ECLI:NL:RBAMS:2026:1672

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
AMS 24/5186
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 PwArt. 16 PwArt. 1:378 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel bijzondere bijstand voor curatele tijdens detentie wegens zeer dringende redenen

Eiseres, onder curatele gesteld wegens drank- en drugsgebruik, kreeg bijzondere bijstand voor curatelekosten toegekend. Na haar detentie vanaf 26 februari 2024 trok het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam deze bijstand in op grond van artikel 13 Pw Pro, omdat gedetineerden geen recht op bijstand hebben.

Eiseres stelde dat de curator onmisbaar blijft tijdens detentie, vooral vanwege haar kwetsbare geestelijke toestand en de noodzaak van curatelewerkzaamheden. De rechtbank oordeelde dat er sprake is van zeer dringende redenen in de zin van artikel 16 Pw Pro, omdat het niet verlenen van bijstand tot ernstige financiële ontwrichting leidt en de situatie schrijnend is.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder de bijzondere bijstand per 1 maart 2024 moet hervatten, de kosten moet onderzoeken en het griffierecht en proceskosten aan eiseres moet vergoeden. Tevens wees de rechtbank op de onduidelijkheid over de verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie voor curatelekosten tijdens detentie, wat niet ten laste van eiseres mag komen.

Uitkomst: De rechtbank herstelt de bijzondere bijstand voor curatele tijdens detentie wegens zeer dringende redenen en vernietigt het bestreden besluit.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 24/5186

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Salim),
en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S.S. Kisoentewari).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking van het recht op bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van curatele. Volgens verweerder heeft eiseres hier op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Participatiewet (Pw) geen recht op, omdat zij in detentie zit. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Pw kan alsnog bijstand worden verleend als sprake is van zeer dringende redenen.
1.1.
De rechtbank oordeelt in deze zaak dat hiervan sprake is en verklaart het beroep om die reden gegrond. Eiseres krijgt dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 30 april 2024 heeft verweerder het recht van eiseres op bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van curatele vanaf 1 maart 2024 ingetrokken. Volgens verweerder heeft eiseres hier op grond van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Pw geen recht op, omdat zij in detentie zit.
2.1.
Met het bestreden besluit van 5 augustus 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij dat besluit gebleven. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 24 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Op de zitting is besproken dat de gemachtigde van eiseres onder andere aan het ministerie van Justitie en Veiligheid (het ministerie van Justitie) en/of de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI) de vraag van de rechtbank zal voorleggen of het ministerie verantwoordelijk is voor het dragen van de maandelijkse kosten van curatele, in het geval de onder curatele gestelde in detentie zit.
2.3.
Met een e-mail van 15 september 2025 heeft de rechtbank de gemachtigde van eiseres een rappel gestuurd en gevraagd naar de actuele stand van zaken. De rechtbank heeft hierop geen reactie ontvangen.
2.4.
Met een brief van 5 november 2025 aan de gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank opnieuw geïnformeerd naar de stand van zaken. Ook hierop heeft de rechtbank geen reactie ontvangen.
2.5.
De rechtbank heeft partijen met een brief van 28 november 2025 gevraagd of zij zonder nadere zitting uitspraak mag doen. Met (stilzwijgende) toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven. De rechtbank heeft hierna het onderzoek gesloten met een brief van 6 februari 2026.

Beoordeling door de rechtbank

Hoe is het bestreden besluit tot stand gekomen?
3. Bij een beschikking van 24 juli 2014 is eiseres door de kantonrechter van deze rechtbank onder curatele gesteld wegens gewoonte van drank- en drugsgebruik. Op
6 juli 2021 heeft de rechtbank Limburg een opvolgend curator benoemd. Op 26 oktober 2022 heeft eiseres bijzondere bijstand aangevraagd bij verweerder. Met een besluit van 18 november 2022 heeft verweerder aan eiseres vanaf 10 oktober 2022 bijzondere bijstand toegekend voor de maandelijkse kosten van curatele, voor de duur van vijf jaar. Het gaat daarbij om een bedrag van € 225,97 per maand. Vanaf 26 februari 2024 is eiseres gedetineerd. Met het primaire besluit heeft verweerder de bijzondere bijstand ingetrokken vanaf 1 maart 2024 vanwege de detentie.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder begrijpt dat eiseres zich in een schrijnende situatie bevindt, maar ziet in de door eiseres aangevoerde bezwaargronden geen zeer dringende redenen om anders te beslissen. Verweerder overweegt dat zeer dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de Pw zich voordoen als er een acute noodsituatie is en de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Niet is gebleken dat eiseres zich in een dergelijke acute noodsituatie bevindt. Daarnaast worden de werkzaamheden ondanks het stopzetten van de bijstand door de curator uitgevoerd. Hierdoor wordt een schuld opgebouwd, maar dit vormt volgens verweerder geen zeer dringende redenen om af te wijken van de wet- en regelgeving.
5. Verweerder heeft in beroep naar voren gebracht, dat als eiseres is aangewezen op hulp, deze door het ministerie van Justitie moet worden geboden. Op de zitting is met partijen besproken dat niet duidelijk is of het ministerie van Justitie verantwoordelijk is voor het dragen van de maandelijkse kosten van curatele, gedurende de detentie van eiseres en wat daarvoor de wettelijke grondslag is. De gemachtigde van eiseres is door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om de vragen hierover voor te leggen aan het ministerie van Justitie.
Heeft verweerder de bijzondere bijstand mogen intrekken?
6. In artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Pw staat dat degene die rechtens zijn vrijheid is ontnomen geen recht op bijstand of bijzondere bijstand heeft.
7. Verweerder heeft daarom op goede gronden het recht van eiseres op bijzondere bijstand voor de maandelijkse kosten van curatele met ingang van 1 maart 2024 ingetrokken, omdat eiseres toen in detentie zat.
Zijn er zeer dringende redenen?
8. In artikel 16, eerste lid, van de Pw staat dat het college, gelet op alle omstandigheden, bijstand kan verlenen aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
9. Eiseres voert aan dat verweerder niet had mogen overgaan tot beëindiging van de bijzondere bijstand. Zij is wegens haar geestelijke toestand en de gewoonte van drank onder curatele gesteld. Omdat eiseres een veelpleger is, worden allerlei psychische/psychiatrische onderzoeken naar haar geestelijke vermogen verricht, waarbij de medewerking van de curator gelet op zijn wettelijke taakstelling verplicht en noodzakelijk is. De curator wijst erop dat het niet uitvoeren van de werkzaamheden tot zijn aansprakelijkheid zal leiden. Volgens eiseres heeft verweerder deze zaak ten onrechte behandeld als een bewindvoeringszaak. Anders dan bij onderbewindstelling is ondercuratelestelling bedoeld voor mensen die hun belangen niet behoorlijk waarnemen of hun veiligheid in gevaar brengen als gevolg van hun lichamelijke of geestelijke toestand ofwel gewoonte van drank- of drugsmisbruik. Ondercuratelestelling is een vergaande maatregel [1] die tot gevolg heeft dat de belanghebbende niet langer handelingsbekwaam is. Daarnaast wordt de belanghebbende geacht wilsonbekwaam te zijn. De noodzaak van de werkzaamheden van de curator houdt niet op als de belanghebbende gedetineerd is. In een geval zoals dat van eiseres zijn de relevantie en de noodzaak van de werkzaamheden van de curator nog groter geworden. Daarbij is de relatie tussen de curator en eiseres een vertrouwelijke en een een-op-een-relatie. De positie van een curator is te vergelijken met die van een voogd of een met ouderlijk gezag belaste ouder van een minderjarige, waarbij de curator alle vermogensrechtelijke en niet-vermogensrechtelijke zaken van eiseres overneemt. De hulpverlening in de penitentiaire inrichting kan op geen enkele wijze de werkzaamheden van een curator vervangen. Sterker nog, de curator is onmisbaar om de hulpverlening bij de penitentiaire inrichting op gang te brengen.
10. De rechtbank overweegt als volgt. Om te kunnen spreken van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 van Pro de Pw, moet vaststaan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, op geen enkele andere manier zijn te verhelpen, zodat het verlenen van bijstand volstrekt onvermijdelijk is. Dit is vaste rechtspraak. [2] Een acute noodsituatie kan zich voordoen als een situatie levensbedreigend is of als blijvend ernstig geestelijk of lichamelijk letsel of invaliditeit daarvan het gevolg kan zijn. Een acute noodsituatie kan zich ook voordoen als het niet verlenen van bijstand voor de betrokkene tot ernstige gevolgen leidt, met name voor diens gezondheid. De wetgever heeft bij het begrip ‘zeer dringende redenen’ gedacht aan een extreme situatie en heeft nadrukkelijk niet beoogd een algemene ontsnappingsclausule te bieden. Daarom moet het gaan om een schrijnende situatie waarvan het evident is dat weigering van bijstand zonder meer onaanvaardbaar is. Dit is in overeenstemming met eerdere rechtspraak. [3]
11. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd reden om te oordelen dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Pw en dat verweerder in dit geval de bijzondere bijstand niet had mogen intrekken.
12. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 13, eerste lid, onder a, van de Pw volgt dat degenen aan wie rechtens hun vrijheid is ontnomen, niet in aanmerking komen voor algemene en bijzondere bijstand. Het ministerie van Justitie voorziet namelijk in de noodzakelijke kosten van het bestaan van deze personen. Daarnaast is overwogen dat voor de kosten van het aanhouden van woonruimte in de periode dat de betrokkene rechtens zijn vrijheid is ontnomen in de regel geen bijzondere bijstand kan worden verleend. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de betrokkene om terzake een afdoende regeling te treffen. In acute noodsituaties waarin dit niet mogelijk is, kan mogelijk de gemeente op grond van zeer dringende redenen bijzondere bijstand verstrekken voor woonkosten op grond van artikel 16 van Pro de Pw. Het betreft echter slechts heel uitzonderlijke situaties waarbij steeds een strikt individuele afweging van de omstandigheden noodzakelijk is. In de beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Amsterdam is in artikel 7.3, tweede lid, ook opgenomen dat in bijzondere gevallen bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor de doorbetaling van de woonlasten tijdens detentie en na onderzoek door het college naar de noodzakelijkheid van de kosten.
13. De rechtbank ziet in het onderhavige geval aanleiding aansluiting te zoeken bij dit voorbeeld, nu sprake is van een vergelijkbare situatie waarin kosten onvermijdelijk doorlopen gedurende detentie en het achterwege laten van vergoeding zou leiden tot een aanzienlijke (financiële) ontwrichting voor eiseres. In deze zaak staat immers vast dat eiseres door de kantonrechter onder curatele is gesteld. Het staat ook vast dat de curator kosten maakt voor zijn werkzaamheden. Deze kosten lopen op gedurende de detentie. Eiseres is kwetsbaar en het is noodzakelijk dat zij een curator heeft, ook tijdens detentie. Te meer in de laatste fase van detentie waarin haar terugkeer naar de samenleving geregeld moet worden. De rechtbank vindt het niet aanvaardbaar dat zij na detentie met een schuld wordt geconfronteerd die zij niet heeft kunnen voorkomen. Daarnaast speelt in deze zaak mee dat onduidelijk is gebleven of de financiële verantwoordelijkheid van het ministerie van Justitie voor de noodzakelijke kosten van bestaan gedurende detentie, zover strekt dat het ministerie ook verantwoordelijk is voor het betalen van de kosten van de curatele. Daarbij overweegt de rechtbank dat indien verweerder zelf niet kan aangeven welke instantie/ afdeling verantwoordelijk is voor vergoeding van deze kosten, niet valt in te zien hoe eiseres geacht kan worden dit wel te weten. De rechtbank merkt in dit verband op dat ook zij, na raadpleging van publiek toegankelijke informatiebronnen, geen duidelijkheid heeft kunnen verkrijgen over de verantwoordelijke instantie. Deze onduidelijkheid mag naar het oordeel van de rechtbank niet voor rekening van eiseres komen. Te meer niet gelet op de kwetsbare situatie waarin zij zit.
Ten overvloede
14. Als eiseres uit detentie is en voor zover verweerder bij zijn standpunt blijft dat deze kosten door het ministerie van Justitie moeten worden vergoed, ligt het op de weg van verweerder om de vergoeding van deze kosten bij het ministerie te verhalen. Dan wel had verweerder (de gemachtigde en/of curator) van eiseres moeten informeren bij welke specifieke afdeling binnen het ministerie de kosten kunnen worden ingediend.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. Verweerder moet eerst de bijzondere bijstand per 1 maart 2024 in laten gaan, moet onderzoeken of eiseres inmiddels uit detentie is en moet onderzoeken tot welk bedrag de kosten zijn opgelopen.
16. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.
17. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak el Idrissi, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
griffier
rechter
Is verhinderd om deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Opgelegd op grond van artikel 1:378 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) van 15 mei 2025, ECLI:NL:CRVB:2025:700.
3.Zie de uitspraak van de Raad van 27 juni 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1192.