslagbrief van 8 oktober 2025 de bedreiging van [naam 2] aan het ontslag ten grondslag gelegd. [verweerder] stelt dat [verzoeker] een schaar in een dreigende houding vasthield richting [naam 2] . [verzoeker] erkent dat hij de schaar vasthield, maar ontkent dat hij [naam 2] daarmee bedreigde.
4.5.
Tussen partijen staat vast dat tussen [verzoeker] en [naam 2] een woordenwisseling heeft plaatsgevonden, waarbij [verzoeker] een schaar in zijn hand had. Ook staat tussen partijen vast dat voorafgaand aan die woordenwisseling, [naam 1] en [naam 2] het personeel had aangesproken op een verdwenen camera in de keuken. Verder is op de zitting vast komen staan dat [naam 2] geen functie vervult in de onderneming. Uit diverse overgelegde verklaringen van het personeel van [verweerder] en van een personeelslid van een buuronderneming, komt het beeld naar voren dat [naam 2] boos reageerde op de verdwenen camera en met een luide stem tegen de aanwezige personeelsleden heeft gesproken. Hoewel [naam 2] betwist heeft dat zij geschreeuwd heeft, erkent zij dat zij ontstemd was over de verdwenen camera. Ook zijn partijen het erover eens dat [verzoeker] daarna met een schaar in de hand naar [naam 2] is gelopen. Volgens [verweerder] dreigde [verzoeker] [naam 2] toen zowel in woorden als met de schaar. Volgens [verzoeker] heeft hij [naam 2] op luide toon gezegd dat de onderneming zo opengaat, de te verkopen lunchartikelen nog niet gereed zijn en deze discussie dus nu moet stoppen. Onbetwist is dat [verzoeker] voor zijn werk soms een schaar nodig heeft.
4.6.
Naar het oordeel van de kantonrechter kan het best zo zijn dat [naam 2] deze schaar als bedreigend heeft ervaren. Maar daar staat tegenover dat de eigenaar – [naam 1] – heeft toegelaten dat zijn echtgenote zich tijdens werktijd heeft bemoeid met de bedrijfsvoering van [verweerder] zonder dat zij een functie bij de onderneming heeft. Deze bemoeienis van zijn echtgenote is uitgelopen op een woordenwisseling met ten minste een personeelslid, te weten [verzoeker] . Vervolgens heeft de eigenaar van [verweerder] niet, althans niet voldoende, ingegrepen om de ontstane situatie te de-escaleren. De eigenaar van [verweerder] en zijn echtgenote hebben daarmee sterk bijgedragen aan het ontstaan van een gespannen werksfeer voorafgaand aan de woordenwisseling. Die bijdrage moet aan [verweerder] als werkgever toegeschreven worden. Vanwege die bijdrage van [verweerder] aan een gespannen werksfeer heeft [verweerder] onvoldoende onderbouwd dat de vervolgens ontstane woordenwisseling waarbij [verzoeker] een schaar in zijn hand had, een dusdanige dringende reden is, dat van [verweerder] niet verlangd kon worden de arbeidsovereenkomst nog langer te laten voortduren. Voor zover [verzoeker] met de schaar ook werkelijk een dreigende houding heeft aangenomen, kan hem daarvan een verwijt worden gemaakt. Maar ook dan is onvoldoende sprake van een dringende reden die een ontslag op staande voet rechtvaardigt, gelet op de aanmerkelijke rol van de werkgever in de aanloop naar de woordenwisseling.
4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door [verweerder] aangevoerde dringende reden in de gegeven omstandigheden het ontslag op staande niet rechtvaardigt. Het ontslag op staande voet is dan ook niet rechtsgeldig gegeven.
Billijke vergoeding
4.8.
Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt ook toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. [1]
4.9.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [2] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.10.
De kantonrechter zal hier een billijke vergoeding toekennen van € 10.000,00 bruto. Hierbij wordt meegewogen dat als [verweerder] was overgegaan tot een ontbindingsprocedure wegens een verstoorde arbeidsverhouding, dit geleid had tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Met een dergelijke procedure was echter wel meer tijd gemoeid, waardoor [verzoeker] langer loon had ontvangen. Omgekeerd wordt meegewogen dat [verzoeker] , mede gelet op zijn leeftijd, op korte termijn een nieuwe baan kan vinden. Ook speelt mee dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever wordt aangemerkt.
4.11.
[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 10.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Vergoeding wegens onregelmatige opzegging
4.12.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [3] De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 5.736,54 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 8 oktober 2025.
Transitievergoeding
4.13.
Het verzoek om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. De kantonrechter heeft hiervoor geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet terecht is gegeven, omdat daarvoor geen dringende reden aanwezig was. Hiervoor is al geoordeeld dat aan [verzoeker] wellicht een verwijt te maken valt, maar van ernstig verwijtbaar handelen is geen sprake gelet op de rol van [verweerder] op de ontstane situatie. Dat betekent dat de transitievergoeding verschuldigd is. [4] [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding, die € 4.682,92. bedraagt. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 9 november 2025.
Afgifte specificaties en eindafrekening
4.14.
Ook de verzochte afgifte van bruto/netto specificaties en eindafrekening wordt toegewezen. De kantonrechter ziet aanleiding de gevraagde dwangsom voor de loonspecificaties te matigen tot € 100,00 per dag, met een maximum van € 2.500,00.
Concurrentiebeding
4.15.
Het verzoek om te bepalen dat [verweerder] geen rechten kan ontlenen aan het concurrentiebeding in artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst wordt toegewezen. [verweerder] heeft tegen dit verzoek geen verweer gevoerd.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.16.
[verzoeker] verzoekt om vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten conform de staffel. Uit het dossier volgt niet dat de gemachtigde van [verzoeker] meer of andere werkzaamheden heeft verricht dan voor de voorbereiden van de gedingstukken of voorbereiding van de zaak die vallen onder de vergoeding van artikel 237 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Proceskosten
4.17.
[verweerder] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [verzoeker] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [verweerder] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten
.De proceskosten van [verzoeker] worden begroot op:
- griffierecht
90,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
72,00
Totaal
739,00
4.18.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen een bedrag van € 10.000,00 bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,
5.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 5.736,54, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 8 oktober 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 4.682,92 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 9 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt [verweerder] om deugdelijke netto/bruto specificaties en eindafrekening te verstekken, waarin de bedragen onder 5.1, 5.2 en 5.3 zijn verwerkt, binnen veertien dagen na de datum van de beschikking op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 2.500,00,
5.5.
bepaalt dat [verweerder] geen rechten kan ontlenen aan het non-concurrentiebeding als vermeld in artikel 16 van Pro de arbeidsovereenkomst,
5.6.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 739,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.7.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [5] ,
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Otten, kantonrechter, bijgestaan door mr. K. Hart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 februari 2026.
66531

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid Pro 1, onderdeel a, BW.
2.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
3.Artikel 7:672 lid 11 BW Pro.
4.Artikel 7:673 lid 1 BW Pro.
5.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.