Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:2026:1675

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
C/13/739577 HA ZA 23-847
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 101 lid 1 VWEUArt. 101 lid 3 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende bewijs mededingingsbeperking selectief distributiestelsel HP

In deze bodemzaak heeft de rechtbank Amsterdam beoordeeld of het selectieve distributiestelsel van HP in strijd is met artikel 101 lid 1 VWEU Pro, dat het kartelverbod regelt. In een eerder tussenvonnis was vastgesteld dat het stelsel niet voldoet aan de Metro-criteria, maar de rechtbank moest ook toetsen of het stelsel ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging wordt beperkt.

De rechtbank verwijst naar het unierechtelijk toetsingskader van de Competition Appeal Tribunal in de Up and Running-uitspraak, waarin wordt benadrukt dat het niet automatisch een 'by object' restrictie is als een selectief distributiestelsel niet aan de Metro-criteria voldoet. Het is noodzakelijk om de aard en het effect van het stelsel op de mededinging te beoordelen.

123inkt heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat het distributiestelsel schadelijk is voor de mededinging of een mededingingsbeperkend effect heeft. De rechtbank merkt op dat het stelsel in beginsel toegankelijk is voor handelaren zonder wezenlijke voorafgaande toetsing en dat het beperkende karakter gering is. Ook het tweede verwijt van misbruik van economische machtspositie is ongegrond verklaard.

De rechtbank wijst daarom de vorderingen van 123inkt af en veroordeelt haar in de proceskosten van HP, die in totaal €3.477,00 bedragen, te vermeerderen met wettelijke rente en kosten bij niet-tijdige betaling.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van 123inkt af wegens onvoldoende onderbouwing van mededingingsbeperking door het selectieve distributiestelsel van HP.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht
Zaaknummer: C/13/739577 / HA ZA 23-847
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
DIGITAL REVOLUTION B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de rechtspersoon naar buitenlands recht
123 INKT BVBA,
gevestigd te Gent (België),
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
123TINTA SL,
gevestigd te Azuqueca de Henares (Spanje),
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
INK MAESTRO LIMITED,
gevestigd te Dublin (Ierland),
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
123INK AB,
gevestigd te Jordbro (Zweden),
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
123DRUKUJ.PL SP.Z.O.O.,
gevestigd te Zerniki Wroclawskie (Polen),
eisende partijen,
hierna samen te noemen:
123inkt,
advocaat: mr. Th.C.J.A. van Engelen,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HP EUROPE B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
HP NEDERLAND B.V.,
gevestigd te Amsterdam,
3. de rechtspersoon naar buitenlands recht
HP INC.,
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten van Amerika),
4. de rechtspersoon naar buitenlands recht
HP HEWLETT PACKARD GROUP LLC.,
gevestigd te Houston (Verenigde Staten van Amerika),
5. de rechtspersoon naar buitenlands recht
HP HEWLETT PACKARD DEVELOPMENT COMPANY, L.P.,
gevestigd te Houston (Verenigde Staten van Amerika),
6. de rechtspersoon naar buitenlands recht
HP PRINTING AND COMPUTING SOLUTIONS S.L.U.,
gevestigd te Madrid (Spanje),
7. de rechtspersoon naar buitenlands recht
HP BELGIUM B.V.,
gevestigd te Diegem (België),
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen:
HP,
advocaat: mr. J.D. Drok.

1.De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 december 2024 [1] ,
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 4 december 2025 en de daarin genoemde stukken.

2.De verdere beoordeling

Eerste verwijt: strijd met het kartelverbod
2.1.
In het tussenvonnis heeft de rechtbank, voor zover voor de verdere beoordeling van belang, als volgt overwogen:
“(…)
5.7
Een overeenkomst valt onder het kartelverbod van artikel 101 lid 1 VWEU Pro wanneer deze ertoe strekt of tot gevolg heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
5.8.
Uit bestendige jurisprudentie van het HvJEU, voor het laatst bevestigd in het Coty-arrest, volgt dat (de beperkingen die deel uitmaken van) selectieve distributiestelsels noodzakelijkerwijs de mededinging binnen de interne markt beïnvloeden. [2] Dat geldt dus ook voor het selectieve distributiestelsel van HP.
5.9.
Tegelijkertijd volgt uit deze jurisprudentie dat selectieve distributiestelsels volledig buiten het bereik van het verbod van artikel 101 lid 1 WVEU Pro vallen, wanneer sprake is van een objectieve rechtvaardiging [3] van de in het selectieve distributiestelsel vervatte individuele beperkingen voor de distributeurs. Daarvan kan sprake zijn in geval van zuiver kwalitatieve selectieve distributie. In de rechtspraak van het HvJEU is dit uitgewerkt in de ‘Metro-criteria’. (…)
5.1
Als een selectief distributiestelsel niet aan deze voorwaarden voldoet en daarmee binnen het bereik van het verbod van artikel 101 lid 1 VWEU Pro valt, kan een selectief distributiestelsel alsnog zijn toegestaan. Dat is het geval als het voldoet aan de vrijstellingsvoorwaarden van artikel 101 lid 3 VWEU Pro, omdat het selectieve distributiestelsel voldoet aan de voorwaarden van de Groepsvrijstelling of omdat het selectief distributiestelsel op grond van een individuele toets voldoet aan de voorwaarden van lid 3. De achterliggende ratio van deze vrijstelling is dat de mededingingsbeperkende effecten van de overeenkomst worden gecompenseerd door zwaarder wegende mededingingsbevorderende effecten. [4]
(…)
5.23.
Zoals uit het vooropgestelde kader volgt (zie 5.8), beïnvloeden selectieve distributiestelsels, en dus ook het stelsel van HP, in beginsel de mededinging. Dat betekent evenwel niet, anders dan 123inkt lijkt te veronderstellen, dat een selectief distributiestelsel dat niet aan de Metro-criteria voldoet en daarmee binnen het bereik van artikel 101 lid 1 VWEU Pro valt, verboden is. Anders dan het gebruik door 123inkt van het begrip “distributiekartel” voor het selectieve distributiestelsel van HP doet veronderstellen, is een selectief distributiestelsel in beginsel een legitieme manier om producten te distribueren. In het algemeen wordt immers erkend dat selectieve distributie bepaalde voordelen kan opleveren voor fabrikant, distributeurs en consumenten. Van een kartelafspraak zou sprake kunnen zijn indien de invoering van het stelsel als zodanig een heimelijke marktuitsluitingsstrategie vormt, maar 123inkt heeft op de zitting bevestigd dat dit niet de strekking is van haar argumenten over het selectieve distributiestelsel van HP. Het is dan ook aan 123inkt om te stellen en te onderbouwen dat het selectief distributiestelsel een inbreuk op het mededingingsrecht oplevert.
(…)”
2.2.
De rechtbank heeft eerst beoordeeld of het selectieve distributiestelsel van HP voldoet aan de Metro-criteria en geconcludeerd dat dat niet het geval is. De rechtbank heeft vervolgens een noodzakelijke stap overgeslagen. In de daaropvolgende toetsing van het selectieve distributiestelsel aan het verbod van artikel 101 lid 1 VWEU Pro, had de rechtbank ook moeten toetsen of het selectieve distributiestelsel ertoe strekt (of tot gevolg heeft) dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt beperkt. Die tussenstap is noodzakelijk om te kunnen beoordelen of het selectieve distributiestelsel een inbreuk op artikel 101 lid 1 VWEU Pro oplevert. Dit volgt uit het unierechtelijk kader, zoals helder uiteengezet in de
Up and Running-uitspraak van het
Competition Appeal Tribunal(CAT) [5] :
“(…)
41. It has therefore been suggested by some commentators that if a selective distribution system fails to meet the requirements of Metro then it will be a “by object” restriction. [6] In our view, there is no presumption to that effect. Our understanding of the law is as follows:
(1) A restriction of price competition is inherent in any selective distribution system. See AEG-Telefunken [7] at [42].
(2) Consequently, a failure by a selective distribution system to meet the Metro requirements suggests that there may well be a “by object” restriction. See Pierre Fabre [8] at [39].
(3) There is now a well-established approach to determining whether or not a contractual provision is a “by object” restriction. See the summary of the case law in Case C-211/22 Super Bock Bebidas SA v Autoridade da Concorrência (“Super Bock” (…)). That requires an assessment of the nature of the provision, the objective aims it pursues and the legal and economic context of which it is a part.
(4) In our view, that assessment is indispensable in reaching any conclusion on the question of whether the provision is a “by object” infringement. That is consistent (…) with the opinion delivered by Advocate General Wahl in Coty [9] at [116]:
“116. Even on the assumption that it might be concluded in the present case that the clause at issue could be caught by Article 101(1) TFEU, owing in particular to failure to comply with the Metro criteria, it will still be necessary to examine whether the clause has an effect restrictive of competition, and in particular to determine whether it amounts to a restriction ‘by object’ within the meaning of that provision.”
(5) This analytical framework is also consistent with the approach the Court took in AEG-Telefunken, as it did go on (in [40] and following) to consider whether the objective of the contractual provision in question could be considered legitimate.
(…)”
2.3.
De rechtbank moet dus alsnog beoordelen of het selectieve distributiestelsel naar zijn aard schadelijk is voor de mededinging.
2.4.
Daarbij geldt, zoals overwogen in het tussenvonnis, dat het aan 123inkt is om te stellen en te onderbouwen dat het selectieve distributiestelsel een inbreuk op het mededingingsrecht oplevert. Of een overeenkomst – waaronder een selectief distributiestelsel zoals hier – de mededinging naar zijn aard beperkt, moet worden beoordeeld aan de hand van de bewoordingen van de overeenkomst, de juridische en economische context, dat wil zeggen de aard van de betrokken goederen en/of diensten en de structuur van de markt waarbinnen partijen opereren, en eventueel de doelstellingen van de overeenkomst. [10] 123inkt heeft hier in haar dagvaarding (of anderszins in aanloop naar het tussenvonnis) niets over gesteld en ook niet tijdens de mondelinge behandeling op 4 december 2025.
2.5.
Voorafgaand aan die mondelinge behandeling heeft de rechtbank de volgende vragen aan partijen voorgelegd:

Hoe kijken partijen aan tegen het door de CAT in de zaak ‘Up & Running (UK) Limited v Deckers UK Limited’ in overweging 41 uitgewerkte en vervolgens toegepaste beoordelingskader[zie hiervoor onder 4.2, rb]
? Welke gevolgen zou dit kunnen (of moeten) hebben voor de onderhavige zaak? Dit in het licht van overweging 5.8 van het tussenvonnis van 18 december 2024.
2.6. 123
inkt heeft in reactie hierop volstaan met de stellingen dat (i) het niet mogen verkopen aan een niet Authorized Partner een doelbeperking inhoudt en (ii) ieder selectief distributiestelsel een gesloten stelsel is en daarom mededingingsbeperkend. 123inkt neemt het standpunt in dat het door de CAT toegepaste beoordelingskader onjuist is en stelt dat het HvJEU in de arresten Coty en Pierre Fabré heeft geoordeeld dat selectieve distributie het doel en de strekking heeft de mededinging te beperken en dat het dus niet nodig is om nadere feiten en omstandigheden te stellen om te onderbouwen dat een selectief distributiestel – en dus ook het selectieve distributiestelsel van HP – een inbreuk op het mededingingsrecht oplevert. Zoals hiervoor is overwogen, is de rechtbank het hier niet mee eens. Anders dan 123inkt meent, is op dit punt in het tussenvonnis ook geen bindende eindbeslissing genomen waarvan de rechtbank eerst zou moeten terugkomen. In het tussenvonnis is alleen overwogen (in r.o. 5.8) dat selectieve distributiestelsels noodzakelijkerwijs de mededinging binnen de interne markt
beïnvloeden, zoals ook (letterlijk) is overwogen in het Coty-arrest [11] (dat is iets anders dan
het doel en de strekking hebben de mededinging te beperken) (zie ook r.o. 5.23).
2.7.
Dit alles betekent dat 123inkt onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de aard van het selectieve distributiestelsel van HP schadelijk is voor de mededinging. Zoals in het tussenvonnis is overwogen, zijn er ook geen aanwijzingen dat dat wel het geval is: (i) het selectieve distributiestelsel van HP is in beginsel voor een ieder toegankelijk en handelaren kunnen zonder wezenlijke voorafgaande toetsing toetreden tot het stelsel (r.o. 5.46), (ii) het beperkende karakter van de SDC is gering (r.o. 5.47) en (iii) van cumulatieve concurrentieverstorende effecten lijkt geen sprake (r.o. 5.48).
2.8.
Evenmin heeft 123inkt feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat het selectieve distributiestelsel een mededingingsbeperkend effect heeft (de zogenoemde gevolgbeperking). 123inkt heeft geen stellingen ingenomen over (i) de kwalificatie van reële of potentiële (merkbare) gevolgen van het distributiestelsel op de relevante geografische en productmarkt en (ii) het counterfactual-scenario hoe die markt eruit zou zien als het selectieve distributiestelsel niet zou bestaan. Dat had, gelet op de op haar rustende stelplicht en bewijslast ten aanzien van de gestelde inbreuk, wel op haar weg gelegen.
2.9.
De rechtbank ziet geen reden om 123inkt alsnog in de gelegenheid te stellen om haar stellingen nader te onderbouwen. Zij had dat immers meteen in haar dagvaarding moeten doen.
2.10.
De slotsom is dat op basis van wat 123inkt heeft gesteld niet kan worden geoordeeld dat HP met haar selectieve distributiestelsel een inbreuk maakt op het verbod van artikel 101 lid 1 VWEU Pro.
Tweede verwijt: misbruik van economische machtspositie
2.11.
In het tussenvonnis van 18 december 2024 heeft de rechtbank al geoordeeld dat ook het tweede verwijt van 123inkt, dat HP met het introduceren en handhaven van het selectieve distributiestelsel misbruik maakt van haar economische machtspositie, ongegrond is.
Proceskosten
2.12. 123
inkt is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van HP worden begroot op:
- griffierecht
676,00
- salaris advocaat
2.612,00
(4 punten × € 653,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.477,00
2.13.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van 123inkt af,
3.2.
veroordeelt 123inkt in de proceskosten van € 3.477,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als 123inkt niet tijdig aan deze proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Singeling, voorzitter, mr. R.A. Dudok van Heel en mr. B.M. Visser, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
de griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen

Voetnoten

1.Rechtbank Amsterdam, 18 december 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:7935
2.HvJEU
3.HvJEU 13 oktober 2011,
4.Groepsvrijstelling, considerans onder 8.
5.1615/5/7/23 Up and Running (UK) Limited v Deckers UK Limited - Judgment | 31 Oct 2024
6.See for example Whish and Bailey, Competition Law (10th ed. Oxford University Press) at page 135.
7.HvJEU, 25 oktober 1983,
8.HvJEU 13 oktober 2011,
9.Advocaat-Generaal N. Wahl, 26 juli 2017, zaak C-230/16, ECLI:EU:C:2017:603
10.Zie ook CBB 28 april 2020, ECLI:NL:CBB:2020:306
11.Zie voetnoot 6