ECLI:NL:RBAMS:2026:1080

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
780621
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 Verordening (EU) 2019/1111Art. 7 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996Art. 822 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingHaagse Conventie inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid en contactregeling bij verblijf kinderen in Verenigde Staten na vakantie

Partijen zijn gehuwd en hebben gezamenlijk gezag over twee minderjarige kinderen. Na een vakantie in de Verenigde Staten keerde de moeder met de kinderen niet terug naar Nederland, wat leidde tot een kort geding door de vader. De vader vordert onder meer dat de moeder met de kinderen terugkeert naar Nederland, dat de kinderen aan hem worden toevertrouwd, en dat een contact- en informatieregeling wordt vastgesteld.

De rechtbank oordeelt dat zij onbevoegd is om te beslissen over de terugkeer van de kinderen naar Nederland, omdat dit onder het Haagse Kinderontvoeringsverdrag valt en de rechter in de Verenigde Staten exclusief bevoegd is. Wel is de rechtbank bevoegd voor de overige vorderingen, omdat Nederland nog steeds de gewone verblijfplaats van de kinderen is volgens het Haags Kinderbeschermingsverdrag.

De rechtbank wijst de vordering tot toewijzing van de kinderen aan de vader af, omdat de moeder de dagelijkse zorg heeft en er geen reden is aan te nemen dat de kinderen beter af zijn bij de vader. De vordering tot gebruik van de echtelijke woning wordt afgewezen wegens gebrek aan belang. Wel wordt een contactregeling via dagelijks videobellen van 10 minuten en een wekelijkse informatieregeling met een maandelijkse foto toegewezen. Overige vorderingen, zoals afgifte paspoorten en verbod op reizen buiten Nederland, worden afgewezen. Proceskosten worden gecompenseerd.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor de terugkeervordering, kent een contact- en informatieregeling toe en wijst overige vorderingen af.

Uitspraak

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/780621 / KG ZA 25-1042 MK/BB
Vonnis in kort geding van 29 januari 2026
in de zaak van
[de man],
te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 31 december 2025,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. J.H. Weermeijer-Patist,
tegen
[de vrouw],
zonder bekende woon-of verblijfplaats in of buiten Nederland,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. M. Amrani.

1.De procedure

Op de mondelinge behandeling van 14 januari 2026 heeft de man de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. De vrouw heeft verweer gevoerd en een tegenvordering (eis in reconventie) ingediend. De man heeft de tegenvordering bestreden. Beide partijen hebben producties ingediend en de man tevens een pleitnota.
Bij de mondelinge behandeling waren de man en zijn advocaat en de advocaat van de vrouw aanwezig. Vonnis is, met een dag uitstel, bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Partijen zijn op 20 september 2012 in [plaats] (Pakistan) met elkaar gehuwd, welk huwelijk in Nederland is ingeschreven. Uit dit huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 te [geboorteplaats] .
2.2.
Partijen hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen.
2.3.
Partijen woonden tot de zomer van 2025 met de kinderen in een woning waar ook de ouders van de man en zijn broer met echtgenote wonen.
2.4.
Op 24 juli 2025 heeft er een incident/ruzie plaatsgevonden tussen partijen.
2.5.
Op 4 augustus 2025 is de vrouw met de kinderen naar de Verenigde Staten gereisd om bij familie te verblijven. De man heeft met het ondertekende toestemmingsformulier toestemming gegeven voor een verblijf van de kinderen in de Verenigde Staten tot en met 3 september 2025.
2.6.
De vrouw en de kinderen zijn na 3 september 2025 niet teruggekeerd naar Nederland.
2.7.
De vrouw heeft op 31 oktober 2025 via haar advocaat aangekondigd van de man te willen scheiden. Daarop heeft de man op 25 november 2025 bij de rechtbank in Amsterdam een echtscheidingsverzoek ingediend. Dat verzoek staat thans voor verweer.
2.8.
Sinds het verblijf van de kinderen in de Verenigde Staten heeft sporadisch videobelcontact plaatsgevonden tussen de man en de kinderen.
2.9.
De man heeft op 17 december 2025 bij de Nederlandse Centrale autoriteit een teruggeleidingsverzoek ingediend.
2.10.
De man heeft de kinderen bij de GBA en van de basisschool in Amsterdam uitgeschreven.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
De man vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vrouw te gelasten om binnen drie werkdagen na datum vonnis met de kinderen terug te keren naar Nederland en haar te verbieden om tussentijds naar een ander land of staat binnen de Verenigde Staten af te reizen, behoudens een tussenstop om de kinderen terug te laten keren,
II. te bepalen dat de kinderen voorlopig en per direct dienen te worden toevertrouwd aan de man, dan wel aan hem dienen te worden afgegeven, totdat in de bodemprocedure is beslist, waarbij hij zo nodig de sterke arm kan inschakelen,
III. het gebruiksrecht van de echtelijke woning te [woonplaats] toe te kennen aan de man, voor in ieder geval de duur van de echtscheidingsprocedure,
IV. bij afwijzing van de vordering onder II te bepalen dat de in het lichaam van de dagvaarding vermelde zorgregeling zal gaan gelden,
V. een voorlopige informatieregeling vast te stellen, zoals weergegeven in het lichaam van de dagvaarding,
VI. een certificaat af te geven waaruit het gezagsrecht blijkt, althans in de overwegingen op te nemen dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag zijn belast en derhalve enkel tezamen over de werkelijke verblijfplaats van de kinderen kunnen beslissen,
VII. te bepalen dat de vrouw binnen drie dagen na datum vonnis het identiteitsbewijs en/of de paspoorten van de kinderen aan de man dient af te geven, bij gebreke waarvan hij de paspoorten als vermist mag opgeven (voor zover die toestemming is vereist),
VIII. te bepalen dat het de vrouw, vanaf het moment dat zij met de kinderen in Nederland aankomt, wordt verboden om zich met de kinderen buiten Nederland te (doen) begeven zonder voorafgaande toestemming van de man of de rechter,
IX. het voorgaande op straffe van dwangsommen, voor zover vatbaar daartoe,
X. althans een zodanige beslissing te nemen die de voorzieningenrechter juist acht.
3.2.
De man legt aan zijn vorderingen het volgende ten grondslag. De man heeft de vrouw toestemming gegeven om de zomervakantie met de kinderen bij familie in de Verenigde Staten door te brengen. Door op de afgesproken datum niet met de kinderen terug te keren naar Nederland is er sprake van een onrechtmatig verblijf in de Verenigde Staten dan wel Canada, waar de vrouw volgens door de man ontvangen signalen mogelijk naartoe is doorgereisd. De kinderen worden door de vrouw aan het gezag van de man onttrokken en zij frustreert het contact tussen de man en de kinderen. Door het handelen van de vrouw dreigen de kinderen verder van hem te vervreemden, hetgeen niet in hun belang is. De kinderen moeten daarom zo spoedig mogelijk naar Nederland terugkeren. De man betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan huiselijk geweld en dat het voor de vrouw niet veilig is om terug te keren. Het voorval op 24 juli 2025 was volgens hem niet meer dan een ruzie tussen partijen. Hij heeft de vrouw niet met een mes bedreigd. De man heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eventuele veiligheidsrisico’s kunnen worden ondervangen door passende hulpverlening of door de kinderen aan hem toe te vertrouwen. Het is volgens hem in ieder geval geen gegronde reden voor het onttrekken van de kinderen aan zijn gezag. Volgens de man is het sowieso in het belang van de kinderen om aan hem toevertrouwd te worden, zodat zij in hun vertrouwde omgeving bij hem en zijn familie kunnen opgroeien. Verder wenst de man duidelijkheid over het contact met de kinderen zolang zij bij de vrouw zijn (tweemaal 10 minuten per dag videobellen) en een zorgregeling voor als de vrouw met de kinderen is teruggekeerd (tenminste 70% van de week bij de man en 1 à 2 dagen per week onder begeleiding bij de vrouw). Ook wil de man, zolang de kinderen bij de vrouw zijn, wekelijks door de vrouw geïnformeerd worden over de ontwikkeling van de kinderen, waarbij naast algemene informatie specifieke informatie moet worden gegeven, zoals over medische afspraken, informatie van/over school, hobby’s en sporten. Eenmaal per maand wil hij een recente foto van de kinderen. Om een nieuwe ontvoering in de toekomst te voorkomen moet het de vrouw worden verboden om, zodra zij met de kinderen naar Nederland is teruggekeerd, zich zonder toestemming van de man met de kinderen buiten Nederland te begeven. Ook moet zij de ID-kaarten en paspoorten van de kinderen aan hem afgeven. Ten slotte wil de man op enige wijze vastgesteld hebben dat er sprake is van gezamenlijk gezag, zodat daarover in het buitenland geen discussie kan ontstaan.
3.3.
De vrouw voert verweer. Allereerst heeft zij aangevoerd dat de voorzieningenrechter te Amsterdam niet bevoegd is omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats niet (meer) in Nederland hebben. Verder moet de man volgens de vrouw niet ontvankelijk worden verklaard in zijn vorderingen omdat het spoedeisend belang ontbreekt en omdat hij zijn vorderingen in het kader van een voorlopige voorzieningenprocedure ex artikel 822 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) had moeten indienen.
Voor het geval aan het voorgaande voorbij wordt gegaan, heeft de vrouw aangevoerd dat, nu zij met toestemming van de man naar de Verenigde Staten is vertrokken, er geen sprake kan zijn van het onttrekken van de kinderen aan het gezag van de man. Volgens de vrouw lopen zij en de kinderen grote veiligheidsrisico’s als zij naar Nederland moeten terugkeren. Toen zij bij de man en zijn familie in Nederland woonde is zij structureel mishandeld en als slaaf gebruikt. Op 24 juli 2025 is zij door de man met een mes bedreigd en is zij voor haar veiligheid uit het huis gevlucht. Een terugkeer van de vrouw en de kinderen in de nabijheid van de man en zijn familie is levensbedreigend en daarom niet toewijsbaar, al helemaal niet in kort geding. De kinderen kunnen ook niet aan de man worden toevertrouwd. Hij heeft nog nooit voor de kinderen gezorgd en mist opvoedingsvaardigheden. Volgens de vrouw heeft de man in het geheel geen belangstelling voor de kinderen maar doet hij er alles aan om haar te raken. Dat blijkt alleen al uit het feit dat hij drie maanden heeft gewacht met het ondernemen van actie om de kinderen terug te laten keren. De vrouw heeft geen bezwaar tegen het tot stand brengen van videobelmomenten tussen de man en de kinderen en de man te informeren over de kinderen, maar wel op een beperktere manier dan door hem is gevorderd. Alle vorderingen liggen voor afwijzing gereed, aldus de vrouw.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
De vrouw vordert, samengevat:
het gezag van de man over de kinderen te schorsen totdat in de echtscheidsprocedure is beslist op het nog in te dienen verzoek van de vrouw tot eenhoofdig gezag,
de kinderen voorlopig aan haar toe te vertrouwen,
althans een zodanige beslissing te nemen die de voorzieningenrechte juist acht,
de proceskosten tussen partijen te compenseren, althans de man in de proceskosten te veroordelen.
3.6.
De stellingen van partijen komen overeen met hetgeen zij in conventie naar voren hebben gebracht. Daarop wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling in conventie

bevoegdheid
4.1.
Allereerst moet (ambtshalve) worden beoordeeld of de Nederlandse rechter bevoegd is om over dit geschil te oordelen.
4.2.
Ten aanzien van de vordering die ziet op het terugkeren van de kinderen naar Nederland (
vordering I) is de Nederlandse rechter niet bevoegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet deze vordering worden beoordeeld met inachtneming van de bepalingen van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (HKOV). De vrouw is in de zomer van 2025 met de kinderen naar de Verenigde Staten vertrokken en er wordt vanuit gegaan dat zij daar thans nog steeds verblijven. De man heeft weliswaar ter zitting verklaard dat de vrouw mogelijk inmiddels met de kinderen is doorgereisd naar Canada, maar daar zijn verder geen concrete aanwijzingen voor. Daarom wordt hierna uitgegaan van een verblijf in de Verenigde Staten. Voor het geval dit Canada zou zijn leidt dit overigens tot dezelfde uitkomst. De Verenigde Staten en Nederland zijn aangesloten bij het HKOV. De man is op 17 december 2025 de in het HKOV neergelegde procedure gestart door bij de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (de CA) in Nederland een verzoek in te dienen tot teruggeleiding van de kinderen naar Nederland. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 9 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU2834) geoordeeld dat een op het HKOV gebaseerd verzoek tot teruggeleiding van een kind dat beweerdelijk ongeoorloofd is overgebracht vanuit de verdragsluitende staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft naar een andere verdragsluitende staat of in die andere staat wordt vastgehouden, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt. De rechter in de Verenigde Staten (dan wel Canada) is daarom exclusief bevoegd om te oordelen over de vordering tot teruggeleiding van de kinderen. De Nederlandse rechter is dus onbevoegd.
4.3.
De overige vorderingen vallen binnen het toepassingsgebied van de Verordening (EU) 2019/1111 van de Raad van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (ook genoemd: Brussel II-ter). De Nederlandse rechter is bevoegd kennis te nemen van die vorderingen indien de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden op het moment dat dit kort geding aanhangig werd gemaakt (artikel 7 lid 1 Brussel Pro II-ter). Dat moment is
19 december 2025, de datum waarop de zittingsdatum voor dit kort geding aan de advocaat van de vrouw bekend is gemaakt.
4.4.
Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie wordt onder dat begrip “gewone verblijfplaats” verstaan de plaats waar zich het centrum van het leven van het kind bevindt, rekening houdend met zijn/haar sociale en familiale banden.
4.5.
Hier is van belang dat de kinderen vanaf 4 augustus 2025 niet meer in Nederland verblijven maar in de Verenigde Staten. Tot en met 3 september 2025 was dat verblijf met toestemming van de man en ging de man er vanuit dat de kinderen uitsluitend voor een tijdelijk verblijf (vakantie) Nederland zouden verlaten, maar de vrouw is met de kinderen niet meer teruggekeerd naar Nederland. De man heeft de kinderen om hem moverende redenen in Nederland ook al uitgeschreven uit de GBA en de basisschool waarop zij zaten.
Verder is van belang dat op het moment dat dit kort geding aanhangig werd gemaakt de kinderen al drie en een halve maand (de vakantie van 4 augustus tot en met 3 september 2025 buiten beschouwing gelaten) hun leven in de Verenigde Staten leidden. De advocaat van de vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij aldaar ook naar school gaan. Dit alles leidt ertoe dat Nederland niet als de gewone verblijfplaats van de kinderen kan worden aangemerkt.
4.6.
De vraag is vervolgens of de Nederlandse rechter bij wijze van uitzondering toch bevoegd is omdat de man thans aanvoert dat de vrouw de kinderen zonder zijn toestemming sinds 4 september 2025 in de Verenigde Staten houdt en er dus volgens hem sprake is van ongeoorloofde achterhouding van de kinderen in de zin van artikel 7 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKBV 1996). In de Verenigde Staten is het HKBV 1996 niet in werking getreden, maar op grond van de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming zijn de bevoegdheidsregels in het HKBV 1996 tevens van toepassing in geval een land niet is aangesloten bij dit verdrag.
4.7.
Op grond van artikel 7 HKBV Pro 1996 blijven in het geval van ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren van een kind de autoriteiten van de verdragsluitende staat waarin het kind onmiddellijk voor de ontvoering zijn gewone verblijfplaats had bevoegd totdat het kind een gewone verblijfplaats heeft gekregen in een andere staat, tenzij
* de persoon, instelling of ander lichaam met de gezagsrechten heeft berust in de overbrenging of niet doen terugkeren; of
* binnen één jaar nadat de gezaghebber kennis heeft gekregen of had moeten krijgen van de verblijfsplaats van het kind geen terugkeerverzoek is ingediend, dat nog in behandeling is, en het kind in zijn nieuwe omgeving is geworteld.
4.8.
Vaststaat dat de vrouw de kinderen sinds 4 september 2025 ongeoorloofd achterhoudt in de Verenigde Staten. Voor de periode na die datum heeft de man immers geen toestemming gegeven. De man heeft niet berust in het niet terugkeren van de kinderen naar Nederland en is binnen een jaar bij de CA een teruggeleidingsprocedure begonnen. Aan de voorwaarden van artikel 7 HKBV Pro 1996 is dus voldaan. Op grond hiervan wordt geconcludeerd dat de gewone verblijfplaats van de kinderen Nederland is gebleven en de Nederlandse rechter (hier: de voorzieningenrechter te Amsterdam) bevoegd is ten aanzien van de overige vorderingen (alle vorderingen, met uitzondering van de vordering I).
Op grond van artikel 15 lid 1 van Pro HKBV 1996 past de Nederlandse rechter, wanneer hij bevoegd is om over de zaak te oordelen, het Nederlands recht toe. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter op de overige vorderingen Nederlands recht toepassen.
ontvankelijkheid
4.9.
De man kan in zijn overige vorderingen worden ontvangen. Allereerst mocht hij ervoor kiezen om deze kort gedingprocedure te starten, omdat hij (ook) vorderingen heeft ingesteld die niet vallen onder de limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen in artikel 822 Rv Pro. Ook heeft hij een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, nu hij door het handelen van de vrouw (niet met de kinderen terugkeren naar Nederland) zijn gezag niet kan uitoefenen over de kinderen en hij de kinderen slechts sporadisch via videobellen ziet. Dat hij pas ruim drie maanden na het door de vrouw achterhouden van de kinderen in de Verenigde Staten een teruggeleidingsprocedure is gestart maakt niet dat de spoedeisendheid is komen te vervallen.
algemeen
4.10.
Nu tussen partijen niet in geschil is dat zij het gezamenlijk gezag over de kinderen hebben, is uitgangspunt dat zij gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van de kinderen en dat zij gezamenlijk beslissingen nemen over belangrijke zaken die de kinderen aangaan (bijvoorbeeld over schoolkeuze en medische zorg). De vrouw heeft, door niet met de kinderen terug te keren naar Nederland, de man als mede-gezaghebbende ouder buiten spel gezet en ervoor gezorgd dat hij zijn kinderen uitsluitend nog via videobellen kan zien. Inmiddels is duidelijk dat de vrouw van de man wil scheiden en dat zij van mening is dat zij niet naar Nederland kan terugkeren omdat zij en de kinderen daar gevaar lopen. Als dat al zo is, hetgeen door de man wordt betwist, rechtvaardigt dat nog niet het handelen van de vrouw. Het had op haar weg gelegen om, eventueel na inschakeling van hulpverlening in Nederland, na de vakantie in de Verenigde Staten met de kinderen naar Nederland terug te keren en vanaf een andere verblijfplaats in Nederland de echtscheidingsprocedure te doorlopen. Haar kan een verwijt gemaakt worden dat zij dat niet heeft gedaan.
toevertrouwing kinderen (vordering II)
4.11.
Het handelen van de vrouw is echter geen reden om de kinderen aan de man toe te vertrouwen. Daarbij is van belang dat niet de man maar de vrouw altijd (overwegend) de dagelijkse zorg over de kinderen heeft gehad toen ze nog in Nederland verbleven. Sinds haar vertrek heeft ze alleen de zorg over hen. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de vrouw niet (meer) in staat is om goed voor de kinderen te zorgen en dat de kinderen beter af zijn bij de man. De gevorderde toevertrouwing van de kinderen aan de man wordt dan ook afgewezen.
gebruik echtelijke woning (vordering III)
4.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat de woning waarin partijen met hun kinderen woonden en de man nu nog steeds woont ook wordt bewoond door de ouders van de man en zijn broer en schoonzus. De vrouw wil niet in de woning terugkeren maar heeft bij monde van haar advocaat te kennen gegeven dat de woning verkocht moet worden. Wat daar verder van zij, onder de gegeven omstandigheden is een voorziening aangaande de echtelijke woning niet nodig. De vordering van de man strekkende tot het gebruik van de echtelijke woning wordt dan ook bij gebrek aan belang afgewezen.
contact- dan wel zorgregeling (vordering IV en IX)
4.13.
Uit vordering IV in combinatie met punt 45 tot en met 51 van de dagvaarding begrijpt de voorzieningenrechter dat de man een contactregeling wil voor de periode dat de kinderen niet naar Nederland zijn teruggekeerd, in de vorm van videobellen, en hij een zorgregeling wil voor als zij zijn teruggekeerd naar Nederland. De voorzieningenrechter is met de man van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat er op structurele basis videobelcontact plaatsvindt tussen hem en de kinderen zolang de kinderen nog niet naar Nederland zijn teruggekeerd. De vrouw is het daarmee eens. Een dergelijke contactregeling wordt dan ook vastgelegd. De gevorderde regeling met twee videobelmomenten per dag wordt voor de kinderen echter te belastend geacht. Het wordt het meest in het belang van de kinderen geacht als eenmaal per dag op een vast moment gedurende ongeveer 10 minuten videobelcontact plaatsvindt met hun vader. Daarbij dient uiteraard rekening te worden gehouden met het tijdsverschil. Het is aan de advocaten van partijen om in onderling overleg af te spreken op welke wijze, via welk toestel en op welk tijdstip dat contact gaat plaatsvinden. Nu de vrouw het eens is met een videobelcontactregeling tussen de man en de kinderen wordt er geen aanleiding gezien om hieraan een dwangsom te verbinden.
4.14.
Nu niet duidelijk is wanneer de kinderen weer in Nederland zijn wordt een zorgregeling voor alsdan te voorbarig geacht. Tegen die tijd zal opnieuw bekeken moeten worden welke regeling in het belang van de kinderen is.
informatieregeling (vordering V en IX)
4.15.
De vrouw heeft te kennen gegeven geen bezwaar te hebben tegen het verstrekken van informatie over de kinderen aan de man, maar vindt het te belastend om dit wekelijks te moeten doen. Daar wordt zij niet in gevolgd. Het moet voor haar mogelijk zijn om wekelijks een bericht aan de man te sturen waarin zij hem informeert over het wel en wee van de kinderen en over belangrijke zaken, zoals over school en medische aangelegenheden (als die op dat moment te melden zijn). Minimaal eenmaal per maand dient de vrouw tevens een recente foto van de kinderen mee te sturen. De voorzieningenrechter verwacht niet dat de vrouw hier niet aan zal voldoen en acht een dwangsom daarom (nog) niet nodig.
4.16.
Dit alles laat onverlet dat bij urgente zaken ten aanzien van de kinderen de vrouw direct contact zoekt met de man. De man en de vrouw hebben gezamenlijk gezag over de kinderen dus alle belangrijke zaken en beslissing ten aanzien van de kinderen dienen gezamenlijk besproken en besloten te worden.
afgifte certificaat gezag (vordering VI)
4.17.
Het is niet aan de vrouw om aan de man een certificaat af te geven waaruit het gezamenlijk ouderlijk gezag blijkt. Bovendien is niet duidelijk welk belang de man daarbij heeft, nu tussen partijen niet in geschil is dat er sprake is van gezamenlijk gezag. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.
afgifte ID-kaarten/paspoorten (vordering VII)
4.18.
Bij de huidige stand van zaken, waarbij de vrouw met de kinderen in de Verenigde Staten verblijft, heeft de man geen belang bij de ID-kaarten en paspoorten van de kinderen. Het is gebruikelijk dat de ouder bij wie de kinderen verblijven de beschikking heeft over deze documenten. De vordering om deze aan hem af te geven wordt dan ook afgewezen. Het is onrechtmatig als de man ID-kaarten en/of paspoorten als vermist opgeeft als dat niet het geval is. Deze vordering wordt afgewezen.
verbod buiten Nederland begeven (vordering VIII)
4.19.
In het geval van gezamenlijk gezag heeft de ene ouder toestemming van de andere ouder nodig om zich met de kinderen buiten Nederland te begeven. Die toestemming heeft de vrouw voor haar vertrek met de kinderen naar de Verenigde Staten gevraagd (en gekregen). Nu de vrouw en de kinderen op het moment niet in Nederland verblijven en het niet duidelijk is wanneer dat wel het geval is, is een verbod om zich buiten Nederland te begeven niet opportuun. Deze vordering wordt ook afgewezen.
proceskosten
4.20.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De beoordeling in reconventie
schorsen gezag (vordering A)
4.21.
De vordering om het gezag van de man te schorsen is niet toewijsbaar. Voor deze verstrekkende voorziening is het nodig dat door het handelen van de man gezamenlijke gezagsbeslissingen niet mogelijk zijn en daardoor een acute dreiging in de ontwikkeling van de kinderen ontstaat. Daarvan is hier in het geheel niet gebleken. Het is juist door het handelen van de vrouw dat het moeilijk wordt gemaakt om gezamenlijk het gezag uit te oefenen. Bovendien heeft de vrouw niet aangetoond dat daardoor een acute dreiging in de ontwikkeling van de kinderen is ontstaan.
toevertrouwen kinderen (vordering B)
4.22.
Vaststaat dat de kinderen op dit moment bij de vrouw verblijven en door haar worden verzorgd en dat dit voorlopig ook zo blijft. Op dit moment is er dan ook geen urgentie om de kinderen aan de vrouw toe te vertrouwen.
proceskosten
4.23.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in conventie
5.1.
verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van vordering I (de vrouw te gelasten met de kinderen naar Nederland terug te keren),
5.2.
bepaalt dat, zolang de vrouw niet met de kinderen naar Nederland is teruggekeerd, een contactregeling geldt waarbij de kinderen en de man elke dag op een vast moment gedurende 10 minuten zullen videobellen, in onderling overleg tussen de advocaten van partijen nader te bepalen op welke wijze, via welk toestel en op welk tijdstip dat contact zal plaatsvinden,
5.3.
bepaalt dat, zolang de vrouw niet met de kinderen naar Nederland is teruggekeerd, de vrouw de man éénmaal per week per e-mail informeert over het wel en wee van de kinderen en over belangrijke zaken betreffende de kinderen, zoals over school en medische aangelegenheden (als die op dat moment te melden zijn) en dat zij minimaal éénmaal per maand een recente foto van de kinderen meestuurt,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
weigert de gevraagde voorzieningen,
5.8.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door
mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.
Type: BPWB
Coll: MAH