ECLI:NL:RBAMS:2026:1352

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
13/028589-25
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste en enige aanleg
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OLWArt. 4 Handvest van de grondrechten van de EUArt. 5 OLWArt. 7 OLWArt. 11 OLW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Amsterdam verklaart officier van justitie niet-ontvankelijk in EAB-procedure wegens onvoldoende wijziging detentieomstandigheden in Polen

De rechtbank Amsterdam behandelde op 27 januari 2026 het Europees aanhoudingsbevel (EAB) uitgevaardigd door de Poolse autoriteiten voor de overlevering van een Poolse verdachte zonder vaste verblijfplaats in Nederland. Na een eerdere tussenuitspraak waarin een reëel gevaar voor schending van het Handvest werd vastgesteld vanwege de detentieomstandigheden in Polen, werd de uitvaardigende autoriteit verzocht aanvullende informatie te verstrekken.

De aanvullende informatie van 7 januari 2026 stelde dat de verdachte maximaal twee uur per dag buiten zijn cel zou kunnen doorbrengen, mits hij aan alle activiteiten deelneemt. De raadsman betoogde dat dit onvoldoende garanties biedt en dat het risico op schending van fundamentele rechten blijft bestaan. De officier van justitie vond de informatie voldoende om het gevaar weg te nemen.

De rechtbank oordeelde dat de aanvullende informatie geen wezenlijke nieuwe feiten bevatte en onvoldoende concreet was om het individuele gevaar voor onmenselijke of vernederende behandeling uit te sluiten. De redelijke termijn voor het leveren van nieuwe informatie was verstreken, waardoor geen gevolg kon worden gegeven aan het EAB. De officier van justitie werd niet-ontvankelijk verklaard, waarmee de overleveringsprocedure werd beëindigd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk en geeft geen gevolg aan het Europees aanhoudingsbevel wegens onvoldoende wijziging van detentieomstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/028589-25 (EAB II)
Datum uitspraak: 27 januari 2026
UITSPRAAK
op de vordering van 30 oktober 2025 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). [1]
Dit EAB is uitgevaardigd op 17 oktober 2024 door
the District Court in Krakow, Third Criminal Division,Polen (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:
[opgeëiste persoon] ,
geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] , Polen,
zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,
gedetineerd in [detentieplaats] ,
hierna ‘de opgeëiste persoon’.

1.Procesgang

Zitting van 18 december 2025
De behandeling van het EAB is aangevangen op de zitting van 18 december 2025, in aanwezigheid van mr. A.L. Wagenaar, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, advocaat in Amsterdam, en door een tolk in de Poolse taal.
De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van de Overleveringswet (OLW) uitspraak moet doen over de verzochte overlevering met 30 dagen verlengd. [2] Tevens heeft de rechtbank voor sluiting van het onderzoek ter zitting de gevangenneming bevolen.
Tussenuitspraak van 31 december 2025 [3]
Bij tussenuitspraak van 31 december 2025 heeft de rechtbank een individueel reëel gevaar van schending van het Handvest van de grondrechten van de EU (Handvest) voor de opgeëiste persoon aangenomen vanwege de detentieomstandigheden in Poolse
remand prisonsen een redelijke termijn gesteld van tien dagen om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen informatie aan te leveren waaruit blijkt dat een wijziging van de omstandigheden is opgetreden.
Zitting van 21 januari 2026
De voortzetting van de behandeling van het EAB heeft met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling plaatsgevonden op de zitting van 21 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, en door een tolk in de Poolse taal.

2.Identiteit van de opgeëiste persoon

Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.Tussenuitspraak van 31 december 2025

In de tussenuitspraak van 31 december 2025 heeft de rechtbank reeds geoordeeld over onder meer de grondslag en inhoud van het EAB (onder 3), de strafbaarheid van de feiten (onder 4), en over de toetsing aan artikel 11 OLW Pro in combinatie met artikel 47 van Pro het Handvest van de grondrechten van de EU (onder 5.1).
Deze overwegingen dienen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

4.Artikel 11 OLW Pro: Poolse detentieomstandigheden in remand prisons

4.1
Inleiding
De rechtbank verwijst in dit kader allereerst naar haar overwegingen onder punt 5.2 van de tussenuitspraak van 31 december 2025. Deze overwegingen moeten als hier herhaald en ingelast worden beschouwd. Naar aanleiding van aanvullende vragen van het openbaar ministerie van 31 december 2025 heeft het regionaal parket van Krakau op 7 januari 2026 de volgende informatie verstrekt:
“(…) Zoals in eerdere brieven is aangegeven, is het niet mogelijk om vooraf aan te
geven en vast te stellen welke specifieke activiteiten en voorstellen voor het doorbrengen van tijd buiten de gevangeniscel in de toekomst aan gedetineerden zullen worden voorgesteld. Niettemin kan op basis van alle momenteel geldende voorschriften worden aangenomen dat de geschatte reële tijd die [opgeëiste persoon] buiten zijn cel zou doorbrengen, indien hij alle mogelijkheden die hem ter beschikking staan om zijn cel te verlaten zou benutten, maximaal 2 uur per dag zou bedragen, waarvan 1 uur wandelen en 1 uur voor andere activiteiten van de gedetineerde.
Er moet ook worden benadrukt dat uit uw e-mail van 31 december 2025 blijkt dat u de informatie over 1 uur per week voor extra activiteiten verkeerd hebt geïnterpreteerd. Ik wijs nogmaals op de brief van 5 december 2025, waarin ik, in overeenstemming met de informatie van de onderzoeksgevangenis in Krakau, meedeel dat personen in voorlopige hechtenis minimaal één uur per dag tot enkele uren per dag (en niet per week) buiten hun cel verblijven in de plaatselijke onderzoeksgevangenis afhankelijk van de dag van de week, de situatie in verband met het interne reglement van de gevangenis, proceshandelingen binnen en buiten de gevangenis en de individuele behoeften van de gevangenen, hun juridische situatie of hun gezondheidstoestand. (…)”
4.2
Het standpunt van de raadsman
De raadsman stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon het risico loopt dat tijdens detentie in Polen zijn fundamentele rechten zullen worden geschonden, doordat niet aan de internationale detentiestandaarden wordt voldaan. De opgeëiste persoon vertrouwt er namelijk niet op dat de garanties die in de aanvullende informatie worden gegeven zullen worden nagekomen. Er moet geen gevolg worden gegeven aan het EAB.
4.3
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat uit de aanvullende informatie van 7 januari 2026 blijkt dat de opgeëiste persoon tot twee uur per dag buiten de cel mag verblijven als hij aan alle activiteiten meedoet. Dit is voldoende om het individuele gevaar voor de opgeëiste persoon weg te nemen. De overlevering kan worden toegestaan.
4.4
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank moet beoordelen of zich binnen de in de tussenuitspraak van 31 december 2025 gestelde redelijke termijn van tien dagen een wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan op grond waarvan het algemeen reëel gevaar van onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest ten aanzien van de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten. De rechtbank is van oordeel dat de hierboven weergegeven door de Poolse autoriteiten verstrekte informatie daartoe onvoldoende aanknopingspunten biedt en overweegt daartoe als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank bevat de aanvullende informatie van 7 januari 2026 geen wezenlijk nieuwe informatie ten opzichte van de eerder verstrekte aanvullende informatie. In de aanvullende informatie van 7 januari 2026 wordt herhaald dat de geschatte reële tijd die de opgeëiste persoon buiten zijn cel zal kunnen doorbrengen
maximaal2 uur per dag kan bedragen in het geval hij aan alle activiteiten mee zou doen. Daaruit volgt dat de opgeëiste persoon in ieder geval niet meer dan twee uur per dag buiten de cel zal verblijven, maar niet hoeveel tijd hij dan wel (gemiddeld) per dag buiten de cel kan verblijven. De rechtbank leest alle aanvullende informatie in samenhang bezien zo dat de opgeëiste persoon in ieder geval één uur
per dagkan wandelen en één uur
per weekmet zekerheid in de gemeenschappelijke ruimte kan verblijven en daar aan activiteiten kan meenemen. Voor overige activiteiten buiten de cel gelden verschillende voorwaarden voor deelname, die deels buiten de invloedsfeer van de opgeëiste persoon liggen, zoals de omstandigheid dat er een
“juvenile”zit in de groep waartoe de opgeëiste persoon behoort en de mogelijkheid om met een psycholoog te praten wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden (
“such as intellectual disability, mental disorder, death of a close relative”)
.Al met al acht de rechtbank de door de Poolse autoriteiten verschafte informatie nog steeds onvoldoende concreet om een reële inschatting te kunnen maken hoeveel uur de opgeëiste persoon onder normale omstandigheden, en wanneer hij ervoor kiest om aan de aangeboden activiteiten deel te nemen, gemiddeld buiten zijn cel kan verblijven.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de aanvullende informatie niet heeft geleid tot een wijziging in de omstandigheden als bedoeld in artikel 11, tweede lid, OLW, terwijl de gegeven redelijke termijn in de zin van artikel 11, vierde lid, OLW inmiddels is verstreken.
De rechtbank zal daarom geen gevolg geven aan het EAB gelet op het bepaalde in artikel 11, eerste lid, OLW. De rechtbank zal op grond van artikel 11, vierde lid, in verbinding met artikel 28, derde lid, OLW de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB. Daarmee wordt de overleveringsprocedure beëindigd.

5.Slotsom

De rechtbank zal met toepassing van artikel 11, eerste lid, OLW geen gevolg geven aan het EAB.

6.Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 2, 5, 7 en 11 OLW.

7.Beslissing

GEEFTgeen gevolg aan het EAB.
VERKLAARTde officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.
HEFT OPde (geschorste) overleveringsdetentie.
Deze uitspraak is gedaan door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. D.L.S. Ceulen en C.M.S. Loven, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G.S. Haas, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 27 januari 2026.
Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 23 Overleveringswet Pro.
2.Zie artikel 22, eerste en derde lid, OLW.