Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling in conventie
vordering I) is de Nederlandse rechter niet bevoegd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet deze vordering worden beoordeeld met inachtneming van de bepalingen van het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (HKOV). De vrouw is in de zomer van 2025 met de kinderen naar de Verenigde Staten vertrokken en er wordt vanuit gegaan dat zij daar thans nog steeds verblijven. De man heeft weliswaar ter zitting verklaard dat de vrouw mogelijk inmiddels met de kinderen is doorgereisd naar Canada, maar daar zijn verder geen concrete aanwijzingen voor. Daarom wordt hierna uitgegaan van een verblijf in de Verenigde Staten. Voor het geval dit Canada zou zijn leidt dit overigens tot dezelfde uitkomst. De Verenigde Staten en Nederland zijn aangesloten bij het HKOV. De man is op 17 december 2025 de in het HKOV neergelegde procedure gestart door bij de Centrale Autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden (de CA) in Nederland een verzoek in te dienen tot teruggeleiding van de kinderen naar Nederland. De Hoge Raad heeft in zijn uitspraak van 9 december 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BU2834) geoordeeld dat een op het HKOV gebaseerd verzoek tot teruggeleiding van een kind dat beweerdelijk ongeoorloofd is overgebracht vanuit de verdragsluitende staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft naar een andere verdragsluitende staat of in die andere staat wordt vastgehouden, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt. De rechter in de Verenigde Staten (dan wel Canada) is daarom exclusief bevoegd om te oordelen over de vordering tot teruggeleiding van de kinderen. De Nederlandse rechter is dus onbevoegd.
19 december 2025, de datum waarop de zittingsdatum voor dit kort geding aan de advocaat van de vrouw bekend is gemaakt.
5.De beslissing
mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2026.