ECLI:NL:RBAMS:2026:1806

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
13-252027-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 OLWArt. 22 OLWArt. 23 OLWArt. 27 OLWArt. 29 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over detentieomstandigheden en verlenging beslistermijn Europees aanhoudingsbevel Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een Poolse verdachte. De behandeling vond plaats over meerdere zittingen tussen november 2025 en februari 2026, waarbij de verdachte vanwege zijn gezondheid aanvankelijk niet kon verschijnen. De rechtbank verlengde de beslistermijn en de overleveringsdetentie meerdere malen op grond van de Overleveringswet (OLW).

In een tussenuitspraak van 20 januari 2026 werd reeds geoordeeld over de strafbaarheid en de grondslag van het EAB, alsmede over artikel 11 OLW Pro met betrekking tot de detentieomstandigheden in Polen. De rechtbank constateerde discrepanties in toezeggingen over bewegingsvrijheid buiten de cel en ontving op 4 februari 2026 aanvullende informatie over de detentieomstandigheden, waaronder een dagelijkse wandelmogelijkheid van 60 minuten en culturele activiteiten van anderhalf uur.

De raadsman betoogde dat het algemene gevaar voor de verdachte niet was weggenomen, mede omdat de activiteiten slechts twee keer per week plaatsvinden. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de daadwerkelijke tijd buiten de cel en stelde vast dat de verdachte structureel 23 uur per dag in een kleine cel verblijft, wat een schending van grondrechten kan betekenen.

Daarom werd het onderzoek heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, met een redelijke termijn van 30 dagen gesteld om te beoordelen of de omstandigheden wijzigen. De beslistermijn en de overleveringsdetentie werden met 60 dagen verlengd. De zaak wordt voortgezet op de eerstvolgende zittingsdag na 20 maart 2026, uiterlijk tien dagen daarna.

Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing over de overlevering aan vanwege individuele gevaren door detentieomstandigheden en verlengt de beslistermijn en overleveringsdetentie met 60 dagen.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13-252027-25
Datum uitspraak: 19 februari 2026
TUSSEN-
UITSPRAAK
op de vordering van 9 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 19 augustus 2025 door
the Opole Regional Court(
Sąd Okręgowy w Opolu),Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon]
geboren op [geboortedag] 1978 in [geboorteplaats] (Polen),
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres:
[BRP-adres],
uit anderen hoofde gedetineerd in de [Penitentiaire Inrichting],
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De zitting van 20 november 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 20 november 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. S. de Goede, advocaat in Breda.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden, omdat de opgeëiste persoon vanwege zijn gezondheidstoestand niet in staat was bij de zitting aanwezig te zijn.
De zitting van 10 december 2025
Op deze zitting is de behandeling van het EAB - met toestemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is niet verschenen. Hij is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde raadsman, mr. S. de Goede.
De rechtbank heeft de behandeling van het EAB voor bepaalde tijd aangehouden om de raadsman in de gelegenheid te stellen de zaak met de opgeëiste persoon te bespreken. De opgeëiste persoon was namelijk vanwege zijn gezondheidstoestand niet in staat om bij de zitting aanwezig te zijn.
De zitting van 24 december 2025
Vervolgens is de behandeling van het EAB - met toestemming van partijen - op deze zitting in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Daarnaast heeft de rechtbank ter zitting de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor bepaalde tijd geschorst, omdat zij zich onvoldoende voorgelicht achtte met betrekking tot artikel 11 OLW Pro. Gelet hierop heeft de rechtbank de beslistermijn verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de overleveringsdetentie met 30 dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 15 januari 2026
De behandeling van het EAB is - met toestemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet op deze zitting, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S. de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.
Tussenuitspraak van 20 januari 2026 [3]
In deze tussenuitspraak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting heropend en voor onbepaalde tijd geschorst, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen bij de uitvaardigende justitiële autoriteit duidelijkheid te verkrijgen over tegenstrijdigheden in verstrekte informatie over
the Opole Remand Centre. Gelet hierop heeft de rechtbank de beslistermijn opnieuw verlengd met 30 dagen op grond van artikel 22, vijfde lid, OLW, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
De zitting van 5 februari 2026
Op deze zitting is de behandeling van het EAB - met toestemming van partijen - in gewijzigde samenstelling voortgezet, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S de Goede, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 20 januari 2026

De rechtbank stelt vast dat in deze tussenuitspraak al is geoordeeld over de grondslag en de inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van het feit (onder 4) en artikel 11 OLW Pro voor wat betreft artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (onder 5.1). Hetgeen de rechtbank hierover heeft overwogen, moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Detentieomstandigheden in Poolse remand regimes

De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder de punten 5.2 en 5.4 van de tussenuitspraak van 20 januari 2026. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Onder punt 5.4 van de tussenuitspraak heeft de rechtbank onder meer overwogen dat de door de uitvaardigende justitiële autoriteit verstrekte informatie voldoende is om het eerder vastgestelde algemene gevaar voor de opgeeiste persoon met betrekking tot
the Bielsko-Biała Satellite Prison of the Cieszyn Prisonweg te nemen. Ten aanzien van de detentieomstandigheden in
the Opole Remand Centreheeft de rechtbank overwogen dat sprake is van een discrepantie tussen de toezeggingen die zijn gedaan in twee eerdere overleveringszaken en in de zaak van de opgeëiste persoon met betrekking tot de bewegingsvrijheid buiten de cel voor gedetineerden.
Na de tussenuitspraak van 20 januari 2026 is op een verzoek om aanvullende informatie van het Internationaal Rechtshulp Centrum (IRC) de volgende informatie op 4 februari 2026 verstrekt:

The District Court in Opole, Third Criminal Division, advises that, based on information received today from the Opole Detention Center, the inmate is entitled to a 60-minute walk each day. Cultural and educational activities last approximately 1.5 hours; participation in these activities depends on the inmate’s willingness.
Standpunt van de raadsman
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat met de aanvullende informatie van
4 februari 2026 het algemeen gevaar niet is weggenomen. Uit deze informatie blijkt dat de opgeëiste persoon één uur per dag buiten kan wandelen. Daarnaast worden overige activiteiten georganiseerd die ongeveer anderhalf uur duren. Uit een eerdere uitspraak is gebleken dat deze overige activiteiten twee keer per week worden georganiseerd. [4] De rechtbank heeft deze informatie - die overeenkomt met de informatie in deze zaak - toen onvoldoende bevonden. De raadsman heeft verder gesteld dat aan de Poolse autoriteiten geen redelijke termijn meer moet worden gegeven om af te wachten of er nog een wijziging in de omstandigheden optreedt. Verzocht is om nu al geen gevolg te geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
In de aanvullende informatie van 4 februari 2026 garandeert
the District Court in Opole, Third Criminal Divisionallereerst niet dat de opgeëiste persoon ten minste twee uur per dag buiten de cel kan doorbrengen. Deze aanvullende informatie biedt voorts onvoldoende duidelijkheid over de vraag hoe vaak de overige activiteiten, naast het wandelen gedurende een uur per dag, plaatsvinden. De rechtbank kan hierdoor niet vaststellen hoeveel uur per dag de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden buiten de cel kan verblijven, indien hij aan alle aangeboden activiteiten deel zou nemen. Op basis van de verstrekte gegevens kan de rechtbank daarom niet beoordelen of het algemene reële gevaar, dat de opgeëiste persoon structureel 23 uur per dag in zijn cel (met persoonlijke ruimte tussen de 3 en 4 m2) moet doorbrengen, kan worden uitgesloten. In dat verband is voorts van belang dat in een recente uitspraak van deze rechtbank een brief is verstrekt van
the Deputy manager of the detention centre in Opole, waarin staat vermeld dat de overige activiteiten gemiddeld anderhalf uur duren en gemiddeld twee keer per week plaatsvinden. [5]
De rechtbank stelt op grond van het vorenstaande vast dat er voor de opgeëiste persoon een individueel gevaar bestaat van schending van zijn grondrechten door de detentieomstandigheden in de detentie-instelling in Opole als de overlevering zou worden toegestaan. Dat betekent dat de rechtbank de beslissing moet aanhouden op grond van artikel 11, tweede lid, OLW, tenzij evident is dat het gevaar niet binnen een redelijke termijn zal worden weggenomen als gevolg van een wijzing van de omstandigheden. In dat laatste geval zou de rechtbank direct geen gevolg kunnen geven aan het EAB en de officier van justitie niet-ontvankelijk kunnen verklaren. De rechtbank acht het echter - anders dan de raadsman - niet ondenkbaar dat de hiervoor bedoelde wijziging van de omstandigheden zich binnen afzienbare tijd voordoet en ziet daarom aanleiding het onderzoek te heropenen en te schorsen.
De rechtbank houdt daarom de beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW aan. De rechtbank stelt daarbij op grond van artikel 11, vierde lid, OLW een redelijke termijn vast van 30 dagen na deze uitspraak. De voortzetting van de zaak zal worden ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van deze termijn (die verstrijkt op 20 maart 2026), namelijk 24 maart 2026 of uiterlijk tien dagen daarna, zodat kan worden nagegaan of een wijziging van de omstandigheden is opgetreden. Wanneer dit niet het geval is, zal op grond van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
De termijn om op het verzoek tot overlevering te beslissen loopt af op 22 februari 2026. Nu de rechtbank, gezien het voorgaande, een verlenging nodig heeft om op het verzoek tot overlevering te beslissen, zal zij op grond van artikel 22, vierde lid, aanhef en onder c, OLW de beslistermijn met 60 dagen verlengen, onder gelijktijdige verlenging van de gevangenhouding op grond van artikel 27, derde lid, OLW.

5.Beslissing

HEROPENT en SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd en bepaalt dat de zaak opnieuw wordt ingepland op de eerst mogelijke zittingsdag na het einde van de redelijke termijn (die verstrijkt op 20 maart 2026), namelijk in de periode van
24 maart 2026 tot en met 2 april 2026.
HOUDT AANde beslissing over de overlevering op grond van artikel 11, tweede lid, OLW.
VERLENGTop grond van artikel 22, vierde lid, sub c, OLW de termijn waarbinnen zij op grond van het derde lid van dit artikel uitspraak moet doen met
60 dagen(
eindigend op 23 april 2026), omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.
VERLENGTop grond van artikel 27, derde lid, OLW de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon met
60 dagen.
BEVEELTde
oproeping van de opgeëiste persoontegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn
raadsman.
BEVEELTde oproeping van een
tolkin
de Poolse taaltegen een ander te bepalen datum en tijdstip.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. M.C.M. Hamer, voorzitter,
mrs. L. Sanders en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Riedijk, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 19 februari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
4.Zie Rb. Amsterdam 2 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10441.
5.Zie Rb. Amsterdam 2 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10441.