ECLI:NL:RBAMS:2026:1459

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
11 februari 2026
Zaaknummer
13.118492.25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 WVWArt. 5 WVWArt. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling bestuurder voor dodelijk verkeersongeval door aanmerkelijke onvoorzichtigheid

Op 15 januari 2025 veroorzaakte de verdachte een dodelijk verkeersongeval in Amsterdam-Centrum. Hij reed met een bedrijfsauto tegen de rijrichting in op het fietspad, sloeg zonder richting aan te geven rechtsaf naar een voetgangersoversteekplaats en reed vervolgens linksaf de rijbaan op, waarbij hij een voetganger aanreed die ter plaatse overleed.

De officier van justitie stelde dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend had gedragen, wat leidde tot het ongeval. Verdachte erkende de gedragingen maar voerde aan dat hij voorzichtig had gereden en dat het een moment van onoplettendheid betrof. De rechtbank oordeelde dat verdachte bewust de verkeersregels overtrad en onvoldoende oplettend was, ondanks goed zicht en voldoende tijd om de voetganger te zien.

De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte schuld had aan het ongeval en veroordeelde hem tot 240 uur taakstraf met een vervangende hechtenis van 120 dagen bij niet-naleving, en een rijontzegging van één jaar waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De straf houdt rekening met de ernst van het feit, de gevolgen voor het slachtoffer en nabestaanden, en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 240 uur taakstraf en een rijontzegging van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens aanmerkelijke onvoorzichtigheid die leidde tot een dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.118492.25
Datum uitspraak: 12 februari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1986,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. van der Veen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. A.E. Brussen naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
Primair: het zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan een voetganger ( [slachtoffer] ) is overleden;
Subsidiair:het zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig gedragen dat
daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Juridisch kader
Voor een bewezenverklaring van schuld aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW Pro, zoals primair is ten laste gelegd, is vereist dat uit de bewijsmiddelen volgt dat bij de verdachte op zijn minst sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid, onoplettendheid en/of onachtzaamheid.
Voor de beantwoording van de vraag of de verdachte zodanig onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam is geweest dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW Pro komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.
Dit brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van deze bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. [1]
3.2.
Feiten en omstandigheden
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [2]
Op 15 januari 2025 vond op de Nieuwezijds Voorburgwal een verkeersongeval plaats tussen een bedrijfsauto en een voetganger. De bedrijfsauto reed op de Nieuwezijds Voorburgwal (oneven zijde) tegen de rijrichting in op het fietspad en sloeg vervolgens zonder richting aan te geven rechtsaf naar de voetgangersoversteekplaats om via deze voetgangersoversteekplaats naar de overkant (de even zijde van de Nieuwezijds Voorburgwal) te rijden. Aan de overkant gekomen heeft hij een van rechts komende personenauto voor laten gaan, waarna hij optrok en – blijkens de beelden en zijn verklaring ter zitting – zonder richting aan te geven naar links stuurde om in te voegen op de rijbaan van de Nieuwezijds Voorburgwal. Daarbij reed hij de op dat moment op de voetgangersoversteekplaats overstekende voetganger [slachtoffer] , aan. [3]
[slachtoffer] is ter plaatse overleden aan de gevolgen van dit ongeval. [4]
3.3
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet Pro 1994 (hierna: WVW) wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De gedragingen van verdachte dienen te worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig. Doordat verdachte handelde in strijd met de verkeersregels was extra oplettendheid vereist, zeker nu hij op een voetgangersoversteekplaats reed. [slachtoffer] hoefde verdachte daar niet te verwachten. Zij hoefde al helemaal niet te verwachten dat verdachte haar geen voorrang zou verlenen.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] over het hoofd heeft gezien. Blijkens onderzoek was het zicht vanuit zijn positie in de bestelbus goed en had hij [slachtoffer] zeker twintig seconden in beeld moeten hebben gehad. Bovendien kan, gelet op de plek van de aanrijding, worden geconcludeerd dat [slachtoffer] al een eind op de voetgangersoversteekplaats was. Het niet zien van [slachtoffer] betreft dus geen momentopname, maar een langere periode van onoplettendheid. Nu hij zichzelf in de positie had geplaatst dat hij via die voetgangersoversteekplaats de weg op wilde rijden, had verdachte extra voorzichtigheid moeten betrachten. Dit heeft hij niet gedaan. Door deze gedragingen is sprake van aanmerkelijke schuld aan het ongeval ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden.
3.4
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde vrij te spreken.
Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is het volgende aangevoerd.
Verdachte erkent weliswaar dat hij de verweten gedragingen heeft verricht, zoals het rijden op het fietspad tegen de rijrichting in en het oversteken van de weg via de voetgangersoversteekplaats, maar hij heeft daarbij zeer voorzichtig gereden. De gedragingen betreffen opeenvolgende en gecontroleerde manoeuvres. Een (voorgaande) verkeersfout leidt niet zonder meer tot de conclusie dat sprake is van aanmerkelijke onvoorzichtigheid of gevaarzettend gedrag. Verdachte reed namelijk met lage snelheid en zonder dat daarbij fietsers of voetgangers werden gehinderd of in gevaar gebracht omdat die er op dat moment niet waren.
Deze route was de enige manier om de benodigde materialen voor zijn werkzaamheden ter plaatse te krijgen en weer weg te komen, en werd ook door anderen regelmatig gebruikt.
Van belang is vooral dat verdachte na het oversteken tot stilstand kwam vóór de rijbaan aan de overkant van de Nieuwezijds Voorburgwal. Het ongeval vond daarna plaats. Er is daarmee geen sprake van een gevaarzettend patroon vóórdat het incident plaatsvond: deze gedragingen waren immers voltooid toen verdachte de auto tot stilstand bracht. Het feit dat hij voor de auto stopte laat ook zien dat hij zich bewust was van de situatie en voorzichtig handelde. Ook getuige [naam getuige] verklaart dat hij meende dat hij verdachte naar links en naar rechts zag kijken. Verdachte heeft na het laten passeren van de van rechts komende auto zijn weg vervolgd en heeft op dat moment [slachtoffer] niet gezien. Hij had ook niet direct door dat hij een persoon raakte. Hoe triest het ook is, dit kan moeilijk anders worden geduid dan een kort moment van onoplettendheid. Nu het dossier geen informatie bevat over de snelheid waarmee [slachtoffer] zich verplaatste of hoe zij zich verplaatste, kan niet worden uitgesloten dat zij een ongewone of plotselinge manoeuvre maakte of zich zodanig voortbewoog dat verdachte daar ook niet op bedacht hoefde te zijn. Dit enkele moment van onoplettendheid is onvoldoende voor bewezenverklaring van artikel 6 WVW Pro.
Dit geldt ook voor het subsidiair ten laste gelegde. Zoals hiervoor weergegeven ontbreekt een concreet en voorzienbaar gevaar. Uit het dossier volgt niet dat tijdens de manoeuvres van verdachte andere verkeersdeelnemers zijn gehinderd of in gevaar zijn gebracht en de begane overtredingen kunnen dan ook niet zonder meer tot de conclusie leiden dat gevaar in de zin van artikel 5 WVW Pro kan worden aangenomen. Dit geldt te meer nu verdachte er alles aan gedaan heeft om voorzichtig en rustig te rijden en zich bewust te zijn van andere deelnemers en daarvoor ook is gestopt. Wat heeft plaatsgevonden, betreft een menselijke fout, een moment van onoplettendheid, hetgeen ook onvoldoende is voor bewezenverklaring van artikel 5 WVW Pro.
3.5
Het oordeel van de rechtbank
De vraag is of verdachte schuld heeft gehad aan het verkeersongeval.
Op grond van de onder 3.2 genoemde feiten en omstandigheden stelt de rechtbank het volgende vast.
Verdachte heeft als bestuurder tegen het verkeer in gereden op het fietspad van de Nieuwezijds Voorburgwal. Vervolgens is hij, zonder richting aan te geven, rechtsaf geslagen en via de voetgangersoversteekplaats naar de overzijde van de Nieuwezijds Voorburgwal gereden, waar hij – nadat hij een auto voorbij had laten gaan –, wederom zonder richting aan te geven, links afsloeg om de Nieuwezijds Voorburgwal aan de andere zijde te vervolgen. Verdachte heeft bewust voor deze route gekozen en daarmee ook het opzet gehad op het overtreden van de geldende verkeersregels. Van hem mocht op dat moment dan ook extra voorzichtigheid worden verwacht bij het besturen van zijn bedrijfsauto.
Weliswaar heeft verdachte vóórdat hij vanaf de voetgangersoversteekplaats de rijbaan van de Nieuwezijds Voorburgwal op reed geremd voor een van rechts komende auto, maar dat maakt niet dat de daaraan voorafgaande gedragingen zoals hiervoor genoemd, niet mede een rol spelen bij de beoordeling van het feit. Het komt immers aan op het geheel van gedragingen van verdachte. Hoewel verdachte verklaarde dat hij voorzichtig reed en geen haast had, kan dit niet worden afgeleid uit de camerabeelden: verdachte gaf geen richting aan toen hij vanaf het fietspad rechtsaf de voetgangersoversteekplaats op wilde rijden en liet aan de overkant van de voetgangersoversteekplaats, zijn rem al los en begon met rijden nog voordat de van rechts komende witte auto hem volledig was gepasseerd. Hij stuurde hierbij direct zijn bedrijfsauto rechtsaf over de voetgangersoversteekplaats. Ook hierbij gaf hij geen richting aan. Gelet op de opzettelijke overtreding die hij op dat moment beging (het oversteken via de voetgangersoversteekplaats) had van verdachte verwacht mogen worden dat hij extra oplettend was en dus dat hij in ieder geval zijn richting aan zou geven,rustig zou rijden en tijdens het rijden volledig zicht op zijn rijroute over de voetgangersoversteekplaats zou houden. Dit heeft hij niet gedaan en daarmee heeft hij, anders dan hij heeft verklaard, niet voorzichtig en overeenkomstig de daartoe vereiste zorgvuldigheid, gereden.
Verder geldt dat uit het verrichte cabineonderzoek is gebleken dat verdachte vanuit zijn bedrijfsauto goed zicht had op de omgeving en hij [slachtoffer] al langere tijd, circa 20 seconden, had moeten zien lopen. [5]
Het feit dat verdachte [slachtoffer] , die op dat moment op de voetgangersoversteekplaats aan het oversteken was, desondanks niet heeft opgemerkt betekent dan ook dat hij zich er niet en zeker niet in voldoende mate van vergewist had dat het direct voor en naast hem gelegen gedeelte van de voetgangersoversteekplaats vrij was van enig (voetgangers)verkeer .
Door desondanks op te trekken en naar links te sturen, heeft hij [slachtoffer] geraakt.
De enkele stelling dat verdachte [slachtoffer] niet heeft gezien, kan bij deze opeenvolging van onvoorzichtige gedragingen niet als kortdurend moment van onoplettendheid worden gezien. De rechtbank oordeelt dat verdachte door zo te handelen dan ook aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden. Door dit rijgedrag heeft verdachte een ongeval veroorzaakt, waardoor [slachtoffer] is overleden.
Dit maakt dat het primair ten laste gelegde, overtreding van artikel 6 WVW Pro, is bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in 3.2 en 3.5 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
ten aanzien van het primair ten laste gelegde:
op 15 januari 2025 te Amsterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een bedrijfsauto, daarmee rijdende op de Nieuwezijds Voorburgwal, zich zodanig, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden,
waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , is gedood,
bestaande dat gedrag hieruit:
verdachte heeft met zijn bedrijfsauto gereden over de Nieuwezijds Voorburgwal, aan de oneven zijde, over het fietspad, tegen de rijrichting in, en
verdachte is ter hoogte van een voetgangersoversteekplaats rechtsaf geslagen en
verdachte is vervolgens, in strijd met de rijrichting, via die voetgangsoversteekplaats naar de overzijde van de Nieuwezijds Voorburgwal gereden, en
verdachte heeft aan de overzijde van de Nieuwezijds Voorburgwal een auto laten voorgaan om vervolgens linksaf te slaan om de rijbaan weer op te rijden in de juiste rijrichting en
verdachte heeft zich er daarbij niet of in onvoldoende mate van vergewist dat het direct voor en naast hem gelegen gedeelte van de voetgangersoversteekplaats vrij was van enig kruisend voetgangersverkeer en
verdachte heeft bij het links afslaan een voetganger, te weten [slachtoffer] , die zich op dat moment op die voetgangersoversteekplaats bevond om de Nieuwezijds Voorburgwal in tegenovergestelde richting over te steken, niet voor laten gaan en
verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] aangereden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, en tot een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met het feit dat hij geen strafblad heeft. Verdachte heeft het rijbewijs nodig voor zijn werk als timmerman. Hij is kostwinner, zodat niet alleen hij maar ook zijn gezin zijn inkomsten niet kunnen missen. Daarnaast werkt verdachte vijf á zes dagen per week. Indien hij t een taakstraf moet verrichten, is dat vrijwel niet te combineren. Daarom is verzocht de taakstraf voorwaardelijk op te leggen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt ten gevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Dit is een ernstig feit omdat in het verkeer medeweggebruikers op elkaar moeten kunnen vertrouwen als het gaat om het naleven van de verkeersregels die ten behoeve van de veiligheid zijn opgesteld.
Blijkens de slachtofferverklaringen van de partner en twee zussen van [slachtoffer] , is hun leven door het overlijden van [slachtoffer] ernstig ontwricht en is sprake van aanzienlijke gederfde levensvreugde. De rechtbank rekent dit verdachte aan.
De rechtbank is zich er daarbij van bewust dat er bij feiten als deze alleen maar verliezers zijn: ook verdachte heeft dit ongeval en de gevolgen voor [slachtoffer] en de nabestaanden niet gewild.
Voor wat betreft de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar straffen die voor soortgelijke gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd.
Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de gedragingen en de gevolgen daarvan, is de rechtbank van oordeel dat voor dit feit in beginsel een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar in de rede liggen.
De rechtbank heeft bij het opleggen van de straf echter ook rekening gehouden met het volgende.
Er is acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 11 december 2025. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit.
Daarnaast heeft de rechtbank gelet op het persoonlijk belang van verdachte, namelijk dat hij kostwinner is voor zijn gezin en zijn rijbewijs voor zijn werk nodig is. De rechtbank acht het daarom niet passend om verdachte op dit moment een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de volle periode van één jaar op te leggen.
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd en acht navolgende straf passend en geboden.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9.Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
ten aanzien van het primair ten laste gelegde:
overtreding van artikel 6 van Pro de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
Ontzegtverdachte
de bevoegdheid motorrijtuigen te besturenvoor de tijd van
één jaar.
Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.S. Dogan, voorzitter,
mrs. D. Bode en D.M.S. Gribling, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M.H. Ettema, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 februari 2026.

Voetnoten

1.HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.
2.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
3.Proces-verbaal fotomap, doorgenummerde pag. 12, 25-27; proces-verbaal van bevindingen (naar aanleiding van de verkregen camerabeelden), doorgenummerde pag. 43, 48-52; de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 januari 2026 en de camerabeelden zelf
4.Proces-verbaal van bevindingen, doorgenummerde pag. 30, 31; schouwverslag met betrekking tot [slachtoffer] , doorgenummerde pag. 95, 96.
5.Proces-verbaal fotomap, doorgenummerde pag. 12, 15-20; proces-verbaal van bevindingen (met fotoblad), doorgenummerde pag. 43, 44, 47.