Op 14 januari 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam uitspraak gedaan in een zaak betreffende de vordering tot behandeling van een Europees aanhoudingsbevel (EAB) dat was uitgevaardigd door het Parket van de procureur des Konings Antwerpen, België. Het EAB was gericht op de aanhouding en overlevering van een opgeëiste persoon, geboren in Kaapverdië, die op dat moment gedetineerd was in Nederland. De rechtbank heeft vastgesteld dat de identiteit van de opgeëiste persoon correct was en dat hij de Kaapverdische en Portugese nationaliteit heeft. Tijdens de zitting op 24 december 2025 heeft de opgeëiste persoon afstand gedaan van zijn recht op aanwezigheid, en zijn raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De rechtbank heeft de termijn voor uitspraak verlengd en de gevangenhouding bevolen.
De rechtbank heeft het EAB beoordeeld op basis van de Overleveringswet (OLW) en vastgesteld dat er geen weigeringsgronden van toepassing zijn. Het EAB vermeldde dat de opgeëiste persoon na overlevering onverwijld op de hoogte zal worden gesteld van zijn recht op verzet of hoger beroep. De rechtbank heeft ook de detentieomstandigheden in België beoordeeld en geconcludeerd dat de opgeëiste persoon in een instelling zal worden geplaatst die voldoet aan de fundamentele rechten en internationale standaarden. De rechtbank heeft uiteindelijk besloten de overlevering toe te staan, omdat aan alle wettelijke vereisten was voldaan en er geen belemmeringen waren voor de uitvoering van het EAB.