ECLI:NL:RBAMS:2026:153

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
13/279805-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Tussenuitspraak over Europees Aanhoudingsbevel en effectieve rechtsbescherming

Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam een tussenuitspraak gedaan in een zaak betreffende een Europees Aanhoudingsbevel (EAB) dat is uitgevaardigd door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie in München, Duitsland. De zaak betreft de opgeëiste persoon, geboren in 1999, die wordt verdacht van betrokkenheid bij grensoverschrijdende BTW-fraude. De rechtbank heeft de behandeling van het EAB op 31 december 2025 gestart, waarbij de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, aanwezig was. De opgeëiste persoon werd bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak op grond van de Overleveringswet (OLW) met 30 dagen verlengd om de raadsvrouw in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over een verweer op basis van artikel 9 OLW (ne bis in idem). De zaak is vervolgens op 7 januari 2026 voortgezet met een andere officier van justitie, mr. A. Keulers, waarbij de opgeëiste persoon via videoverbinding aanwezig was. De rechtbank heeft vragen over de effectieve rechtsbescherming en de bevoegdheid van de gedelegeerd Europese aanklager aan de uitvaardigende autoriteit voorgelegd. De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in Duitsland en de genoegzaamheid van het EAB beoordeeld. De rechtbank heeft de zaak heropend en het onderzoek geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de vragen aan de uitvaardigende autoriteit voor te leggen. De beslissing over de weigeringsgrond van artikel 13 OLW is aangehouden tot er duidelijkheid is over mogelijke overlap met een lopende Nederlandse strafvervolging. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd met zestig dagen en de gevangenhouding van de opgeëiste persoon eveneens verlengd.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/279805-25
Datum uitspraak: 14 januari 2026
TUSSEN-UITSPRAAK
op de vordering van 31 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 20 oktober 2025 door de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie – Centrum München, Duitsland (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1999 in [geboorteplaats] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 31 december 2025, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2]
De rechtbank heeft de zaak voor bepaalde tijd aangehouden om de advocaat van de opgeëiste persoon in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken aan het openbaar ministerie in het kader van een verweer op grond van artikel 9, eerste lid onder a OLW (ne bis in idem) zodat daar op een volgende zitting meer duidelijkheid over zou kunnen worden gegeven, ook door het openbaar ministerie.
De behandeling van het EAB is, met toestemming van partijen in gewijzigde samenstelling van de rechtbank, voortgezet op de zitting van 7 januari 2026, in aanwezigheid van mr. A. Keulers, officier van justitie. De opgeëiste persoon en zijn raadsvrouw, mr. S.A. Heukers, advocaat in Leeuwarden, zijn door middel van een videoverbinding aanwezig.
Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenhouding bevolen met gelijktijdige schorsing van dat bevel tot aan de uitspraak.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3.Grondslag en inhoud van het EAB

Het EAB vermeldt een aanhoudingsbevel ten behoeve van de voorlopige hechtenis, uitgevaardigd door het Kantongerecht in München op 25 september 2025, met dossiernummer 1011 Gs 2510/25 jug.
De uitvaardigende justitiële autoriteit verzoekt de overlevering vanwege het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten. Deze feiten zijn omschreven in het EAB. [3]
De raadsvrouw heeft verzocht om, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Hof van Justitie EU”) van 1 juni 2016 in de zaak Bob-Dogi [4] , nadere vragen te stellen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om na te gaan of daadwerkelijk sprake is van een nationaal aanhoudingsbevel en wat de inhoud hiervan is, zodat dit kan worden getoetst.
De rechtbank overweegt dat in het arrest Bob-Dogi is uitgemaakt dat voor vervolgingsoverlevering vereist is dat een (van het EAB onderscheiden) separaat nationaal aanhoudingsbevel bestaat, dat is uitgevaardigd door een rechterlijke autoriteit; het EAB kan niet ook als nationaal aanhoudingsbevel fungeren. Daarnaast volgt uit het arrest Bob-Dogi, kort samengevat, dat aan een EAB geen gevolg dient te worden gegeven als daarin geen melding wordt gemaakt van een nationaal aanhoudingsbevel en nadere verzoeken tot informatieverschaffing hierover er niet toe hebben geleid dat de uitvoerende justitiële autoriteit kan vaststellen dat er daadwerkelijk een nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd dat zich onderscheidt van het EAB. In de onderhavige zaak is die situatie niet aan de orde, omdat in het EAB melding is gemaakt van een separaat nationaal aanhoudingsbevel, uitgevaardigd door het Kantongerecht in München. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen. Er is dus geen reden om aanvullende vragen te stellen.
3.1
Rechterlijke autoriteit en effectieve rechtsbescherming
Standpunt van de opgeëiste persoon
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat niet kan worden getoetst of de gedelegeerd Europese aanklager van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”) de bevoegdheid had tot het uitvaardigen van het EAB. Weliswaar is in het EAB sprake van een bedrag aan btw-schade van €22.000.000,-, maar dit is ongefundeerd. Dit is voorts van belang, omdat niet is getoetst door een rechter in Duitsland of het nodig was een EAB uit te vaardigen.
Ook heeft de opgeëiste persoon zelf aangevoerd dat ten onrechte niet door een rechter, maar slechts door een openbaar aanklager, getoetst is of het uitvaardigen van het EAB in het onderhavige geval proportioneel was. Hij heeft er in dat kader op gewezen dat de gevolgen van het EAB voor hem en zijn familie groot zijn.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de uitvaardigende justitiële autoriteit bevoegd is om een EAB uit te vaardigen, hetgeen onder meer blijkt uit de uitspraak van de rechtbank van 23 november 2023 [5] .
Oordeel van de rechtbank
Bevoegdheid gedelegeerd Europees aanklager tot het uitvaardigen van een EAB
De rechtbank heeft bij haar uitspraak van 23 november 2023 geoordeeld dat een gedelegeerd Europese aanklager de zelfstandige bevoegdheid heeft om een EAB uit te vaardigen op grond van de Verordening 2017/1939 (“EOM-Verordening”) [6] . Voor zover de raadsvrouw heeft aangevoerd dat de gedelegeerd Europese aanklager in dit geval mogelijk niet bevoegd was, naar de rechtbank begrijpt op grond van artikel 22, eerste lid EOM-Verordening, omdat het schadebedrag niet hoger is dan 10 miljoen euro, gaat de rechtbank hier aan voorbij, alleen al omdat deze stelling feitelijke grondslag mist. Het EAB vermeldt immers dat de schade minimaal 22 miljoen euro bedraagt en er bestaat geen reden om daaraan te twijfelen.
Effectieve rechterlijke bescherming bij het uitvaardigen van een EAB
Indien een lidstaat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een vervolgings-EAB heeft opgedragen een autoriteit die weliswaar aan de rechtsbedeling in de betrokken lidstaat deelneemt, maar zelf geen rechter of rechterlijke instantie is (zoals het Openbaar Ministerie), moet volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie de beslissing om een EAB uit te vaardigen en met name de evenredigheid van een dergelijke beslissing in de betreffende lidstaat het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep in rechte dat volledig voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit een effectieve rechterlijke bescherming.
De vraag rijst of deze rechtspraak ook geldt, indien een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door een gedelegeerd Europese aanklager. Dat de gedelegeerd Europese aanklager bevoegd is om een EAB uit te vaardigen betekent immers niet zonder meer dat ook sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming bij het uitvaardigen van dit EAB.
In dit verband wijst de rechtbank voorts op overweging 30 van de preambule van de EOM-verordening (onderstreping rechtbank) [7] :
De onderzoeken van het EOM dienen in de regel te worden uitgevoerd door gedelegeerd Europese aanklagers in de lidstaten. Zij dienen dit te doen overeenkomstig deze verordening en wat betreft aangelegenheden die niet onder deze verordening vallen, overeenkomstig het nationale recht. Gedelegeerd Europese aanklagers dienen hun taken uit te voeren onder het toezicht van de toezichthoudende Europese aanklager en onder leiding en op instructie van de bevoegde permanente kamer. Indien het nationale recht van een lidstaat voorziet in interne toetsing van bepaalde besluiten binnen de structuur van het openbaar ministerie, dient de toetsing van dergelijke door de gedelegeerd Europese aanklager genomen besluiten te vallen onder de toezichtsbevoegdheden van de toezichthoudende Europese aanklager, overeenkomstig het reglement van orde van het EOM. In dergelijke gevallen dienen de lidstaten niet verplicht te worden te voorzien in toetsing door de nationale rechter,zonder evenwel afbreuk te doen aan artikel 19 VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De rechtbank acht het van belang om hieromtrent duidelijkheid te krijgen, met het oog op het volgende.
Bij uitspraak van 13 november 2025 [8] heeft deze rechtbank ten aanzien van een Grieks overleveringsverzoek prejudiciële vragen gesteld over – kort gezegd – onder meer effectieve rechterlijke bescherming in het geval van een vervolgings-EAB dat door een Griekse officier van justitie was uitgevaardigd en waarbij het nationale aanhoudingsbevel door een rechterlijke instantie was uitgevaardigd. De rechtbank wil onderzoeken of zij in lijn met de voornoemde uitspraak van 13 november 2025 hierover in deze zaak eveneens een prejudiciële vraag moet stellen. Het is namelijk ook in deze zaak vooralsnog niet voldoende duidelijk of sprake is geweest van effectieve rechterlijke bescherming, hetzij op het niveau van het EAB, hetzij op het niveau van de nationale rechterlijke beslissing waarop het EAB is gebaseerd. Indien echter blijkt dat in deze zaak daarvan wel sprake is geweest, kan de hiervoor opgeworpen vraag of de bedoelde rechtspraak van het Hof van Justitie ook van toepassing is indien een vervolgings-EAB is uitgevaardigd door een gedelegeerd Europees aanklager, in het midden blijven.
Dat in het onderhavige geval het nationale aanhoudingsbevel door een rechter (het kantongerecht in München) is afgegeven, maakt immers niet zonder meer dat aan de in de jurisprudentie van het Hof van Justitie EU vastgelegde vereisten is voldaan. Mogelijk heeft deze rechter ook de proportionaliteit en evenredigheid van het uitvaardigen van het EAB beoordeeld, maar dat is zonder nadere toelichting niet vast te stellen en moet worden nagevraagd bij de uitvaardigende autoriteit. Daarbij geldt dat, anders dan de rechtbank in enkele eerdere uitspraken heeft geoordeeld, met de eventuele mogelijkheid om een beslissing tot uitvaardiging van het EAB achteraf - dus na overlevering ("a posteriori”) - rechterlijk te toetsen niet per definitie is voldaan aan de vereisten van een effectieve rechterlijke bescherming. De rechtbank wenst dan ook geïnformeerd te worden over de reikwijdte van de rechterlijke toetsing bij de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel, met name over de vraag of de rechter daarbij geoordeeld heeft over de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB. Indien dat niet het geval is, is mogelijk op andere wijze in het Duitse recht voorzien in een dergelijke toets door een rechter. Daarom wenst de rechtbank te worden geïnformeerd of de beslissing van de gedelegeerd Europese aanklager tot uitvaardiging van een EAB met het oog op strafvervolging vatbaar is voor een afzonderlijke toets door een rechter in de uitvaardigende lidstaat vóór de overlevering.
De rechtbank verzoekt het openbaar ministerie daarom aan de uitvaardigende justitiële autoriteit de volgende vragen voor te leggen:
1) Zijn bij de uitvaardiging van het nationaal aanhoudingsbevel, dan wel op een later moment, (ook) de noodzakelijke voorwaarden voor de uitvaardiging van dit EAB, en met name de evenredigheid ervan, getoetst door de rechter die dat aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd dan wel een andere rechter?
2) Zo nee, is er dan wel de mogelijkheid om de evenredigheid van de uitvaardiging van het EAB door een rechter in de uitvaardigende lidstaat te laten toetsen, voordat de feitelijke overlevering van de opgeëiste persoon naar Duitsland plaatsvindt?
De rechtbank zal het onderzoek ter zitting daarom heropenen en direct schorsen, teneinde de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om voornoemde vragen te stellen. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank de mogelijkheid om de beslistermijn op grond van artikel 22, vierde lid, OLW met zestig dagen te verlengen onder gelijktijdige verlenging van de (geschorste) gevangenhouding met zestig dagen.
3.2
Genoegzaamheid
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat het EAB niet vermeldt welke concrete overtredingen door de opgeëiste persoon zijn begaan. In ieder geval blijkt de mate van betrokkenheid bij het strafbare feit niet. Verder blijkt ook niet dat er een verband is tussen de opgeëiste persoon en de (vermeende) overtredingen die zijn gepleegd in Duitsland door de genoemde Duitse partijen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het EAB genoegzaam is.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens moet bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. Verder moet het voor de rechtbank duidelijk zijn of het verzoek voldoet aan de in de OLW genoemde vereisten. Zo moet het EAB een beschrijving bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Die beschrijving moet ook de naleving van het specialiteitsbeginsel kunnen waarborgen.
Naar het oordeel van de rechtbank is – mede in aanmerking genomen dat sprake is van een overlevering in het kader van strafrechtelijk onderzoek – met de omschrijving in het EAB voldoende duidelijk voor de opgeëiste persoon waarvoor zijn overlevering wordt verzocht. De verdenking ziet op betrokkenheid bij grensoverschrijdende BTW-fraude in een crimineel samenwerkingsverband, gepleegd in de periode van 1 januari 2019 tot en met 25 september 2025 in [pleegplaats 2] (Duitsland) en [pleegplaats 1] (Nederland), waarbij de opgeëiste persoon als dader is aangemerkt. Daarmee is voldaan aan de in de OLW genoemde vereisten voor genoegzaamheid.
Ten aanzien van wat de raadsvrouw verder naar voren heeft gebracht, merkt de rechtbank op dat de uitvaardigende justitiële autoriteit de gronden van verdenking niet hoeft te vermelden. Het is namelijk niet aan deze rechtbank om te toetsen of er voldoende gronden zijn voor de beschreven verdenking dan wel om de rechtmatigheid van deze gronden te beoordelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer.

4.Strafbaarheid; feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

De uitvaardigende justitiële autoriteit wijst de strafbare feiten aan als zogenoemde lijstfeiten, die in Nederland in de lijst van bijlage 1 bij de OLW staan vermeld, te weten:
deelneming aan een criminele organisatie;
fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad zoals bedoeld in de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen.
Uit het EAB volgt dat op deze feiten naar het recht van Duitsland een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld.
Dit betekent dat een onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, achterwege moet blijven.

5.De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit en beroept zich op de garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW. De rechtbank stelt vast dat de opgeëiste persoon zodanige banden heeft met Nederland, dat de tenuitvoerlegging van een eventueel na overlevering opgelegde straf, uit het oogpunt van maatschappelijke re-integratie beter in Nederland kan plaatsvinden dan in de uitvaardigende lidstaat. De opgeëiste persoon heeft immers het centrum van zijn gezinsleven en zijn belangen in Nederland gevestigd. [9]
Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, wanneer is gewaarborgd dat de opgeëiste persoon, in geval van veroordeling in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf na overlevering, deze straf in Nederland mag ondergaan.
De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft bij brief van 28 oktober 2025 de volgende garantie gegeven:
“(…) Mocht de opgeëiste persoon na zijn definitieve veroordeling door een Duitse rechtbank instemmen met zijn terugzending ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de veroordeling in Nederland, dan wordt toegezegd (…) dat hij de straf in Nederland kan ondergaan (…)”.
Naar het oordeel van de rechtbank is deze garantie voldoende.

6.Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13 OLW

Het EAB ziet op feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd. In zo’n situatie kan de rechtbank de overlevering weigeren. [10]
Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw van de opgeëiste persoon verzoekt de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, nu de feiten deels in Nederland zijn gepleegd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie verzoekt de rechtbank af te zien van deze weigeringsgrond en voert daartoe het volgende aan:
- het onderzoek is in Duitsland aangevangen;
- het bewijs bevindt zich in Duitsland;
- de slachtoffers in Duitsland zijn benadeeld;
- in Nederland is er, behalve de doorzoeking, nog geen verdere vervolgingsbeslissing genomen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet aanleiding om de beslissing over de weigeringsgrond van artikel 13 OLW, mede gelet op het vierde door de officier van justitie genoemde argument om daarvan af te zien, aan te houden tot er duidelijkheid bestaat over mogelijke overlap tussen het in Nederland lopende strafrechtelijk onderzoek en de feiten als genoemd in het EAB. De rechtbank verwijst in dat verband naar hetgeen hierna onder punt 7 wordt overwogen.

7.Artikel 9 lid 1 OLW; ne bis in idem

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat sprake is van overlap tussen de feiten in het EAB en een lopende Nederlandse strafvervolging. Er heeft namelijk op 27 mei 2024 een doorzoeking plaatsgevonden bij het bedrijf van de opgeëiste persoon (hetgeen blijkt uit de lijst van inbeslaggenomen goederen door de FIOD) en hij is ook gehoord als verdachte. In beide onderzoeken gaat het om de verdenking van onjuiste toepassing van de margeregeling en zouden de feiten (in ieder geval gedeeltelijk) in Nederland hebben plaatsgevonden. Ook de periode waarin de strafbare feiten gepleegd zouden zijn, komt (deels) overeen. De overlevering moet daarom worden geweigerd.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid onder a OLW niet aan de orde is, omdat er geen overlap is in de feiten uit het EAB en het Nederlandse onderzoek. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft zij email-correspondentie overgelegd. Hieruit blijkt onder meer dat de opgeëiste persoon in een Nederlandse strafzaak inderdaad op 20 november 2024 is gehoord als verdachte door het functioneel parket. Ook blijkt hier echter uit dat het onderzoek in Nederland andere feiten betreft. Subsidiair heeft de officier van justitie aangevoerd dat kan worden afgezien van toepassing van de weigeringsgrond, omdat bij een eventuele vervolging in Nederland de feiten die in het EAB genoemd worden, buiten beschouwing kunnen worden gehouden of de strafvervolging voor het Nederlandse deel aan Duitsland kan worden overgedragen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Uit de door de officier van justitie ter zitting overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de Nederlandse zaaksofficieren van justitie op 17 oktober 2025 aan (naar de rechtbank begrijpt) de gedelegeerd Europese aanklager van het EOM een omschrijving van de feiten en de verdenkingen uit het Nederlandse onderzoek hebben gestuurd, met de vraag of overlap bestaat in de Nederlandse en Duitse onderzoeken. Het antwoord hierop is niet door de officier van justitie overgelegd. In een e-mail van 6 januari 2026 heeft de zaaksofficier van justitie in het Nederlandse onderzoek aan het IRC bericht dat volgens zijn lezing van het EAB het Duitse onderzoek ziet op andere feiten dan het Nederlandse onderzoek.
Voor de beoordeling of de onderzoekshandelingen in de Nederlandse zaak zagen op (deels) dezelfde feiten als de feiten die worden genoemd in het EAB, acht de rechtbank het van belang hierover eveneens het standpunt van de uitvaardigende justitiële autoriteit te vernemen. De rechtbank zal de zaak daarom tevens heropenen en aanhouden om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om aan de uitvaardigende justitiële autoriteit te vragen of het Duitse strafrechtelijk onderzoek (mede) ziet op de in de voornoemde e-mail van 17 oktober 2025 omschreven verdenkingen.

8.Artikel 11 OLW; detentieomstandigheden

Standpunt van de raadsvrouw
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er nadere informatie moet worden ingewonnen of er is gegarandeerd dat de opgeëiste persoon tijdens zijn transport naar Duitsland en in detentie in Duitsland de aan hem voorgeschreven medicatie kan krijgen. Verder bestaat er, gelet op de brief van het EOM van 17 december 2025, een reële kans dat hij in Duitsland (langere tijd) in beperkingen wordt geplaatst tijdens het Duitse voorarrest. Dit levert een concreet gevaar voor schending van de grondrechten op. Uit het rapport van de Duitse
National Agency for the Prevention of Torture(NAPT) uit 2022 blijkt dat voorlopig gedetineerden met beperkingen vaak 23 uur per dag op cel verblijven. Ook in de FRA Country Study “
Criminal detention in the EU-Germany” van 2022 wordt het probleem van 23 uur opsluiting opgenomen. Daarom moet de overlevering worden geweigerd. Subsidiair moeten nadere inlichtingen hierover worden ingewonnen bij de Duitse autoriteiten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de detentieomstandigheden geen beletsel vormen voor de overlevering. Of de opgeëiste persoon in beperkingen wordt geplaatst in Duitsland is een onzekere toekomstige gebeurtenis waar niet op vooruit kan worden gelopen. Daarnaast wordt die beslissing door een Duitse rechter getoetst en er is geen algemeen gevaar op schending van een eerlijk proces in Duitsland.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat zij in haar uitspraak van 4 december 2025 [11] al heeft geoordeeld dat het door de raadsvrouw genoemde rapport van het NAPT op zichzelf onvoldoende is om een algemeen reëel gevaar aan te nemen. Het rapport van de FRA werpt hier naar het oordeel van de rechtbank geen ander licht op. Dit rapport bevat in hoofdstuk 3 een beschrijving van de Duitse regelgeving ten aanzien van de tijd die een gedetineerden buiten de cel kan verblijven en in hoofdstuk 4 een beschrijving van de regelgeving ten aanzien van beperkingen, waaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat er voor Duitse gedetineerden een algemeen gevaar bestaat dat zij worden blootgesteld aan mensonterende of vernederende omstandigheden, noch in reguliere detentie, noch in beperkingen. Verder heeft de rechtbank geen algemeen gevaar aangenomen voor gedetineerden in Duitsland die medicatie behoeven. De raadsvrouw heeft geen objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens verstrekt die duiden op een dergelijk gevaar en ook ambtshalve zijn dergelijke gegevens niet bekend bij de rechtbank. Het verweer wordt daarom verworpen.

9.Beslissing

HEROPENTen
SCHORSThet onderzoek voor onbepaalde tijd om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen de onder 3.1 en 7 genoemde vragen aan de uitvaardigende justitiële autoriteit voor te leggen.
VERLENGTde termijn waarbinnen de rechtbank op grond van artikel 22, eerste en derde lid, OLW uitspraak moet doen op grond van artikel 22, vierde lid en onder a, OLW met zestig dagen, onder gelijktijdige verlenging van de geschorste gevangenhouding met zestig dagen op grond van artikel 27, derde lid, OLW.
BEPAALTdat de zaak vanwege het verstrijken van de verlengde beslistermijn op 20 maart 2026, uiterlijk veertien dagen voor die datum opnieuw op zitting moet worden gepland.
BEVEELTde oproeping van de opgeëiste persoon tegen nader te bepalen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan zijn raadsvrouw.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. B.M. Vroom-Cramer en D.L.S. Ceulen, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 14 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.
3.Zie onderdeel e) van het EAB.
4.ECLI:EU:C:2016:385.
6.Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”), L 283/1.
7.Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie (“EOM”), L 283/1.
9.Hof van Justitie van de Europese Unie, 6 juni 2023, C-700/21, O. G. (
10.Artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, OLW.